Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Orgelstrijd in de Nederlanden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Orgelstrijd in de Nederlanden

4 minuten leestijd

(2)

Door omstandigheden kan eerst nu het 2e artikel geplaatst worden. In ons vorige artikel — zie no. 6, 19e jaargang — vernamen we iets van de ontwikkeling van het orgel, en hoe er in de loop der eeuwen over het orgel gedacht is. We konden tenslotte lezen, dat de Hervorming in de Nederlanden ook het orgel tot de „Roomse uitwassen" rekende. In het nu volgende gedeelte willen we belichten, hoe de meningen omtrent het orgel waren in de 17e eeuw.

De orgels zwijgen! Althans, in de meeste steden treedt stagnatie van het orgelspel op, hetzij door (in enkele gevallen) het uitbreken van het kerkorgel, hetzij dat een synodaal besluit het orgelspel tegen hield. De houding van de calvinisten op dit punt werd krachtig gesteund (en) voor een groot deel gevormd door Calvijns persoonlijke mening. Hij keurde het gebruik van muziekinstrumenten in de kerk onvoorwaardelijk af. Zwingli ging nog verder, deze wilde zelfs de gemeentezang afschaffen. Calvijn ging niet zover, al leek dit aanvankelijk wel zo te zullen zijn. Later kwam hij evenwel tot de overtuiging, dat de zang der gemeente wel degelijk zin heeft, n.l. als antwoord van de gemeente op de prediking. De calvinisten hier te lande, overtreffen in felheid hun leermeester. Zij zagen in het orgel een stuk afgodendom en beriepen zich dientengevolge op het tweede gebod; anderen riepen van duivelarij en kondigden de oordelen Gods aan, als hier geen einde aan werd gemaakt.

Duidelijk (en nu ook officieel) tekende de houding der Gereformeerden zich af op de Synode van Dordrecht in 1574, waar men tot de conclusie kwam: „dat het spelen der orgelen in de gemeenten ganschelijk •behoorde afgezet te wezen, en ofschoon men in sommige kerken alleen aan 't einde der predicatiën gebruikte, zo diende het echter meest om te vergeten, wat men te voren gehoord had. Ware het afgeschaft, men zou de aalmoezen bekwamelijker aan de deuren in 't uitgaan des volks kunnen verzamelen, dan thans, nu het in 't midden der predicatie tot grote hindernis moest geschieden."

Nog sprekender is de Synode van 1578, waar men onder leiding van Petrus Datheen de beslissing nam, de kerkorgels te doen afbreken.

Dit streven had echter geen succes, want bij het overgaan van de kerken in protestantse handen, viel het orgel niet onder de kerkelijke bezittingen, maar onder de stedelijke. Hoewel n.a.v. deze synode op sommige plaatsen krachtig ondernomen is, de kerkorgels te doen uitbreken, stuitte dit steeds op de weigering van de vroedschap. Zien we hier al iets van het latere konflikt tussen rekkelijken en preciesen? In ieder geval, de organisten konden hierdoor op de meeste plaatsen in funktie blijven. Reeds voor 1590 zien we dan ook, dat in vele kerken weer orgels gebouwd of hersteld werden. De orgels zwegen, maar niet voor lang!

Er was echter dit grote verschil met vroeger, dat de orgelkunst niet langer meer religieus gericht behoefde te zijn, maar zich vrijer kon ontwikke'len, door het feit, dat het orgel zijn kerkelijk karakter verloor. Hoewel op vele plaatsen, op bevel der stedelijke overheid, het kerkorgel vóór en na de eredienst speelde, om aldus een compromis te scheppen, heeft dit de vrijmaking van het orgel uit de kerkelijke sfeer niet verhinderd. Dit heeft grote gevolgen gehad!

Hierdoor werd de ontwikkeling bevorderd van een vrijere orgelkunst; tevens werd

hierdoor de weg vrij gemaakt voor het houden van orgelbespelingen op een doorde-weekse-avond of ook wel zondagsmiddags, die door iedereen beluisterd konden worden en zo geliefd waren bij de kooplieden en in 't algemeen, bij de hogere standen.

Deze ontwikkeling werd nog bevorderd, doordat de kerk niet langer als gewijde plaats gO'ld, maar enkel als plaats van samenkomst voor de gemeente. In dit verband wordt duidelijk, wanneer we lezen van het werven van krijgsvolk in de kerken, en ook b.v. dat ds. Plancius in de kerk zeevaartkundige lessen gaf.

De orgelstrijd is intussen nog niet ten einde. Het is echter wel opmerkelijk, dat op de grote Nationale Synode van 1618/19 met geen woord over het orgel gerept is. Wijst dit op een stilzwijgende toestemming, of beschouwt ze de orgelkwestie als een minder belangrijke, of afgedane zaak? Hoe dit ook zij, de klachten, vooral van predikanten, maar ook van de „gemene man", bleven stromen, „dat de orghelen wederom hier en daer ingevoert werden." Toch is er nu nog niet van begeleiding van de gemeentezang sprake. Het orgel en de gemeente staan nog volkomen los van elkaar.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 1964

Daniel | 16 Pagina's

Orgelstrijd in de Nederlanden

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 1964

Daniel | 16 Pagina's

PDF Bekijken