Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

EEN LOFZANG IN STILHEID

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

EEN LOFZANG IN STILHEID

7 minuten leestijd

Psalm 65.

In deze zeer schone vijfenzestigste psalm is David aan het woord. Wij weten de omstandigheden niet, waarin hij verkeerde toen de Heilige Geest hem deze psalm heeft ingegeven. Er is wel veel te zeggen voor de gedachte van die verklaarders, die menen dat wij in 2 Samuël 21 de achtergrond kunnen vinden, waartegen wij deze „lofzang in stilheid" moeten bezien. Drie jaar is Israël door hongersnood geteisterd. Het ongenoegen Gods rust op Zijn volk, omdat koning Saul Gibeonieten gedood had en zo de eed geschonden had, die Jozua deze mensen gezworen had. Opdat de toorn Gods zou worden afgekeerd, worden dan zeven zonen uit het huis van Saul voor het aangezicht des Heeren opgehangen. Zo wordt Gods heilig ongenoegen van het volk weggenomen. De vroege regen en de spade regen dalen weer neer. Het zwarte paard van de honger wijkt weg.

De lofzang is in stilheid tot U, o God, in Sion!

Nee, wij moeten bij dit woordje „stilheid" nu niet denken aan die stille gebeden zonder woorden, die wel eens leven kunnen in het hart van Gods kind. Er zijn inderdaad zo wel eens lofzangen of klaagzangen in „stilheid". Veel rijker is echter de betekenis, die het woord hier heeft. Tijdens de verschrikkelijke jaren van honger was er de schreeuw tot God geweest in angst en diepe nood. Nu de Heere Zijn toorn heeft weggenomen van Zijn land is er de stille verwondering en aanbidding tot God. Stilheid wil hier zoveel zeggen als vrede, rust der ziel. Die stilheid kan er zijn in voorspoed, maar, o wonder, ook in tegenspoed en kruis. Zo mag hier David in Sions zalen zijn lofzang doen klimmen tot God, met stil ontzag! Haarzuiver heeft hier de berijming de zin en mening des Geestes aangegeven.

Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen.

Dit mag voor David persoonlijke bevinding zijn, méér dan alleen leerstellige waarheid. Niemand zal ontkennen dat God het gebed hoort. Hij is alwetend en almachtig. Wij belijden het grif. Maar het is toch zo anders, wanneer wij persoonlijk mogen ondervinden en weten, dat God het gebed hoort. Wanneer in de nood en in de verschrikking van onze zonden en schuld het eens gezongen mag worden: toen hóórde God, Hij is mijn liefde waardig! Tot U zal alle vlees komen. Het is dezelfde heilige konklusie als in Psalm 32, waar David na zijn hartelijke schuldbelijdenis voor God gaat zingen: dies zal tot U een ieder van de vromen, in vindenstijd met ootmoed smekend komen!

Alle vlees. Sommigen menen, dat David hier wil zeggen: ensen én beesten zullen tot U roepen om voedsel. Hoewel dit zeker waar is, menen wij toch dat de pijl verder ligt. Wéér treft de berijmer de zaak in het hart: ies zullen allerlei geslachten ootmoedig tot U treên. Ver, zeer ver mag David zien, naar die dag, dat zelfs ook de heidenen zullen vragen naar de Wortel van Isaï (Jesaja 11 : 10).

Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij

Een opmerkelijke zaak hier in het vierde vers is, dat David spreekt over mij, over zichzelf, wanneer hij over de ongerechtige dingen spreekt, maar dat hij in het meervoud ons gaat spreken, wanneer hij over Gods ontferming gewaagt. Dit is een trek van het echte genadeleven: de schuld wordt persoonlijk geëigend, en de genade wordt aan velen gegund. De diepe verwondering van de man naar Gods hart over Gods ontferming komt zo klaar tot uiting in de volgorde van de woorden: onze over-

tredingen — die verzoent Gij! O, geen mens kan de overtredingen verzoenen. Brandofferen, noch offer voor de schuld, voldoen ooit aan Gods eis noch eer. Drie dingen leren al Gods kinderen in hun leven verstaan. Ten eerste, wat hun overtredingen zijn. Van nature zijn wij daar immers zo blind voor, wat onze ellende is. Dan leren zij (later!), dat zij hun overtredingen met él hun betaalmiddelen nooit meer kunnen betalen, nooit meer kunnen verzoenen. En ten laatste, wanneer het zo voor hen onmogelijk is geworden om ooit nog zalig te worden, leren zij dat God Zélf Zich een Lam ten brandoffer heeft voorzien: onze overtredingen, die verzoent Gij!

Welgelukzalig is hij, die Gij verkiest!

Over de uitverkiezing kunnen wij, dwaze kinderen van Adam, zo twisten en debatteren zonder einde. Zijn er weinigen, die zalig worden? Als ik nu eens niet uitverkoren ben? Infra-of supralapsarisme? En ik zeg niet, dat al die vragen ongeoorloofd zijn. Maar arme mens, die nog nooit met David zich eens heilig heeft mogen verwónderen over het geluk van dat volk, dat de Heere verkoren heeft en dat Hij doet naderen. Arme mens, die over de uitverkiezing alleen maar heeft gedebatteerd en geredeneerd. Gelukkige kinderkens, voor wie de Vader Zijn welbehagen heeft geopenbaard, dat Hij voor de wijzen en de verstandigen verborgen heeft. Ben je nooit eens jaloers op die kinderkens, die God doet naderen? Buig dan maar veel je knieën en smeek de Heere of Hij jou ook wil doen naderen. Alle vlees (vs 3) zal tot God naderen. In vleselijke, ellendige, verloren Adamskinderen wil de Heere Zich nog verheerlijken.

Vreselijke dingen zult Gij ons in gerechtigheid antwoorden

Nu begint het tweede deel van deze psalm, waarin David van Gods goedheid in de genade geleid wordt naar Gods goedheid in de natuur. Een ogenblik nog vertoeft hij met zijn gedachten bij de vreselijke dingen die gebeurd zijn met de kinderen van Saul (2 Samuël 21), aan wie de Heere Zijn gerechtigheid heeft doen blijken. Dan blikt de man naar Gods hart in heilige verwondering om zich heen naar de velden, die met kudden bekleed zijn, naar dalen, die na drie jaren van misoogst en honger nu door Gods goedheid weer met koren bedekt zijn, naar het land, waarop de Heere in het najaar de vroege en in het voorjaar de spade regen heeft doen neerdalen. En als een jubelend refrein horen wij telkens weerkeren dat éne woordje: Gij... Gij... Gij! Gij bezoekt het land, Gij verrijkt het grotelijks, Gij maakt het koren gereed, Gij kroont het jaar Uwer goedheid. Menige boer ziet trots naar zijn akkers en kudden en het is: ik, ik, ik. Menigeen ziet naar het werk van zijn handen en het is: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb? Menigeen loopt, bijzonder in deze zomermaanden, door weiden en akkers. Maar hoe weinigen mogen met David komen tot dat heilig verwonderen: Gij, Heere, Gij! Menigeen moppert en klaagt over „slecht weer" wanneer het regent. David hoor ik zeggen: de rivier Gods is vol waters! O neen, uit de natuurlijke Godskennis zullen wij nooit wijs worden gemaakt tot zaligheid. Zeeën, bossen en velden leren een zondaar Christus immers niet kennen. Maar wanneer een mens in oprechtheid de Heere mag vrezen, zullen er toch wel eens tijden zijn, waarin weke voren, bruisende zeeën, beklede velden en bedekte dalen hem prediken de majestueuze grootheid en goedheid Gods. Het overtuigende bewijs daarvan is deze vijfenzestigste psalm, deze lofzang in stilheid.

Vragen :

1. Wijs de verschillende plaatsen in deze psalm eens aan, waar David mag profeteren, dat eenmaal ook de heidenen God zullen groot maken.

2. Wat zou het betekenen, dat de Heere de „uitgangen des morgens en des avonds" doet juichen (vs 9) ?

3. Spreekt deze Psalm niet over de Heere Jezus?

4. In hoeverre kunnen we uit de natuur God leren kennen? Vergelijk ook het tweede artikel van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1977

Daniel | 20 Pagina's

EEN LOFZANG IN STILHEID

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1977

Daniel | 20 Pagina's

PDF Bekijken