Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

IJSTIJDEN, FANTASIE OF WERKELIJKHEID

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

IJSTIJDEN, FANTASIE OF WERKELIJKHEID

10 minuten leestijd

De vraag of er ijstijden zijn geweest, is gemakkelijker gesteld dan beantwoord. De ijstijdtheorie (let wel: theorie!) is nog maar ruim honderd» jaar oud. In 1822 deed de zwitserse ingenieur Venetz onderzoek naar de werking van gletsjers. Uit deze onderzoekingen trok hij de konklusie dat de her en der aangetroffen zwerfkeien — denk aan de-kei van Amersfoort en de drentse hunebedden — daar terecht waren gekomen door middel van gletsjers.

Tot .die tijd toe waren allerlei geologische verschijnselen verklaard met behulp van de zondvloed. Ter verklaring van die grote zwerfstenen voldeed de geschiedenis van de zondvloed echter niet. Het was hoogst twijfelachtig dat zulke enorme stenen vanuit Scandinavië op deze wijze in Drente waren terechtgekomen. Bovendien bleek de ijstijdtheorie ook allerlei andere geologische verschijnselen te kunen verklaren, zoals bijvoorbeeld de stuwwallen van de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. Vandaag is het de beste theorie ter verklaring van allerlei 1 andschaps-vormen in ons land.

Jammer was, dat de ij'stijdtheorie helemaal ingepalmd werd door aanhangers van de evolutietheorie. Zo wordt er tegenwoordig gesproken over ijstijden van miljoenen jaren. Daardoor is deze theorie voor christenen verdacht geworden. Zonder die enorme jaartallen zou het echter best een aanvaardbare theorie kunnen zijn, al blijven er ook in deze theorie voldoende vragen over waarop de geleerden geen antwoord weten.

Hieronder vind je in hoofdzaak een beschrijving van de (mogelijke) invloed van de ijstijd(en) op de landsehapsvormen van ons land en de bevestiging hiervan wat we nu nog kunnen waarnemen.

Een korte beschrijving van de laatste twee ijstijden

Langzaam kwam heel noordwest. Europa in de greep van de ijzige kou van de voorlaatste ijstijd: het Saalien. Vooral op Scandinavië kwam een zeer dikke laag sneeuw te liggen. Doordat steeds meer water uit de zeeën en oceanen opgeslagen werd in de vorm van sneeuw en ijs, daalde de zeespiegel met vele tientallen meters.

Ook in Nederland daalde de temperatuur, waardoor de plantengroei het karakter kreeg van een pool woestijn. De rivieren zoals Rijn, Maas en Schelde

waaierden over Nedeland uit en stroomden naar een Noordzee, die toen grotendeels droog lag. Uit het rivierwater bezonk grind' en zand tot een geweldige puinwaaier met een zuidoost/ noordwest helling.

Vanuit het hoge noorden drongen ijsmassa's op, totdat het hele gebied ten noorden van het midden van Engeland, Nederland, Duitsland en Polen bedekt was door landijs. Vooral aan de onderkant van het ijs werden brokken steen vermorzeld tot keileem (grondmorene). In noord-Nederland schoof het ijs vrijwel als één geheel over het landschap, waardoor er een egale laag keileem op het drents-friese plateau kwam te liggen. Maar op weg naar midden Nederland veranderde het aaneengesloten ijsfront in ijstongen, die diepe tongbekkens uit'sehuurden waarin keileem tot afzetting kwam. Langs de randen van de tongbekkens werden de bevroren rivierafzettingen opgestuwd tot stuwwallen, zoals de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. Hierin werden de oorspronkelijk horizontaal afgezette lagen riviersedimenten scheefgesteld. Op sommige plaatsen kwam het ijs zelfs tot op de stuwwallen, zodat deze ter plaatse werden afgevlakt (o.a. het Amersfoortse Plateau), terwijl er bovendien keileem en zwerfstenen uit Scandinavië opgelegd werden (bijv. de Amersfoortse Kei en de stenen van de hunebedden).

Het ijs smolt dan weer een stukje af en schoof dan weer een stukje op, maar veranderde dan tevens van richting. Zo ontstonden jongere stuwwallen, die soms wel bijna dwars tegen de oudere stuwwalen kwamen te liggen (zo ligt de Amersfoortse Berg dwars op de Utrechtse Heuvelrug). Op de jongere stuwwallen kwamen ook zwerfstenen te liggen, maar dan afkomstig uit een iets meer oostelijker gebied van Scandinavië dan de oudere zwerfstenen,

De overgang van de beschreven ijstijd naar een tussenijstijd (Eemien) kwam, toen de temperatuur zodanig begon te stijgen, dat de ijskap afsmolt. Het smeltwater drong door de stuwwallen heen en het materiaal dat hieruit werd meegenomen bezonk aan de buitenzijde van de stuwwallen in spoelzandvlaktes (bijv. tussen Amersfoort, Zeist en Soesterberg). Uiteindelijk zwollen de rivieren aan tot brede stromen, waardoor de zeespiegel weer steeg. Sommige lage delen van Nederland, zoals het tongbekken van de Gelderse Vallei, kwamen on~ der zeewater waaruit klei met zeeschelpen bezonk.

Toen echter opnieuw een klimaatsafkoeling optrad, groeide het landijs opnieuw aan, maar niet zodanig dat het weer in Nederland kwam.. Tijdens dit glaciaal (Weichselien) kwamen tijdens westerstormen grote massa's zand en stof van de weer drooggevallen Noordzeebodem vrij. Het zand kwam als een deken over Nederland heen te liggen, terwijl het fijnere stof m.n. tot afzetting kwam op de heuvels van Zuid-Limburg (löss).

Het landschappelijk uiterlijk van Nederland

Na een summiere beschrijving van de laatste twee glacialen (ijstijden) en het daartussen geplaatste interglaciaal, zijn we nu toegekomen aan de vraag of er werkelijk ijstijden zijn geweest of dat het alles maar fantasie is.

Het landschappelijk uiterlijk van Ne^derland geeft in haar verscheidenheid van landschapsvormen haar eigen ingewikkelde wordingsgeschiedenis weer. Voor sommige van die landschapsvormen is de ontstaanswijze gemakkelijk weer te geven. Zo is het duidelijk, dat duinen ontstaan door samenwerking tussen wind, zon en vegetatie (begroeiing). Maar er zijn ook landschapsvor-

men waarvan voor het ontstaan een veel ingewikkelder verklaring nodig is. We zullen dit aan de hand van een glaciale landschapsvorm, de stuwwal, proberen duidelijk te maken.

Een stuwwal bestaat vooral uit grof zand en grind, waarvan de herkomst via mineralogiS'Ch onderzoek valt te bepalen. Zo blijkt het materiaal waaruit de Utrechtse Heuvelrug bestaat, afkomstig te zijn uit Zwitserland. De vorm en de samenstelling van het materiaal geeft zonder twijfel aan, dat het door rivierwater (in dit geval de Rijn) is getransporteerd. Wat nu zo opvallend is, dat hoewel riviersedimenten altijd een vrijwel horizontale gelaagdheid vertonen, de rivierafzettingen in de Utechtse Heuvelrug een 'scheefgestelde ligging hebben. Dit is heel mooi te zien in de verschillende zandgroeven, o.a. bij Veenendaal. Die scheefstelling kan vrijwel alleen worden verklaard door de stuwende werking van een ijstong. Dat de lagen niet verwrongen of verstoord zijn, geeft aan dat de lagen tot op grote diepte bevroren waren tijdens de stuwing.

Behalve de stuwwallen draagt het landschappelijk uiterlijk van Nederland nog vele andere sporen van ijstijden. Zo treffen we tongbekkens (bijv. de Gelderse Vallei), keileem en zwerfstenen afkomstig uit Scandinavië (o.a. in Drente), spoelzandVlaktes (bij Soesterberg), en dekzand met löss aan.

Al met al kunnen we zeggen, dat de ontstaanswijze van grote delen van Nederland niet kan worden verklaard, zonder gebruikmaking van de ijstijdentheorie.

Schepping, zondvloed en ijstijden

In de stuwwallen zijn sporen aangetroffen van menselijke aanwezigheid. Zo zijn er vuurstenen werktuigen gevonden in de oudste ofwel onderste gestuwde rivierafzettingen (groeve bij Veenendaal). Deze werktuigen zijn ooit door mensenhanden bewerkt en gebruikt en dat levert het bewijs, dat er mensen hebben geleefd vóór het ontstaan van de stuwwallen. Hieruit volgt, dat de stuwwallen samen met de andere glaciale vormen pas na de schepping zijn ontstaan.

De ijstijden moeten mijns inziens zelfs na de zondvloed worden gedateerd. Dit wordt aannemelijk, als we bedenken dat de wereldomvattende watermassa's van de zondvloed enerzijds een opbouwende maar anderzijds een geweldige afbrekende werking moeten hebben gehad. De nu nog aanwezige glaciale landschapsvormen zouden dan zeker moeten zijn verstoord, vermengd, bedekt of uitgewist.

Schommelingen van de luchttemperatuur

Een pasklaar antwoord op de vragen hoe ijstijden begonnen en ophielden kunnen we niet geven. Duidelijk is, dat het komen en gaan van ijstijden alles te maken heeft met veranderingen in de temperatuur van de atmosfeer.

Er zijn meerdere mogelijke verklaringen te geven voor de schommelingen van de luchttemperatuur. We zullen er enkele noemen:

1. Een afname van de luchtvochtigheid na de zondvloed zou leiden tot een afname van het warmtevasthoudend vermogen van de atmosfeer, waardoor de luchttemperatuur zou dalen;

2. Een verstoring van het evenwicht in de aardkorst door de druk van de geweldige watermassa's, zou kunnen leiden tot opheffing van sommige gebieden, waardoor deze kouder zouden worden;

3. Een toename van vulkanische aktiviteiten door verstoring van het evenwicht in de aardkorst, zou leiden tot afname van de luchttemperatuur, omdat het hogere stof gehalte in de lucht de zonnestraling zou tegenhouden;

4. Een toename van landijsbedekking zou betekenen, dat de weerkaatsing van zonlicht zou toenemen, waardoor de luchttemperatuur ook zou toenemen;

5. Een verstoring in het systeem van warmte-transport door lucht-en waterstromingen na de zondvloed, zou leiden tot schommelingen in de temperatuur van de hele atmosfeer.

Ter afsluiting van dit artikel willen we er nog op wijzen, dat het aannemen van de ijstijden-theorie niet betekent dat we tevens meegaan met de veronderstellingen van de evolutietheorie. De daarin gehanteerde methoden van tijdsbepaling leiden immers tot uitkomsten die regelrecht in strijd zijn met Gods Woord.

men waarvan voor het ontstaan een veel ingewikkelder verklaring nodig is. We zullen dit aan de hand van een glaciale landschapsvorm, de stuwwal, proheren duidelijk te maken.

Een stuwwal hestaat vooral uit grof zand en grind, waarvan de herkomst via mineralogisch onderzoek valt te bepalen. Zo blijkt het materiaal waaruit de Utrechtse Heuvelrug bestaat, afkomstig te zijn uit Zwitserland. De vorm en de samenstelling van het materiaal geeft zonder twijfel aan, dat het door rivierwater (in dit geval de Rijn) is getransporteerd. Wat nu zo opvallend is, dat hoewel riviersedimenten altijd een vrijwel horizontale gelaagdheid vertonen, de rivierafzettingen in de Uteehtse Heuvelrug een scheef gestel de ligging hebben. Dit is heel mooi te zien in de verschillende zandgroeven, o.a. bij Veenendaal. Die scheefstelling kan vrijwel alleen worden verklaard door de stuwende werking van een ijstong. Dat de lagen niet verwrongen of verstoord zijn, geeft aan dat de lagen tot op grote diepte bevroren waren tijdens de stuwing.

Behalve de stuwwallen draagt het landschappelijk uiterlijk van Nederland nog vele andere sporen van ijstijden. Zo treffen we tongbekkens (bijv. de Gelderse Vallei), keileem en zwerfstenen afkomstig uit Scandinavië (o.a. in Drente), spoelzandvlaktes (bij Soesterberg), en dekzand met löss aan.

Al met al kunnen we zeggen, dat de ontstaanswijze van grote delen van Nederland niet kan worden verklaard, zonder gebruikmaking van de ijstijdentheorie.

Schepping, zondvloed en ijstijden

In de stuwwallen zijn sporen aangetroffen van menselijke aanwezigheid. Zo zijn er vuurstenen werktuigen gevonden in de oudste ofwel onderste gestuwde rivierafzettingen (groeve bij Veenendaal). Deze werktuigen zijn ooit door mensenhanden bewerkt en gebruikt en dat levert het bewijs, dat er mensen, hebben geleefd vóór het ontstaan van de stuwwallen. Hieruit volgt, dat de stuwwallen samen met de andere glaciale vormen pas na de schepping zijn ontstaan.

De ijstijden moeten mijns inziens zelfs na de zondvloed worden gedateerd. Dit wordt aannemelijk, als we bedenken dat de wereldomvattende watermassa's van de zondvloed enerzijds een opbouwende maar anderzijds een geweldige afbrekende werking moeten hebben gehad. De nu nog aanwezige glaciale landschapsvormen zouden dan zeker moeten zijn verstoord, vermengd, bedekt of uitgewist.

Schommelingen van de luchttemperatuur

Een pasklaar antwoord op de vragen hoe ijstijden begonnen en ophielden kunnen we niet geven. Duidelijk is, dat het komen en gaan van ijstijden alles te maken heeft met veranderingen in de temperatuur van de atmosfeer.

Er zijn meerdere mogelijke verklaringen te geven voor de schommelingen van de luchttemperatuur. We zullen er enkele noemen:

1. Een afname van de luchtvochtigheid na de zondvloed zou leiden tot een afname van het warmte vasthoudend vermogen van de atmosfeer, waardoor de luchttemperatuur zou dalen;

2. Een verstoring van het evenwicht in de aardkorst door de druk van de geweldige watermassa's, zou kunnen leiden tot opheffing van sommige gebieden, waardoor deze kouder zouden worden;

3. Een toename van vulkanische aktiviteiten. door verstoring van het evenwicht in de aardkorst, zou leiden tot afname van de luchttemperatuur, omdat het hogere stofgehalte in de lucht de zonnestraling zou tegenhouden;

4. Een toename van landijsbedekking zou betekenen, dat de weerkaatsing van zonlicht zou toenemen, waardoor de luchttemperatuur ook zou toenemen;

5. Een verstoring in het systeem van warmte-transport door lucht-en waterstromingen na de zondvloed, zou leiden tot schommelingen in de temperatuur van de hele atmosfeer.

Ter afsluiting van dit artikel willen we er nog op wijzen, dat het aannemen van de ijstijden-theorie niet betekent dat we tevens meegaan met de veronderstellingen van de evolutietheorie. De daarin gehanteerde methoden van tijdsbepaling leiden immers tot uitkomsten die regelrecht in strijd zijn met Gods Woord.

M. J. Verhage

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 7 August 1981

Daniel | 29 Pagina's

IJSTIJDEN, FANTASIE OF WERKELIJKHEID

Bekijk de hele uitgave van Friday 7 August 1981

Daniel | 29 Pagina's

PDF Bekijken