Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE DROEFHEID NAAR GOD

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

DE DROEFHEID NAAR GOD

10 minuten leestijd

Wanneer wij; spreken over de droefheid naar God, dan is dat ontleend aan 2 Kor. 7 : 10. Daar schrijft de apostel Paulus: Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid; maar de droefheid deiwereld werkt de dood." Waarom schrijft de apostel dit aan de Korinthiërs? Wel, hij heeft de gemeente moeten vermanen vanwege de zonde en de onderlinge verdeeldheid. Daarover is in de gemeente droefheid ontstaan. Een droefheid, die de gemeente uitdreef tot God, die tot bekering leidde. In dat verband moeten we deze tekst uit 2 Koiïnthe zien.

De betekenis van het woordje „naar"

Een droefheid naar God. Daarin ligt een richting. Een droefheid op God gericht, die uitdrijft tot God, die ons brengt aan Zijn voeten. Toch betekent dat woordje „naar" meer dan alleen maar een richting. In het grieks staat er het woordje „kata", dat wil zeggen: „volgens", „overeenkomstig". We kunnen dus spreken over een droefheid overeenkomstig Gods wil, een godewelgevallige droefheid, een droefheid waarop Gods goedkeuring rust. In het woordje „naar" ligt niet alleen opgesloten, dat deze droefheid naar God uitgaat, maar ook van God komt. Als het alleen maar een richting zou uitdrukken, dan zou niemand ooit naar God bedroefd worden. Want er is niemand', die God zoekt. Ook niet tot één toe! Niemand zal uit zichzelf bedroefd worden naar God. Want wij zijn vijanden van God. Maar nu ligt in het griekse woord ook opgesloten, dat deze droefheid van God komt, door God gewerkt wordt. Gelukkig wel! Hij is het, die Zelf die droefheid werkt. Als. er mensen bedroefd worden naar God, dan is dat alleen Zijn werk, dan. is 1 dat alleen omdat Hij de Eerste in hun leven geweest is. Maar dan zal die droefheid zich ook weer op God richten en tot God uitdrijven. Zo is het met de Korinthiërs geweest: zij werden tot God uitgedreven.

Een gemis

Wat is. dit voor droefheid? In iedere droefheid is een gemis, een leegte. De man mist zijn vrouw. De zieke mist gezondheid. Daarom is er droefheid. Zo is het hier ook. In deze droefheid ervaren We, dat we God kwijt zijn. Het Godsgemis wordt hier beleefd. Het gaat in deze droefheid om God! Om Zijn gunst en Zijn gemeenschap. Geef zo'n bedroefde gezondheid als hij op het ziekbed ligt, geef hem voorspoed, geef hem heel de wereld, ja geef hem de hemel, maar zijn tranen zullen daardoor niet gedroogd worden, hij zal daardoor niet getroost kunnen zijn. Want het gaat in deze droefheid niet om voorspoed, niet om de wereld, zelfs niet om de hemel, het gaat om God. Hier ga ik beleven, dat ik God mis, dat ik zonder God op de wereld sta. Hier wordt het de levensvraag: Hoe krijg ik God tot mijn deel? Daarom drijft deze droefheid uit tot God. Het gaat hier niet om iéts van God, om de hemel, om de zaligheid, maar om God Zélf.

Een leedwezen over de zonde

In deze droefheid is ook een hartelijk leedwezen over de zonde. Geen angst voor de straf, maar leedwezen over de zonde. Daarin ligt de liefde. Daarin ligt een betrekking op God, het Allerhoogst en Eeuwig Goed. God heeft Zijn liefde uitgestort in dat bedroefde hart. En de liefde lijdt pijn. De liefde lijdt smart. Door de liefde gaan we bewenen, dat we zoveel kwaad tegenover zoveel goed hebben bedreven. Dat maakt de zonde zo bitter. Dat is nu met recht liefdesverdriet. Daarom doet het zo'n pijn. Daarom schrijnt het zo van binnen. En dan zijn dat niet alleen maar uiterlijke tra-

nen (dat kunnen ook tranen van eigenliefde en zelfmedelijden zijn, want er worden zoveel tranen geschreid, die nooit in Gods fles vallen), maar veel meer nog zieletranen. Het doet zo'n pijn van binnen, dat ik tegen God gezondigd heb. Kon ik toch wenen, zeggen deze bedroefden, maar hun ziel weent. Dat is die pijn van binnen!

Verootmoediging

Deze droefheid verootmoedigt ons. Hier is God zo groot en hier wordt ik zo klein. Hij is zo groot, zo zalig, zo beminnelijk. Hij is al mijn achting, mijn eer en mijn liefde waardig. En nu heb ik tegen dié God gezondigd. Nu heb ik die dierbare en barmhartige God vertoornd door mijn zonde. Tegen U, U alleen heb ik gezondigd! Al waren mijn ogen springaders van tranen, dan zou ik nog niet genoeg mijn zonde kunnen bewenen. Zo leren we in deze droefheid onszelf zien als diep ellendig en rampzalig. We staan immers buiten God en Zijn gemeenschap. We zijn een voorwerp van Zijn toorn. Wee mij, dat ik zo gezondigd heb! Al dieper wordt ons door Woord en Geest onze zonde ontdekt. We krijgen te doen met onze zondige daden, waardoor we met gedachten, woorden en werken tegen God hebben overtreden. We krijgen te doen met d: e zondige wortel van binnen, zodat we gaan doorleven dat onze diepste levenswortels door de zonde zijn aangetast. We gaan zien, dat God ons goed heeft geschapen, maar dat we door eigen schuld van God zijn afgevallen. Dan blijft er in deze droefheid aan onze kant niets dan zonde over. Jesaja zegt, dat wij allen zijn als een onreine en dat al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed. Dat wordt dan werkelijkheid in ons leven. Dan kunnen we de zonde niet meer verkleinen. Zelfs onze beste werken worden hier zonde. Zo komt men tot een hartelijk belijden van de zonde en leert men zich kennen als des doods schuldig.

De eer van God

Deze droefheid kan God ook niet loslaten. Al zou God ons doden, wij zouden nog op Hem hopen. De kananese vrouw kon niet loslaten. Deze bedroefden roepen de Heere aan bij dagen en bij nachten. Niemand kan hen troosten dan God alleen. In deze droefheid leert men God rechtvaardigen, God toevallen. De eer van God en het recht van God worden zo op het hart gebonden, dat het de bitterste droefheid wordt, dat we God door de zonde onteerd hebben, en al zou er hemel noch hel zijn, als God maar in Zijn eer hersteld wordt, daar gaat het zo'n bedroefde allereerst om.

Afzien van zichzelf

Deze droefheid doet afzien van onze eigen krachten en vermogens. Deze bedroefden hebben geen handen om de Heere aan te grijpen, geen voeten om tot Hem te gaan en geen ogen om Hem te zien. Evenals het hert uit Psalm 42. Het ziet water, het ruikt water, maar het kan er niet bij komen. Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God. Ze kunnen er niet bij. Het moet toegepast worden. Zij kunnen zichzelf niet troosten. Dat moet God doen. Dat is geen valse lijdelijkheid, waarin men heimelijk God de schuld geeft, maar de nood van hun leven. Daarom roepen deze bedroefden zo hard, kunnen zij God niet loslaten, scheien Hem na.

Geen grond van de zaligheid

Er zijn mensen, die genoeg hebben aan hun droefheid, die zichzelf met hun droefheid troosten. Zij worden er bekeerd mee. Zij maken er de grond van hun zaligheid van. Maar dat is geen best teken. De grond van de zaligheid en de gemeenschap met God ligt niet in de droefheid, maar alleen in Christus. En als er één bedroefd geweest is, dan is Hij het wel geweest. In de hof van Gethsémané heeft Hij het moeten uitklagen, dat Zijn ziel geheel bedroefd was, tot de dood toe. Hij was bedroefd omdat ze Hem verwierpen. Hij weende over Jeruzalem en bij het graf van Lazarus. Hij was bedroefd, omdat zelfs de discipelen Hem verlieten. Hij was bedroefd, vanwege de toorn Gods, die op Zijn heilige ziel brandde, vanwege de diepte van de Godverlatenheid, vanwege de aanvechtingen van de satan. En nu komt die droefheid naar God alleen maar voort uit Christus. Daarom moeten wij de grond verliezen uit onze droefheid en uit onze tranen.

Niet buiten Christus

Deze droefheid vloeit voort uit, Christus en drijft uit tot Christus'. Deze bedroef-

den kunnen zichzelf niet troosten, kunnen niet leven in hun droefheid, kunnen niet rusten buiten Christus. Deze droefheid verlangt naar Gods gemeenschap in Christus. Hoe inniger zij wenen over de zonde, hoe meer zij worden uitgedreven tot Hem, tot Zijn bloed en tot Zijn gerechtigheid. En dan komen er wel eens ogenblikken van hoop in dat bedroefde hart. Als Hij spreekt tot hun ziel: Komt herwaarts tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Dan vat het hart. een ogenblik moed. Als de mogelijkheid van zaligworden wordt geopend vanuit de beloften van het Evangelie, en als de Heere het hart vertroost met Zijn Woord, dan straalt de hoop in het moegestreden hart. Maar het is niet genoeg. Het is Christus nog niet! Het bedroefde hart kan niet rusten buiten Christus. Alleen daar worden mijn tranen gedroogd, waar Hij mijn last overneemt, waar ik bekleed word met Zijn gerechtigheid, waar ik Gods vriendelijk Aangezicht in Christus aanschouwen mag.

En als we dan gebracht worden tot de zaligmakende kennis van Christus, is de droefheid dan voorbij? Dan wordt de droefheid nog dieper, nog inniger. Van der Groe zegt ergens: „Die evangelische droefheid is zo teer en innig, omdat zij ziet op Jezus' wonden." Dan zien deze bedroefden, wat hun zonden Hem gekost hebben. Dat hun zonden Hem hebben doorstoken en aan het kruis geslagen. Dan wordt de droefheid nog inniger. Nergens doet de zonde meer pijn, dan wanneer ik de zonde zie in Jezus' bloed en wonden. Daarom houdt deze droefheid in dit leven niet op. De droefheid naar God gaat mee tot de laatste doodssnik toe. Dan pas wordt het lichaam der zonde voorgoed afgelegd en zal eeuwige blijdschap op hun hoofden zijn.

Verschillen

Er is verschil in trap en mate van deze droefheid. Bij de één is zij wettischer, bij de ander evangelischer. Bij de één smartelijker en benauwder, bij de ander zachter, teerder en liefelijker. Bij de één duurt het langer voor men tot Christus komt, bij de ander korter. Bij de één zijn er meer uiterlijke tranen, bij de ander meer zieletranen. Daar Fs de Heere vrij in. Hij weet het best, wat ieder van Zijn kinderen nodig heeft. Maar al Gods kinderen leren deze droefheid kennen. Het was Paulus tot blijdschap, dat hij deze droefheid bij de Korinthiërs opmerkte. En wij mogen allemaal bij onszelf wel nagaan, jonge vrienden en vriendinnen, of wij deze droefheid kennen. Als onze droefheid niet anders is, dan de droefheid van deze wereld (want de wereld is-vol met droefheid!), dan komen we met de wereld voor eeuwig om. Want de droefheid der wereld werkt de dood. Maar de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid. Die droefheid leidt tot zaligheid. Deze bedroefden willen hier hun tranen al niet ruilen voor de vreugde van de wereld. Zij vinden meer vervulling in hun tranen, dan de wereld hen ooit kon geven.

De droefheid leidt tot de zaligheid

De beginselen van de zaligheid-leren deze bedroefden hier al kennen. Als de Heere spreekt tot hun ziel. Als Hij het vol maakt met Zichzelf. Als Zijn vriendelijk Aangezicht in Christus mag aanschouwd worden. En straks komt de eeuwige zaligheid. Dan worden alle tranen voorgoed gedroogd. God zal alle tranen van hun ogen afwissen. Hier is geween, daar is gejuich. Hier is droefheid, daar is zaligheid. Allen, die hier leerden wenen naar God, zullen eeuwig zingen van Zijn goedertierenheden. Is het dan niet de moeite waard om naar God te leren schreien?

Dit artikel werd u aangeboden door: Jeugdbond Gereformeerde Gemeenten

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 april 1982

Daniel | 28 Pagina's

DE DROEFHEID NAAR GOD

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 april 1982

Daniel | 28 Pagina's

PDF Bekijken