Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

D. CHRISTELIJKE LEVENSWANDEL

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

D. CHRISTELIJKE LEVENSWANDEL

13 minuten leestijd

Bijbelstudie over Titus 2 : 1-15

Dit bijbelgedeelte valt in twee delen uiteen. In vers 2-10 vind je de voorschriften voor het dagelijks leven.

De verzen 1 en 11-15 geven het „waarom" ervan aan (motivering), namelijk de zaligmakende genade van God.

Deze voorschriften vallen weer uiteen naar de verschillen in leeftijd, geslacht en sociale positie (oude mannen, oude vrouwen, jonge vrouwen, jonge mannen en dienstknechten).

Vers voor vers

vers 1: Doch gij, spreek hetgeen gezonde leer betaamt.

In tegenstelling tot de dwaalleraars moet Titus die dingen leren die bij de „gezonde leer" passen. Daarmee is een waarlijk christelijk leven bedoeld. Want bij de leer der godzaligheid hoort een christelijk leven. De gezonde leer is de leer die pas echt gezond maakt. De vruchten van een leven in de vreze Gods komen naar buiten. Dat is ook de bedoeling van de genade van de Heere. Het leven der genade moet blijken in het leven van alle dag. En juist op het leven van alle dag doen de dwalingen hun aanslag.

vers 2: Dat de oude mannen nuc zijn, stemmig, voorzichtig, gezon in het geloof, in de liefde, in d lijdzaamheid.

De ouden gaan voorop. De oude mannen moeten verslaving aan de drank vermijden. Het woord nuchter wijst op soberheid in alle begeerten. De woorden stemmig (waardig) en voorzichtig (bezonnen) vullen dit verder aan. Blijkbaar mankeerde er wel wat aan de levenswandel van de oude mannen. In Titus 1:12 lees je al dat de volkszonden van de Kretenzen vooral waren: eugen, luiheid en wellust.

Paulus wijst vervolgens op drie specifiek christelijke deugden: gezondheid in het geloof, de liefde en de lijdzaamheid. Op andere plaatsen lees van de trits (het drietal) geloof, hoop en liefde (1 Kor. 13). In de Bijbel zijn lijdzaamheid en hoop sterk op elkaar betrokken. Lijdzaamheid wil zeggen: je nederig aan de Heere onderwerpen, zonder de hoop op te geven. In deze trits ligt de basis van het christelijk leven. Als deze drie worden beleefd en in de praktijk gebracht, tonen Gods kinderen zich gezond. Maar bedenk wel: niet als vrucht van eigen werk, maar als vrucht van genade (zie vers 11 e.v.).

vers 3: De oude vrouwen insgelijks, dat zij in haar dracht zijn, gelijk de heiligen betaamt; dat zijn geen lasteressen zijn, zich niet tot veel wijns begevende, maar leraressen zijn van het goede.

der Vervolgens noemt Paulus de oude vrouwen. Hun hele levenshouding (kleding, houding, spreken en verschijning) moet heilig zijn, dat is aan de dienst van de Heere gewijd.

Dat daaraan veel kan ontbreken, blijkt wel uit de waarschuwingen die volgen. Paulus noemt dan het zo gemakkelijk geloven van het kwade en het verbreiden daarvan (praatziek zijn). Het griekse woord dat hier gebruikt wordt, hangt samen met het woord voor duivel (diabolos). Door te lasteren zijn deze vrouwen dus eigenlijk duivelinnen. Ook bij hen komt de verslaafdheid aan de wijn voor.

Tegenover deze zonden stelt Paulus het christelijke levensideaal: het voorbeeld zijn hter voor anderen. Ze leren anderen door een d goed voorbeeld te geven. Door hun e optreden onderwijzen ze in het bijzonder de jonge vrouwen, zoals uit het volgende vers blijkt.

vers 4 en 5: Opdat zij de jonge vrouwen leren voorzichtig te zijn, haar mannen lief te hebben, haar kinderen lief te hebben; matig te zijn, kuis te zijn, goed te zijn, haar eigen mannen onderdanig te zijn, opdat het Woord Gods niet gelasterd worde.

Zie je dat Titus niet de opdracht krijgt de jonge vrouwen te vermanen? Juist de gerijpte, oudere vrouwen moeten door hun goede voorbeeld invloed op de jonge vrouwen uitoefenen. Wat gelukkig als de oude vrouwen in de gemeente zo'n voorbeeld van de godzaligheid zijn! Nu begrijp

verkregen heeft door Zijn eigen bloed" (Hand. 20 : 17, 28). Ook in Filippensen 1 : 1 (een vroegere brief van Paulus) wordt duidelijk over opzieners en diakenen gesproken. Is dat dan soms ook al verzakelijking? In de eerste christelijke gemeenten staan ambt en bijzondere geestesgave (charisma) als gelijkwaardig naast elkaar. Er is immers verscheidenheid van genadegaven. Het ambt is ook gave van de Geest! (1 Kor. 12 : 28-30; Ef. 4 : 1-12). Ambt en charisma vormen dus geen tegenstelling. Het heeft de Heere goed gedacht om Zijn kerk na pinksteren door middel van ambtsdragers te laten regeren.

2. Dwaalleraars

De strenge eisen voor ambtsdragers zijn ook nodig in verband met de opkomende dwalingen in leer en leven. Paulus waarschuwt met felle en scherpe woorden tegen deze dwaalleraars (ijdelsprekers, verleiders). De ouderlingen moeten vasthouden aan de gezonde leer zodat ze deze dwaalleraars kunnen weerleggen (1 : 9).

Het is niet zo eenvoudig om de aard van de dwaalleer nauwkeurig vast te stellen. Blijkbaar zijn er joodse elementen aan te wijzen: it de besnijdenis (1 : 10), joodse fabelen (1 : 14). Ook wordt zedelijke verdorvenheid genoemd als kenmerk van de dwaalleraars (1 : 16).

De dwaalleraars vallen het christelijk geloof niet openlijk aan, maar proberen het met hun denkbeelden te vervalsen. Het lijkt namelijk te gaan om een uiterlijke kwestie: m de vraag wanneer je rein bent. De dwaalleraars zeggen dat je door ascese (onthouding van spijzen en drank) reinheid en heiligheid verkrijgen zult. Ze doen een beroep op de inzet van de mens. Dat spreekt wel aan. Maar Paulus stelt daar tegenover dat alles wat als gave en instelling van God te waarderen is, rein is, geoorloofd is voor de gelovigen (1 : 15). Juist de innerlijke onreinheid van de dwaalleraars doet hen zoeken naar reinheid en heiligheid in eigenzinnige en niet door God bevolen wegen. Ten diepste verloochenen ze God door hun werken. Het is de weg van de goede werken waardoor ze zalig willen worden. En daarmee wordt het evangelie van Jezus Christus verloochend! Bovendien is het de dwaalleraars te doen om financieel voordeel (1 : 11). Ze moeten scherp bestraft worden.

3. Houding tegenover de overheid en je naaste

Ee.n christen wordt ook gekend aan zijn houding in staat en maatschappij (3:1 en 2). In het vijfde gebod wijst de Heere er al op, dat gehoorzaamheid aan de overheid een fundamentele eis is. De overheid staat niet slechts feitelijk aan het hoofd, maar is ook wettelijk door de Heere met machtsbevoegdheid bekleed. Ze is een instelling van God. Ze is Gods dienares en draagt het zwaard niet tevergeefs (Rom. 13). Christenen behoren dus aan de overheid gehoorzaam te zijn. Het christendom mag nooit de indruk wekken de staatkundige of maatschappelijke orde op een revolutionaire wijze omver te willen werpen.

Zelfs tegenover de roomse overheid en het plaatselijk bestuur vind je bij Paulus een heel positieve houding. Niet slechts onderwerping, maar ook gehoorzaamheid (dus met innerlijke overtuiging). Gehoorzaamheid is dus het eerste waartoe een christen als burger verplicht is. Daarbij komt nog een algemene eis: tot elk goed werk bereid zijn. Dat geldt niet alleen tegenover de overheid, maar tegenover alle mensen. Als er goed werk te verrichten is, moet een christen present zijn. Hij moet dan alle bereidwilligheid tonen en blijk geven van zijn ware gezindheid.

Omgekeerd moet hij zich wachten voor allerlei dingen die de samenleving met anderen vergiftigen. Opnieuw noemt Paulus heel konkrete dingen: et kwaadspreken en ruzie zoeken. Christenen moeten juist bescheiden en zachtmoedig zijn. Ze moeten dat zijn tegenover alle mensen. Dat valt niet altijd mee! In hun hele levenswandel moeten ze navolgers van Christus zijn (Matth. 11 : 29).

je ook waarom Paulus direkt na de oude, de jonge vrouwen noemt. De jonge vrouwen behoren hun man en kinderen lief te hebben. Verder worden nog genoemd matigheid (bezadigd) en kuisheid (huwelijkstrouw). Een christenvrouw moet goed op haar huishouding letten. Ook de onderdanigheid aan de man is een bijbelse eis. De wederzijdse liefde tussen man en vrouw in het huwelijk stelt de positie van de vrouw heilig. Maar dat betekent niet, dat ze de leidinggevende positie van de man in het huwelijk niet behoeft te erkennen. Juist door de genade wordt de scheppingsordening van God, die door de zonde is verwoest, weer hersteld en geheiligd. Dit alles moet nu geschieden opdat het Woord Gods niet wordt gelasterd. Wat zet je met een slordig en zondig leven veel op het spel!

vers 6-8: Vermaan de jonge mannen insgelijks, dat zij matig zijn. Betoon uzelven in alles een voorbeeld van goede werken, betoon in de leer onvervalstheid, deftigheid, oprechtheid, het woord gezond en onverwerpelijk, opdat degenen, die daartegen zijn, beschaamd worde, en niet kwaads hebbe van ulieden te zeggen.

Deze verzen gaan over de jonge mannen. Weer lees je over de matigheid. Vergelijk dit maar eens met de kretensische losbandigheid (1 : 12). Wat kun je je in je jonge leven uitleven in de zonde. De wereld kan zo aan je trekken als je jong bent. Dan staan ambtsdragers wel eens machteloos. Maar Paulus wijst zijn medewerker ook hierin een weg. Voor deze jonge mamien moet Titus zelf het voorbeeld zijn. Dat zal het meeste indruk geven. Het leven van Titus moet een model, een voorbeeld zijn. Dat stelt aan de ambtsdragers hoge eisen.

Niet alleen in zijn daden maar ook in zijn woorden moet dat uitkomen. In zijn onderwijs („leer") moet hij zich ver houden van alles wat maar ruikt naar dwaalleer. In plaats van allerlei onzuivere invloeden moet er waardigheid („deftigheid"), oprechtheid en gezondheid zijn in Titus' woorden. De dwaalleraars moeten hierdoor beschaamd worden, die hebben het er altijd op gemunt de ambtsdragers in opspraak te brengen.

vers 9 en 10: Vermaan de dienstknechten, dat zij hun eigen heren onderdanig zijn, dat zij in alles welbehagelijk zijn, niet tegensprekende. Niet onttrekkende, maar alle goede trouw bewijzende; opdat zij de leer van God, onze Zaligmaker, in alles mogen versieren.

De laatste groep die vermaand moet worden is die van de slaven en dienstknechten. Hun afzonderlijke positie vraagt wel even de aandacht.

Je verwacht misschien dat Paulus zegt dat de slaven in de gemeente maar vrij gelaten moeten worden. Maar dat doet Paulus niet.

Hij verdedigt de slavernij nergens, maar pleit ook niet voor afschaffing. Ook de verhouding tussen de heer en zijn slaven moet van christelijk geloof doortrokken zijn. Een levend geloof zal de verhouding tussen slaaf en heer zuiveren van allerlei zonden. De slaven en dienstknechten moeten hun heer en meester gehoorzamen.

Af te keuren zijn het tegenspreken en oneerlijke praktijken (iets verduisteren).

Daar tegenover vraagt de Heere trouw en strikte eerlijkheid. De slaven hebben grote verantwoordelijkheid. Ze moeten door een christelijke levenswandel het evangelie van Gods genade versieren. Ze moeten laten zien wat genade ook in het leven van slaven uitwerkt.

vers 11: Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen.

De vermaningen van Paulus staan niet zomaar op zichzelf; ze staan in het nauwste verband met Gods heilswerk. Gods genade, geopenbaard in Zijn Zoon Jezus Christus en de oproep tot een godzalig leven horen bij elkaar. Christus komst op deze wereld getuigt van Gods genade en brengt de zaligheid voor „alle" mensen.

Dat woordje „alle" in de Bijbel geeft vaak moeilijkheden bij de uitleg. Je komt het meer tegen in de pastorale brieven (1 Tim. 2 : 4, 4 : 10; Titus 3 : 2).

Het „alle" betekent hier steeds „allerlei". Het gaat om allerlei soorten mensen (ouden en jongen, mannen en vrouwen, slaven en vrijen). Ook teksten als Lukas 2 : 34 en Joh. 3:36 wijzen erop dat Gods genade niet daadwerkelijk de genade brengt aan alle mensen.

vers 12: En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld.

Deze genade van God in het leven, zegt Paulus, is onderwijs. Gods genade leertje in de eerste plaats de zonde loslaten. Bedoeld is het afsterven aan de zonde.

Want dat is noodzakelijk om de Heere te dienen. Goddeloosheid en wereldse begeerlijkheden moeten verloochend worden. Het vroegere leven moet je vaarwel zeggen, als God met Zijn genade in je leven komt. De Heere leert je dan matig (ingetogen), rechtvaardig en godzalig te leven. Gods genade brengt altijd de heiligmaking mee.

Maar vergeet niet, je staat midden in deze tegenwoordige wereld. Hoewel niet van de wereld, wel in de wereld. Dat blijft voor Gods Kerk hier op aarde gelden tot Christus' wederkomst.

Nog even iets over die drie woorden, die de heiligmaking zo mooi tekenen. Het matig wijst op de onderwerping aan de tucht van Gods Woord. Je komt het meer tegen in dit'hoofdstuk (vers 5 en 6). Rechtvaardig ziet op de verhouding tot andere mensen. Godzalig op de verhouding tegenover God.

vers 13: Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van de grote God en onze Za ligmaker Jezus Ch ristus.

Genade geeft je pas echte hoop. Zonder Gods genade ben je hope-loos, dus diep ongelukkig. Juist de Bijbel kan spreken over de hoop. Want Gods kinderen mogen de volkomen zaligheid verwachten. Zij zien gelovend uit naar de verschijning van Christus in Zijn volle goddelijke majesteit en heerlijkheid. Hij is hun Zaligmaker. Die zalige verwachting moet en mag de houding van Christus' Gemeente op aarde bepalen.

vers 14: Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.

Nog meer drang wil Paulus uitoefenen op de gelovigen om zich helemaal aan de dienst van de Heere te wijden. Gods kinderen moeten beseffen dat de Heere Jezus hun Zaligmaker alles voor hen gedaan heeft. Hij heeft Zich diep vernederd, heeft Zijn leven gegeven voor de Zijnen. Hij heeft met Zijn bloed volkomen betaald. Maar Hij verlost de Zijnen door Zijn Geest ook van de zonde. Dat volk behoort Hem toe. En dan wordt dat volk ijverig in goede werken. De Heilige Geest werkt die nieuwe gehoorzaamheid. De goede werken zijn dus vrucht van het werk van Christus (zie ook Ef. 2 : 10). Daarom kan Paulus er toe oproepen. God wil schenken, wat Hij van de mens vraagt.

vers 15: Spreek dit, en vermaan, en bestraf met alle ernst. Dat niemand u verachte.

Nog eens wijst Paulus Titus op zijn taak. Op de voorafgaande vermaningen komt het aan. Titus moet met nadruk en ernst vermanen. Niemand mag hem verachten.

Juist door krachtig te getuigen van de ware leer moet hij eerbied wekken voor zijn persoon en arbeid. Want het gaat om de eer en Naam van God.

E. GESPREKSVRAGEN

1. Uit de brief van Paulus aan Titus blijkt dat de kerk door dwalingen bedreigd werd. Welke dwalingen waren dat? Welke dwalingen bedreigen nu de kerk?

2. Titus moest heel wat eisen aan ambtsdragers stellen. Welke? Welke eisen moeten er in onze tijd aan ambtsdragers gesteld worden?

3. Hoe zag Paulus de verhouding van slaven en dienstknechten ten opzichte van hun heer? Heeft dat ook ons iets te zeggen?

4. Hoe moet de bekering tot uiting komen in het leven van alle dag? Welke zaken krijgen in de Catechismus een plaats in het leven der heiligmaking? Wat heeft dat ons te zeggen?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 14 October 1983

Daniel | 33 Pagina's

D. CHRISTELIJKE LEVENSWANDEL

Bekijk de hele uitgave van Friday 14 October 1983

Daniel | 33 Pagina's

PDF Bekijken