Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

BIJBELSTUDIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

BIJBELSTUDIE

16 minuten leestijd

A. NEHEMIA’S ZORG VOOR JERUZALEM

Jeruzalem, dat ik bemin...(Nehemia 1:1-4)

Hoewel er met Zerubbabel (Ezra 1-2) en met Ezra (Ezra 7) veel ballingen waren teruggekeerd, waren er toch nog veel Joden in het land van hun ballingschap achtergebleven. Tot deze achtergebleven groep behoort ook Nehemia, de zoon van Hachalja. Waarom Nehemia is achtergebleven, is moeilijk vast te stellen. We kunnen er echter op rekenen, dat het niet was uit onverschilligheid.

Integendeel, uit het eerste hoofdstuk van het boek Nehemia blijkt veeleer, dat de taal van psalm 137 („Indien ik u vergeet, o Jeruzalem, zo vergete mijn rechterhand zichzelf') zijn hartetaal was.

Op een zekere dag, toen Nehemia in het paleis van de koning in Susan was, waar hij dienst deed als schenker, krijgt Nehemia bezoek van zijn „broeder" (= volksgenoot) Hanani en enkele metgezellen uit Jeruzalem. Ze brengen slecht nieuws: de teruggekeerde Joden verkeren in grote ellende. Jeruzalems tempel is dan wel herbouwd, maar de muren van de stad liggen nog in puin (vers 3). De omringende volken bespotten de Joden.

Omdat er geen joodse landvoogd meer is, nemen de leiders van de omliggende provincies de zaken waar voor de perzische koning. Knechten heersen over Jeruzalem (Klaagliederen 5 : 8).

Als Nehemia dat hoort, bedrijft hij rouw (vers 4). Hij wordt werkzaam met het lot van Jeruzalem. We lezen, dat hij enkele dagen vast en bidt voor het aangezicht van de God des hemels.

Nehemia in gebed (Nehemia 1 : 5-11)

(Nehemia 1 : 5-11) Nehemia gaat met zijn nood eerst naar de Heere. Hij alleen kan de gevangenis van Israël wenden (Psalm 80). Nehemia heeft zich ongetwijfeld afgevraagd, of de Heere de begonnen verlossing wel zou voleindigen. De Heere had toch beloofd, dat ook de muren van Jeruzalem herbouwd zouden worden (Jesaja 44 : 28)?

Drie dingen vallen ons op in het gebed van Nehemia:1. de schuldbelijdenis van Nehemia (vers 6 en 7); 2. Nehemia's pleiten op Gods macht (vers 5); 3. Nehemia's pleiten

op Gods verbond (vers 5, 8-10). 1. Net als de profeet Daniël (9 : 11) weet Nehemia zich mede schuldig aan de ballingschap. De ballingschap is Israël niet zomaar overkomen. De ballingschap is straf op Israels zonde. Hoeveel profeten had de Heere niet gezonden, om het volk in zijn wegen te laten wandelen? Het heeft niet geholpen. De Heere moest echter van Israël zeggen: Mijn volk heeft naar Mij niet gehoord; Israël heeft Mij niet gewild" (Psalm 81 : 12). Nehemia weet zich mede schuldig aan het overtreden van zijn vaderen.

2. Nehemia pleit echter ook op de macht van God. Hij weet, dat de Heere kan helpen. Dat Hij de hoogste Koning is, en dat ook de koningen van het perzische rijk maar marionetten zijn in Zijn handen. De Heere is de God des hemels. „Het hart van de koning is in de hand des Heeren als waterbeken." 3. Nehemia pleit echter bovendien op Gods verbond. Dat blijkt reeds uit de aanspraak van het gebed. „HEERE" (Jahwe) betekent „verbondsgod" (Exodus 3:14). Het blijkt ook uit de aanduiding, die Nehemia aan zichzelf en aan Israël geeft: Zij zijn toch uw knechten en Uw volk" (vers 10a). Knecht wil eigenlijk zeggen: wij staan in een verbondsrelatie tot U". In het gebed van Nehemia breekt het „nochtans" des geloofs door. Hoewel de wet van Mozes is overtreden (vers 7), pleit hij toch op een belofte uit dat wetboek van Mozes: ls Israël zich zal bekeren, zal de Heere Israël terugbrengen (vers 8). Nehemia pleit op Gods verbond en op Zijn goedertierenheid (vers 5). De belofte waarop Nehemia pleit kunnen we terugvinden in Deuteronomium 30 : 1-4.

Na het gebed gaat Nehemia aan het werk. Hij zal proberen koning Arthahsasta te bewegen verandering aan te brengen in het lot van Jeruzalem. Dat was echter wel riskant: eze koning was de Joden wel gunstig gezind (hij had Ezra naar Jeruzalem gestuurd), maar anderzijds wist je nooit waar je aan toe was met de grillige koning. Nehemia riskeerde zijn baan, ja zelfs zijn leven. Heeft hij nog aan koningin Esther gedacht (4 : 16), toen hij zich opmaakte om naar de koning te gaan?

Nehemia bij de koning (Nehemia 2: 1-8)

Enkele maanden later. Nehemia is bij de koning om wijn te schenken. Nehemia kijkt bedroefd. Hij kan zijn droefheid niet verbergen. We weten niet, of het de eerste gelegenheid is geweest, dat Nehemia de

koning spreken kon. Dat hangt af, van de vraag, of Nehemia de enige schenker van Arthahsasta is geweest, of dat hij één van meerdere schenkers is geweest. Sommige uitleggers hebben gemeend, dat Nehemia één van meerdere schenkers is geweest, en dat hij met opzet droevig heeft gekeken om de aandacht van de koning op zich te vestigen. Dat laatste lijkt ons niet juist. Uit vers 2 blijkt namelijk, dat Nehemia schrikt, wanneer de koning zijn treurige gezicht opmerkt. Nehemia heeft dus geprobeerd om zijn droefheid over Jeruzalem te verbergen. Het is best mogelijk, dat hij de koning al een paar keer eerder na het gesprek met zijn volksgenoot Hanani heeft ontmoet, maar dat hij zijn verzoek om „iets goeds te mogen zoeken voor de kinderen Israels" (2 : 10) niet heeft durven uiten. Nu Arthahsasta de droefheid van Nehemia merkt, schrikt Nehemia. Hij is maar al te goed op de hoogte van de wens van de koning, dat ieder die in zijn nabijheid verkeert, een opgewekt gezicht moet vertonen. De oosterse vorsten wensten niet herinnerd te worden aan allerlei narigheid. Wie dat desondanks toch deed, moest dat soms met de dood bekopen. Nehemia heeft dit misschien gezien als een aanwijzing van de Heere om te spreken en hij vat moed. De koning heeft het goed gezien. Nehemia is niet ziek. Hij maakt zich zorgen over Jeruzalem, de stad van de begrafenissen van zijn vaderen. Zou Nehemia niet treurig zijn, als Jeruzalem woest is? Nehemia wacht met spanning af: oe zal de koning reageren? De koning is hem echter gunstig gezind. Hij vraagt, wat Nehemia verzoekt (vers 4). Dan komt Nehemia voor de draad met zijn plan: ij wil naar Jeruzalem, om daar de stad op te bouwen. De koning is wel zeer vriendelijk. Komt dat, omdat de koningin naast hem zit (vers 6)? In ieder geval geeft Arthahsasta hem toestemming om te vertrekken naar Jeruzalem. Arthahsasta hoeft dat blijkbaar niet eerst te bespreken met zijn zeven raadsheren (vergelijk Ezra 7 : 14). De Heere heeft het gebed van Nehemia zo op een wonderlijke wijze willen verhoren. Hoe blijkt ook hier het woord van de spreukendichter: Het hart des konings is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil" (21 : 1).

B. NEHEMIA’S EERSTE VERBLIJF IN JERUZALEM

Jeruzalem ommuurd (Nehemia 2, 3, 6 en 12)

In zijn nieuwe bevoegdheid als landvoogd over Juda en met aanbevelingsbrieven voor allerlei autoriteiten in de omtrek is Nehemia met een eskorte ruiters naar Jeruzalem vertrokken. Hij is daar nog maar nauwelijks gearriveerd of hij gaat aan het werk. Aanvankelijk doet hij zijn werk in stilte, omdat Sanballat de Horoniet en Tobia de ammonitische gouverneur, die tijdens de vakante periode in Juda zo'n beetje de baas spelen, anders moeilijkheden kunnen veroorzaken. In het geheim inspekteert Nehemia 's nachts de muren van Jeruzalem (2 : 12-16). Dan gaat hij tot de Joden, de priesters, de edelen, de overheden en de rest van het volk, om hen aan te sporen de vervallen muren van Jeruzalem te restaureren, om de scheuren ervan toe te stoppen. Nehemia vertelt van Gods goede hand over hem, en van de woorden van de koning. Het voorstel blijkt in goede aarde te vallen (vers 18). Uit de naamlijst van bouwers (H. 3) blijkt, dat alle lagen van de bevolking meedoen, de hogepriester Eljasib voorop (3 : 1). Er doen zelfs vrouwen mee (3 : 12). De edelen van Thekoa doen echter niet mee (3 : 5). Ze zijn wellicht bang voor Sanballat en Tobia. In 52 dagen worden de muren en de poorten van Jeruzalem hersteld (6 : 15). Jeruzalem is dan geen open stad meer zonder bescherming. De poorten van de stad kunnen nu gesloten worden. De Ammonieten, de Moabieten en de Asdodieten kunnen nu niet meer zo maar binnen komen. Israël kan nu weer meer alleen wonen (vergelijk Num. 23 : 9). De muren bieden aan Jeruzalem bescherming in religieus en in politiek opzicht. De smaad is van Jeruzalem weggenomen. Wanneer de muren en de poorten hersteld zijn, heeft Jeruzalem alle reden, om dankdag te vieren (12 : 27-43). Na de ommuring heeft Nehemia Jeruzalem ook doen bewonen (7 : 1-4). Veel Joden zijn daar in eerste instantie niet happig op (gevaarlijk!). Door loting wordt Jeruzalem dan toch bevolkt. Nehemia, die het voorbeeld is voor een zelfopofferende landvoogd (vergelijk 5 : 14-19), kon tevreden zijn. „De Heere, de God van de hemel had hem het werk wel doen gelukken." Voor het zover kwam, moest er echter nog veel strijds gestreden en veel leeds geleden worden.

De vijand rukt vast aan.... (Nehemia 2, 4, 6, 7)

Toen Nehemia in het jaar 445 aankwam in Jeruzalem, was niet iedereen daar blij mee. Sanballat de Horoniet, Tobia de Ammoniet en Gesem de Arabier, de leiders van de omringende volken, die net als Juda onder het gezag van de Perzen stonden, hebben alles gedaan om Nehemia tegen te werken, en om de bouw van de muren te doen mislukken. De geschiedenis herhaalde zich (zie Ezra 4 en 5). Dit keer zou het de vijand niet lukken om de bouw van de muren stil te

leggen. Hoe blijkt uit beide geschiedenissen de waarheid van de spreuk: „Waar God Zijn kerk bouwt, daar bouwt de duivel zijn kapel". De Heere was echter als een vurige muur om Nehemia en zijn helpers. Alle pogingen lopen op niets uit.

Eerst maken de vijanden gebruik van het machtige wapen van de spot (2 : 19; 4 : 2, 3). Nehemia heeft toen ferme geloofstaal gesproken (2 : 20). Het geloof bleek een sterk schild tegen de spot. Als de spot niet helpt, smeden Sanballat en Tobia een' komplot met de Arabieren, de Ammonieten en de Asdodieten (4 : 7). Ook dit mislukt, doordat het plan uitlekt (4 : 12). Nehemia neemt uitgebreide veiligheidsmaatregelen: ij brengt de bouwers in staat van paraatheid. Tegen de wapens van de Joden durven de samenzweerders het echter niet opnemen, en de overval gaat niet door. Vanaf die dag laat Nehemia steeds de helft van het volk de muren bewaken, terwijl de andere helft verder bouwt (4 : 16). Koortsachtig wordt er gebouwd (4 : 21) van de vroege morgen tot de late avond. Dan proberen de vijanden Nehemia in een hinderlaag te lokken, door hem uit te nodigen voor een vergadering in één van de dorpen in het dal Ono. Nehemia doorziet echter de list, en zegt dat hij wel betere dingen te doen heeft (6 : 3). Ondanks herhaald aandringen komt Nehemia niet. Tenslotte huren Sanballat en Tobia een valse profeet. Deze moet Nehemia naar de tempel lokken. De vijanden zouden dan kunnen zeggen, dat Nehemia bang was. Op deze manier proberen ze het vertrouwen van het volk in Nehemia te ondermijnen (6 : 13). Als Nehemia dat doorziet, roept hij de wraak van God in over Tobia, Sanballat en over de leugenprofeet, die hem meer dan eens hebben bedrogen. De vijand moet echter veldvluchtig wijken. Na 52 dagen zijn de muren en de poorten hersteld. De heidenen in de omgeving vrezen voor Nehemia (7 : 16). Tobia, die grote invloed heeft bij de joodse edelen, probeert nu een wit voetje te halen bij Nehemia (6 : 17-19). Tot hier toe heeft de Heere geholpen.

Reformatie in religieus opzicht (Nehemia 8-10)

Nehemia heeft de muren van Jeruzalem niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk gebouwd. Als een goed landvoogd heeft hij de reformatie van Ezra krachtig bevorderd. In Nehemia 8 lezen we, dat Nehemia het wetboek van Mozes voorleest aan het volk (8 : 6). De levieten leggen de wet aan het volk uit (8 : 8). Wanneer het volk de woorden van de wet hoort, weent het (vergelijk Hand. 2 : 37). De priesters roepen echter het volk op tot blijdschap. De reden voor deze oproep tot blijdschap is de nadering van het loofhuttenfeest, waarin Israël de uittocht uit Egypte feestelijk herdenkt (vergelijk oo kLev. 23 : 34-36). Dit feest, dat eeuwen niet meer gevierd is (8 : 18), wordt in ere hersteld. Dat deze blijdschap niet in mindering komt op Israels boete en berouw, bewijst Nehemia 9: a het loofhuttenfeest wordt er een vastendag en biddag gehouden. Het gebed, dat het volk bidt, bestaat uit twee delen:1. Vers 5-31: ofzang op Gods trouw jegens het volk, ondanks de ontrouw van het volk. Dit gedeelte van het gebed vertoont veel overeenkomst het Psalm 106. 2. Vers 32-38: lagen van de nood (32-37) en belofte van bekering (38). De drie punten uit het gebed van Nehemia komen ook in dit gebed aan de orde. Na dit gebed beloven de Joden plechtig, dat ze de Heere zullen dienen. Ze vernieuwen het verbond, zwart op wit. Gemengde huwelijken zullen niet meer voorkomen (10 : 30), evenals sabbatsschennis (10 : 31), ook zal men niet meer nalatig zijn in het brengen van offers (10 : 32; vergelijk Maleachi 1 : 6-14). Men zal de tempeldienst en de priesterdienst bevorderen. Er vindt een ware reformatie plaats. Het Woord van God heeft heerschappij in de harten. De honger naar het Woord van God was groot. Tijdens de feesten werd van de morgen tot de avond in het Woord gelezen (8 : 19).

Reformatie in sociaal opzicht (Nehemia 5)

Nehemia heeft niet alleen in religieus opzicht maar ook in sociaal opzicht de reformatie bevorderd. In de Bijbel vormen beide geen tegenstelling. In Nehemia 5 lezen we namelijk, dat de adel van Juda zich niets aantrekt van de steeds groter wordende armoede van de allerarmsten. Het geroep van het volk is groot (vergelijk Exodus 3 : 9). Sommigen hebben hun kinderen als slaaf moeten verkopen. Nehemia roept de edelen op het matje. Wat moeten de heidenen er wel niet van zeggen als broeders broeders zo behandelen? Wat zal de Heere er wel niet van zeggen (vers 9)? Nehemia heeft blijkens vers 8 verschillende Joden, die tot slavernij vervallen waren, vrijgekocht (vergelijk Leviticus 25 : 45). Zullen de edelen er nu voor zorgen, dat de vrijgekochten toch weer slaaf worden? Nehemia handelt daarmee geheel in overeenstemming met de wet van Mozes (jubeljaar; Leviticus 25). Wie niet gehoorzaamt, onderwerpt zich aan de vloek. Ook hier treft ons de parallel met Handelingen (2 : 44-45). Wat in Handelingen echter spontaan gebeurt (mededeelzaamheid), moet in Nehemia worden opgelegd van hogerhand.

C. NEHEMIA’S TWEEDE VERBLIJF IN JERUZALEM

(Nehemia 13)

Het spreekwoord zegt: ls de kat van huis is, dansen de muizen. Dat blijkt ook duidelijk in het slot van het boek Nehemia. Nehemia heeft zijn hielen nog niet gelicht, of Tobia ziet zijn kans schoon. Hij krijgt Eljasib, de hogepriester, van wie hij nog niet zo lang geleden familie is geworden, zover, dat hij in een van de voorraadkamers een kantoor voor hem inricht. Nu is Tobia weer heer en meester in Jeruzalem. De judese adel verleent bereidwillig zijn medewerking (vergelijk ook 6 : 17-19). Korte tijd na de reformatie (vergelijk 13 : 1-3) treedt er een geweldig verval in. De tempel wordt verontreinigd (Nehemia durfde als niet-priester niet in de tempel te komen, vergelijk 6 : 1 lb), de offers worden niet meer gebracht, zodat de priesterdienst moest worden gestaakt (13:10), op de sabbat wordt gekocht en verkocht (13 : 15-16), er worden weer gemengde huwelijken gesloten (13 : 23). Het moet voor Nehemia een trieste gewaarwording zijn geweest, toen hij deze deformatie aantrof bij zijn terugkeer uit Perzië. Hij roept de edelen ter verantwoording: eten ze niet, dat ze zo bezig zijn Gods toorn over zich in te roepen? Zijn deze zonden niet juist de oorzaak geweest van Israels ballingschap. Nehemia gooit Tobia en zijn bezittingen uit de tempel (vergelijk Mattheüs 21 : 12-13), herstelt de offerdienst (13 : 11-13), sluit de poorten voor hen die op de sabbat zaken willen doen (13 : 19), en verbiedt de gemengde huwelijken: ls de wijze Salomo op deze manier tot zonde verleid is, denken de Joden dan dat ze staande kunnen blijven? De vreemde vrouwen zullen Israël brengen tot afgoderij. Weg ermee.

Dit laatste hoofdstuk van het boek leert ons, dat de reformatie nooit volkomen is, zolang er nog zondige mensen zijn. Er is altijd weer een nadere reformatie nodig. Altijd weer zullen er onheilige en onreine elementen binnendringen in de kerk. Pas in het nieuwe Jeruzalem, dat niet door Nehemia, maar door God Zelf wordt gebouwd, zal niets inkomen, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en die leugen spreekt, maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams (Openbaring 21 : 27). Is het binnengaan in dit nieuwe Jeruzalem ook onze enige troost, in leven en sterven?

GESPREKSVRAGEN

1. Hoe moet de verhouding zijn tussen ons bidden en ons werken? Wanneer spreken .we van aktivisme?

Hoe kunnen we het gebed van Nehemia het best karakteriseren (Nehemia 1:5-11)?

2. Kunnen we eigenlijk wel spreken van, , bidden" als een van de drie kenmerken van Nehemia's gebed (schuldbelijdenis, erkennen van Gods macht, pleiten op Gods verbond) afwezig is? Waarom wel of niet?

3. Bouwen en strijden nemen in het boek Nehemia een belangrijke plaats in. Ga met behulp van een konkordantie na wat in het Nieuwe Testament gezegd wordt over gebouwd worden en strijden. In welke opzichten is het lutherlied van toepassing op de geschiedenis van het boek Nehemia?

4. Waarin komen de beide reformaties uit het Oude Testament overeen met „onze" reformatie uit de zestiende eeuw?

Zijn er ook verschillen (vergelijk Nehemia 13:1, Galaten 3:28 en Handelingen 10 : 34 en 35)?

5. Wat betekent het precies om bij de verbonds sluiting over te gaan in de eed en in de vloek (Nehemia 10:29; vergelijk Deut. 27 en28)? In welke zin kan gezegd worden dat belijdenis doen en het aangaan aan het Heilig Avondmaal een vernieuwing van het verbond inhoudt?

6. Waarom is er elke keer weer een nadere reformatie nodig? Is het eigenlijk wel waa dat er maar twee keer in het Oude Testament over reformatie gesproken wordt (vergelijk Hosea 14 : 2)?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 december 1984

Daniel | 32 Pagina's

BIJBELSTUDIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 december 1984

Daniel | 32 Pagina's

PDF Bekijken