Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De zingende Luther

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De zingende Luther

Toespraak jongerenhervormingsavond

14 minuten leestijd

De kerkhervormer Luther staat bekend om zijn grote muzikaliteit. Zijn mooie, heldere, zuivere stem leende zich uitnemend voor spreken en zingen. Vandaag zouden we die stem hebben getypeerd als een kleine, hoge tenor. Daarbij komt nog, dat hij als jongen reeds een goed fluitist was, terwijl hij tijdens een ziekteperiode zichzelf luit leerde spelen. Ongetwijfeld hebben de jaren die hij in zijn woonplaats Mansfeld op de kerkschool doorbracht, bijgedragen aan zijn muzikale vorming. In het leerplan heeft naast het monniken-latijn, schrijven en wat rekenen, muziek een belangrijke plaats.

Naar Eisenach in 1497 stuurt zijn vader hem naar de domschool van de "Broeders des gemenen levens" te Maagdenburg. Het wonen en werken in de kloosterachtige schoolgemeenschap - deze orde van leken is uit Nederland afkomstig - moet de veertienjarige jongen intens in aanraking hebben gebracht met diepe vormen van laat middeleeuwse vroomheid.

Het volgende jaar stuurt zijn vader hem naar Eisenach. Hij wordt toevertrouwd aan Konrad Hutter, de koster van de St. Nicolaaskerk. De man is echter zo arm, dat hij geen kans zien om Luther onderdak te bieden. Hij moet maar in het gebouw van de Latijnse school bivakkeren. Met een slaapplaats in het stro op de schoolzolder ben je als scholier geholpen. Leerlingen van een Latijnse school moeten in deze tijd zichzelf vaak financieel redden. Daarom trekt Luther met het jongenskoor van de school zingend door de straten om de nodige aalmoezen in te zamelen.

Bij de Cotta's en de Schalbes

Hij trekt hierbij de aandacht van mevrouw Ursula Cotta-Schalbe. Zijn zingen en hartelijk bidden is haar in de kerk al opgevallen. Zij neemt de vijftienjarige jongen op in haar gezin. Het kan ook zijn dat er nog een Eisenachse dame bij het verhaal van de zingende en bedelende Luther betrokken is geweest. Dat is dan de vrouw van Heinrich Schalbe, raadsheer van Eisenach en later burgemeester van het stadje. Zij vraagt de begaafde Luther wat zorg aan haar zoon te besteden en nodigt hem uit voor de dagelijkse maaltijd.

Luther komt zo voor het eerst in beschaafde kringen, waarin het geestelijk leven bloeit. De familie Schalbe staat in heel Eisenach bekend om zijn vroomheid en beschaving Men onderhoudt ook uitstekende betrekkingen met hoogstaande geestelijken uit het kleine Franciscanerklooster ter plaatse, johannes Braun, een priester uit dit klooster, is het middelpunt van deze Eisenachse kring.

Hij wordt voor Luther een vaderlijke vriend. Het is niet ondenkbaar, dat de herinnering aan deze geestelijke later zijn plotselinge beslissing om monnik te worden mede heeft beïnvloed. Zowel de Cotta's als de Schalbes musiceren regelmatig gezamenlijk. Men zingt niet alleen liederen, maar ook meerstemmige motetten: zangstukken met een bijbelse, meestal Latijnse tekst. De wereld van de muziek gaat in deze Eisenachse kring voor Luther helemaal open.

Alleen tegen deze achtergrond krijgt de zingende Luther voor ons gestalte met zijn grote waardering voor het meerstemmig gezongen kerklied.

De keus voor het klooster

Nu volgt een studie aan de universiteit van Erfurt. Op 2 juli 1505 keert de jonge rechtenstudent terug van een extra bezoek aan huis. De 21jarige Maarten is met zichzelf in de knoop geraakt. Een studievriend is plotseling heengegaan. De vraag hoe hij zelf in het komende gericht voor Cod kan bestaan, houdt hem al enige tijd bezig bezig.. Hij heeft veel te doen met de tentatio tristae, de aanvechting van de droefenis. Bij Stotternheim, een paar uur van Erfurt, wordt hij door een zwaar onweer overvallen. De bliksem slaat vlak bij hem in de grond. In doodsangst roept hij uit: "Help me, heilige

Anna, ik wil monnik worden." Deze belofte aan Anna is het einde van een lange innerlijke strijd. Vijftien dagen later treedt hij de poort binnen van het Zwarte Klooster der augustijner-eremieten. Zijn vader betreurt deze stap. Later zal Luther tegen hem zeggen: "Vader, ik werd door een verschrikkelijke verschijning van de hemel geroepen. Ik werd immers geen monnik uit eigen vrije wil of keuze en nog veel minder om lekker te eten of te drinken, maar toen ik door een vreselijke angst des doods plotseling omgeven werd, deed ik gedrongen en gedwongen een belofte."

Von Staupitz

Als monnik is Luther de weg van de laat-middeleeuwse kerk met buitengewone toewijding tot het einde toe gegaan. Hij heeft met zijn hele hart geloofd, dat de verzwakte menselijke natuur nog goede werken kan doen. God zal daarbij helpende genade schenken. De zaligheid ligt zo binnen ons bereik. Al werkend ontdekt Luther door het licht van Gods Geest één ding: de mens kan zichzelf niet redden. Hij is de gevangene van zijn eigen "ik". Alles wat hij doet, wordt bepaald door zelfzucht. Hoe kan hij van dit egoïsme verlost worden. De mens kan niet goed zijn! Hoe krijgt zo iemand een genadig God? In zijn grote nood roept hij de hulp in van johann von Staupitz (1469-1525), de vicaris-generaal van zijn orde, een zeer wijs zielzorger. Aan hem schrijft hij eens: "O mijn zonde, zonde, zonde". Op een keer biecht Luther bij hem zes uur achtereen. Dan zegt zijn biechtvader: "Nu moet het ophouden, biechten schijnt voor jou nodiger dan eten en drinken". Hij is het die Luther in zijn grote geestelijke nood wijst op dé enige bron van troost: "Men moet de man aanzien, die Christus heet." Voor de vicarisgeneraal is óók iets anders heel duidelijk: deze monnik moet aan het werk! Hij krijgt de opdracht om te promoveren. Een werkelijke bevrijding uit zijn innerlijke strijd heeft ook Von Staupitz de jonge monnik niet kunnen geven. Dat is het werk van Gods Geest, Die het verstand verlicht.

Het grote keerpunt: leven uit het geloof

Luther richt zich nu op het geven van colleges over de Psalmen en andere bijbelboeken. Hij zoekt daarbij naar een antwoord op de vragen van zijn eigen hart. Omstreeks 1514 loopt hij volkomen vast bij de bespreking van Psalm 31 : 2: Help mij uit door Uw gerechtigheid". Volgens het inzicht van de late middeleeuwen moet het woord gerechtigheid gelezen worden als vergeldende gerechtigheid. Goede werken worden beloond. Kwade werken worden gestraft. Maar wie doet er goed? Er is géén mens die dit gebed van David kan overnemen! Dat betekent voor Luther: egzinken onder Gods eeuwige toorn tegen de zonde. Hoe kan deze tekst dan tot het Evangelie behoren? "Ik zei: et lijkt waarachtig wel, alsof het niet genoeg is, dat wij, arme zondaren en door de erfzonde voor eeuwig verdoemden, door de Wet der Tien Geboden met allerlei moeite belast worden - nu komt God ons ook nog met Zijn Evangelie die ellende vermeerderen en gaat ons ook nog bij monde daarvan met zijn gerechtigheid en toorn bedreigen."

In die nood gaat Luther in zijn studeervertrek - de torenkamer van het Zwarte Klooster te Wittenberg -

Schrift met Schrift vergelijken. Wat betekent de uitdrukking "Gods gerechtigheid" op andere plaatsen in de Bijbel? Terwijl hij daarmee bezig is, leest hij ook Romeinen 1 : 17: e gerechtigheid Gods wordt in hetzelve ( = het Evangelie) geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: e rechtvaardige zal uit het geloof leven. Hij bidt en smeekt de Heere om deze tekst te mogen verstaan: Zo raasde ik met wild bewogen geweten. En intussen bonkte ik onbeschaamd bij Paulus op de deur, want ik dorstte en smachtte ernaar om te weten, wat er achter dat tekstwoord zat. Dag en nacht tobde ik me ermee af en peinsde over het verband van die woorden (...). En door Gods goedheid begon ik toen te begrijpen, dat gerechtigheid Gods hier betekent de gave Gods, waardoor de rechtvaardige leeft uit het geloof." Die gave is Christus en Zijn gerechtigheid, die Hij op Golgotha verworven heeft.

Het geloof ziet niet anders en grijpt niet anders aan dan Christus de Verlosser. Dat geloof rechtvaardigt een arme, verschrikte, schuldige zondaar:

"En ineens zag ik het, wij léven niet door ons doen, maar door Gods schenkende gerechtigheid in Christus." Deze ontdekking heeft hem ten volle tot de zingende Luther gemaakt: "Nu prees ik dit woord "gerechtigheid Gods" met een liefde, even groot als de haat die ik het vroeger had toegedragen en het werd voor mij het heerlijkste woord. En zo is deze tekst van Paulus mij werkelijk de poort van het paradijs geworden."

Deze "Turmerlebnis" - de ervaring in de torenkamer - is het werkelijke geboorteuur van de Hervorming. Zonder dit geloofsgezicht op Christus zou Luther drie jaar later - op 31 oktober 151 7 tegen twaalf uur - nooit de 95 stellingen tegen de aflaathandel van Tetzel hebben aangeslagen aan de deur van de slotkapel van Wittenberg. De gevraagde reactie van de geleerde wereld blijft uit. Veertien dagen blijft het stil. Vrien

den vertalen en vermenigvuldigen de tekst. De verspreiding geschiedt met een ongelooflijke snelheid. Dan breekt een geweldig rumoer los. De Kerkhervorming is begonnen.

Muziekbeschouwing

De leer van de rechtvaardiging door het geloof leidt bij Luther ook tot een nieuwe muziekbeschouwing. In het licht van de ervaring van Gods vergevende liefde, ontstaat er een andere waardering van de scheppingsgaven. Daarbij wordt de muziek als Gods goede gave bij uitstek gezien. Zij verdrijft het slechte en prikkelt tot het goede. De muziek alleen bereikt, na de theologie, datgene wat anders alleen de theologie kan, namelijk het gemoed rustig en vrolijk maken.

De muziek komt echter pas tot haar volle bestemming als ze verbonden wordt met het Evangelie. Woord en klank gaan dan samen. Daarom staat de muziek van al Gods goede gaven het dichtste bij het Woord. Naar Luthers vaste overtuiging heeft God het Evangelie ook verkondigd door muziek. Ongetwijfeld heeft hij daarbij gedacht aan de zang van de engelen in de velden van Efratha. De muziek is geroepen om dienares van het Evangelie te zijn. Ze heeft de eigenaardige kracht om het gemoed levend te maken en aan te vuren. Ze vergroot bij voornaam en ernstig zingen de uitdrukkingsmogelijkheden van de taal. Ze moet in een zekere zin de weg banen voor het Woord en het geloof wekken. Zo helpt ze om het Woord geestelijk te verstaan.

De muziekbeoefening zelf is voor Luther een beeld van de christelijke vrijheid, waarin het geloof in Christus Gods kinderen plaatst: "Want God heeft ons hart en gemoed vrolijk gemaakt door Zijn lieve Zoon, die Hij voor ons gegeven heeft tot verlossing van zonden, dood en duivel.

Wie zulks met ernst gelooft, die kan het niet laten, hij moet vrolijk en met lust ervan zingen en zeggen." Dit accent is typerend voor de hervormer. Hij heeft vooral geleefd vanuit het overweldigende van de verlossing, die Christus heeft aangebracht.

Alles moet uitdrukking geven aan de vreugde, die daarmede gepaard gaat. Psalm, lied en de daarbij behorende muziek wijzen ook vooruit naar de tijd, waarin deze verlossing volkomen zal zijn. Dan zal God alles zal zijn en in allen. Daarom is de muziek ten diepste voor hem een afglans van de heerlijkheid van de komende voltooiing van het Koninkrijk van God.

De gemeentezang bij Luther

Luther is de eerste die aandacht vraagt voor de betekenis van de het zingen van de psalmen in de volkstaal. Eind 1523 houdt hij zich intensief bezig met een Duitse liturgie voor de eredienst. Dan richt hij zich in een brief tot G. Spalatinus (1584-1545), de hofprediker van Wittenberg, om medewerking. "Ik ben van plan naar het voorbeeld van de profeten en de oude kerkvaders Duitse psalmen voor het volk te maken, dat wil zeggen geestelijke liederen, opdat het Woord Gods ook door het gezang zijn weg vindt onder de mensen. Overal ben ik op zoek naar dichters. Daar gij zo begaafd zijt in het Duits en zo gemakkelijk schrijft, verzoek ik u mee te helpen en een psalm om te dichten in een zingbaar lied (...)." Sinds Luther is het koraal, het door de gemeente in de eigen taal gezongen lied, dan ook kenmerkend voor de protestantse kerkmuziek. In de Lutherse kerken werd en wordt echter veel meer en anders gezongen dan in de onze. Als de hervormer in 1526 een orde voor de eredienst publiceert, wordt alléén de prediking en de aansporing tot het gebed gesproken. De Schriftgedeelten worden gezongen naar oud gebruik met behulp van de psalmodie: het zingend reciteren van de tekst op één toon. Opvallend is de wisselzang tussen predikant en koor of tussen geestelijke en gemeente. Naast de psalmen worden ook tal van liederen vier of-of vijfstemmig gezongen.

Op de lange duur heeft de zienswijze van Luther geleid tot een overwoekering van de eredienst door de muziek. Ze is in een bepaald opzicht heilsmiddel geworden. Daarom heeft hij ook te weinig oog voor niet of nauwelijks muzikaal begaafde gemeenteleden. Wie door de meerstemmige muziek niet wordt bewogen, moet wel "een onbehouwen lomperd" zijn. Hij vertoont de meeste overeenkomst met blokken hout en stukken steen. Wie niet domp en

lomp is en toch de muziek afwijst, bewijst daarmede dat hij niet werkelijk gelooft en nog leeft op het grondgebied van de wet.

De gemeentezang bij Calvijn

Bij Calvijn vallen andere accenten dan bij Luther. Allereerst treft ons zijn uitgesproken voorkeur voor het zingen van de Psalmen, al heeft de Synode van Dordrecht in onze kerkorde een beperkte ruimte gelaten voor 'enige gezangen'. Calvijn zegt van de Psalmen, dat er geen boek is, "waarin men uitdrukkelijker en prachtiger lofprijzingen vindt zowel wat de bijzondere genadegaven Gods jegens Zijn kerk betreft als aangaande al Zijn werken." Voor de hervormer van Genève staat de eer van God centraal. Dat vraagt om orde en eenvoud in de inrichting van de kerkdiensten. Daarom wijst hij het vierstemmig of vijfstemmige zingen in de kerkdienst af. Het gevaar is groot, dat de aandacht van de zingende meer uitgaat naar het samenklank dan naar de inhoud van het lied. Daarom kiest hij voor eenstemmige volkszang in de moedertaal. Dan kan de aandacht van de gehele gemeente zich richten op de tekst, die gezongen wordt. De muziek is bij Calvijn geen heilsmiddel, maar een hulpmiddel. Wij geven aan de eenvoudige inrichting van de eredienst naar zijn voorbeeld de voorkeur boven het Lutherse model.

Zingen is tweemaal bidden

Laten wij overigens de zingende Luther in gezinsverband en in ons persoonlijk leven niet vergeten. Muziek is geen heilsmiddel, maar vergroot ongetwijfeld het indringend en inscherpend vermogen van het gezongen lied. Aan sterfbedden treft mij telkens weer hoe diep psalmregels in het geheugen van ouderen zijn gegrift. Mensen die geen geluiden uit hun omgeving meer schijnen te horen, reageren nog op een psalmvers, dat wordt gezegd of gezongen. Augustinus had voor de versterkende kracht van de melodie reeds oog. Van hem stammen de woorden, die Luther had kunnen formuleren: "Bis orat, qui cantat". Wie zingt, bidt dubbel. Vrij weergegeven: zingen is tweemaal bidden. Luther weet heel goed, dat ook Gods kind niet altijd leeft vanuit de ontvangen verlossing en niet altijd een loflied kan aanheffen. Aanvechtingen en twijfels kunnen de gelovige gemakkelijk in het donker brengen. Dan verliest hij Christus uit het oog. De duivel probeert wat keren ons na ontvangen genade weg te trekken van God en Zijn liefde. Daarom geeft de hervormer ons de goede raad om in strijd en aanvechting tegen hem te zeggen: "Er uit, duivel, ik moet nu mijn Heere Christus zingen en spelen".

De ware theologie en wij

Leven wij door Gods genade uit de reformatorische ontdekking van Luther? In een vergadering van zijn orde te Heidelberg heeft hij in 1518 opnieuw met veel vrijmoedigheid en helderheid zijn nieuwe inzichten ontvouwd: "In jezus Christus, de gekruisigde, is de ware theologie en kennis Gods verborgen." Kennen wij persoonlijk het geheim van deze ware theologie? Of achten we de persoonlijke kennis van Christus vandaag niet meer nodig? Zijn we alleen een buitenkant-protestant? Hebben we niet meer dan wat uiterlijke vorm? Leven we uit onze keurige kerkelijkheid? Dan verwachten ook wij het in onze blindheid van een werk der wet. Of kiezen we liever voor de wereld dan voor de dienst van God? In beide gevallen verachten we voortdurend in ongeloof het door de Borg vergoten bloed. Dat is dé grote zonde van ons onherboren leven. Met een buitenkant-geloof gaan we voor eeuwig verloren gaan.

Gaat je hart niet uit naar Christus en Zijn gerechtigheid? Is elke begeerte naar Hem je vreemd? Vraag toch om het werk van de Heilige Geest. Hij ontsteekt het oprechte geloof in het hart. Hij overtuigt ons van onze persoonlijke zonden. Dan kunnen we niet anders dan om genade roepen. Die Geest - hoe duidelijk wordt dat ook bij Luther - leidt ook door het Woord tot Christus. Dat is het grootste en rijkste wat er bestaat. Dan mogen we onszelf terugvinden in de heldere woorden van artikel 22 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis over de rechtvaardigmaking door het geloof. Daar zegt onze belijdenis met Luther naar de Schrift, dat het geschonken geloof "jezus Christus met al Zijn verdiensten omhelst, Hem eigen maakt en niets anders meer buiten Hem zoekt."

Dit artikel werd u aangeboden door: Jeugdbond Gereformeerde Gemeenten

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 november 1998

Daniel | 32 Pagina's

De zingende Luther

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 november 1998

Daniel | 32 Pagina's

PDF Bekijken