Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Al wat Gij ooit beloofd hebt...

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Al wat Gij ooit beloofd hebt...

Verhaal over de Tweede Wereldoorlog

9 minuten leestijd

Pfff, wat is het warm in het lokaal! De zon brandt op de ramen. Meester Visser heeft de gordijnen al half dichtgedaan, maar het lijkt wel of het er alleen maar warmer van wordt. De kinderen zitten ijverig gebogen over hun taalschrift. Joost moet nog twee rijtjes woorden schrijven en dan heeft hij z'n taalles af. Maar het is net of hij niet goed kan denken. Met gefronste wenkbrauwen kijkt hij de klas in. Hij kan niet op het woord komen. Steeds moet hij denken aan de brief voor vader. Hij kijkt eens naar z'n vriend Karei. Daar is ook een brief bezorgd. Karei kauwt op het puntje van z'n pen. Ze geven elkaar vlug een knipoog en buigen zich opnieuw over hun werk.

"Nog twee minuten, jongens, " klinkt plotseling de stem van de meester.

Oei, dan moet hij wel haast maken! Juist als meester naast zijn tafeltje staat, schrijft hij vlug het laatste woord op.

"Dat is op het nippertje, Joost. Dat ben ik van jou niet gewend."

"Nee, meester, maar m'n vader heeft een brief gekregen..."

"Ja, en mijn vader ook, meester, " zegt Johan.

"En Pieter z'n broer moet naar de Grebbeberg, samen met de overbuurman!" roept Willie. Het duurt niet lang of de hele klas is in rep en roer.

Gisteren, 29 augustus 1939, hebben veel jongens en mannen tussen de achttien en veertig jaar een brief gekregen. Ze zijn opgeroepen want de regering wil het leger paraat hebben voor het geval er oorlog komt met Duitsland.

In 1933 is Adolf Hitier daar aan de macht gekomen, en vanaf die tijd is er zoveel onrust in Europa. Hitier heeft een vreselijke hekel aan Joden én hij wil alle landen aan zich onderwerpen. Vorig jaar heeft hij Oostenrijk al bij Duitsland ingelijfd, ledereen is bang dat hij ook met andere landen oorlog gaat voeren, net zolang tot hij heel Europa in zijn macht heeft!

"Meester, en mijn vader moet ook soldaat worden, " snikt Marieke.

"Ja, kinderen, " zegt de meester, "we leven in een moeilijke tijd. Wij weten niet hoe het zal gaan in de wereld. Adolf Hitier is een gevaarlijke man..."

Op het Mijnsheerenplein in Rotterdam staan enkele mannen met elkaar te praten. Hun gezichten staan somber.

"Jan, kerel, hoe is het mogelijk. Jij ook naar Rhenen? kunnen we samen reizen!" Dan

"Ja, Gerard. Ik zie er toch wel verschrikkelijk tegenop. Hoe zal het met onze ouders gaan en met onze broertjes en zusjes. Wat zal er allemaal nog gebeuren? "

"Wist ik maar dat we weer veilig thuis kwamen, " verzucht Rietdijk. "De toekomst is zo donker."

"Zeg dat wel, " merkt Gerard op. Even is het stil. Zorg vervult hun hart.

"Maar, mannen, " vraagt Jan, "moeten wij ook niet eens aanbellen bij de dominee? Ik heb al heel wat mensen naar binnen zien gaan."

Met gebogen schouders lopen ze met z'n drieën naar de deur van de pastorie.

De bel is amper gegaan of mevrouw Lamain doet de deur open.

"Zo, kom maar binnen, " klinkt het hartelijk.

In de kamer is het een drukte van belang. Negenenzeventig mannen uit de gemeente van Rotterdam Zuid hebben een oproep gekregen. Velen van hen zijn vanavond naar de pastorie gekomen. Ze willen graag nog afscheid nemen van hun geliefde dominee voor ze naar de kazerne vertrekken.

Zodra ze allemaal een plaatsje hebben gevonden, gaat dominee Lamain in het midden van de kamer staan. Hij kijkt de kring eens rond en zegt:

"Geliefde gemeenteleden, we zijn hier bijeen onder verdrietige omstandigheden. Het is een bijzondere avond.

Het doet ons goed dat jullie ons nog komen bezoeken voordat jullie vertrekken. Wat zal er allemaal in jullie hart omgaan. De toekomst is onzeker. We mogen wel vrezen dat de Heere met Zijn oordelen komt! En wees eens eerlijk, zou de Heere onrecht doen? " Het is ademloos stil in de kamer.

Vol liefde wijst de predikant de mannen op de woorden uit Psalm 91: "Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtiger"

"Mannen, " voegt hij er ontroerd aan toe, "en dat wens ik u allen zo van harte toe. Dat is de enige Schuilplaats waarin we veilig zijn, voor de tijd en voor de eeuwigheid!"

Gerard kijkt even om zich heen. Wat is het goed om hier zó bij elkaar te zijn. Het is net of het allemaal niet waar is. De dreiging van een oorlog lijkt voor even minder erg... Konden ze hier maar blijven! Aandachtig luistert hij naar de waarschuwingen en bemoedigingen van de dominee.

Voor ze het weten is het half tien. Ds. Lamain stelt voor om samen een gebed te doen. Eerbiedig buigen de mannen het hoofd. Bij verschillenden van hen lopen de tra-

nen over de wangen als de dominee vol ernst en liefde de nood aan de Heere voorlegt. Hij smeekt of Hij hen wil bewaren in de gevaren die kunnen komen. Hij smeekt ook om Gods bescherming voor de gezinnen en allen die ze achter moeten laten. "En, Heere, " bidt hij, "het is onverdiend, maar wilt U ons volk en ons land nog genadig zijn? "

Als de gasten even later de pastorie verlaten, gaat dominee Lamain in de hal staan om ieder de hand te schudden. Voor allemaal heeft hij nog een persoonlijk woord.

Stilzwijgend lopen de mannen in het schemerdonker naar huis. De onbekende toekomst tegemoet. leder heeft z'n eigen gedachten. Maar allemaal nemen ze de herinnering aan deze avond mee naar het front!

Het is dinsdag 14 mei 1940. Om half drie 's nachts zit ds. Lamain achter zijn bureau. Hij kan niet slapen. Wat is er verschrikkelijk veel gebeurd sinds hij vorige week donderdagavond 9 mei in Goudswaard heeft gepreekt. Ouderling Schelling drong er nog zo op aan dat hij een nachtje zou blijven. Maar het was net of er van binnen een stem was die zei dat hij naar z'n vrouw en kinderen in Rotterdam moest gaan...

Wat is hij achteraf dankbaar geweest dat hij naar huis is gegaan, want die nacht is het begonnen. Om vijf voor vier ronkten plotseling honderden vliegtuigen in de lucht, en even later gooiden de Duitsers de eerste bommen op de Waalhaven. Vreselijk was het. Het was alsof de wereld verging. De kinderen kwamen huilend uit bed. De buren gilden op straat. Rookwolken stegen op boven de stad. Sirenes loeiden... Vrijdagmorgen vroeg, om vijf uur, had ds. Kersten hem gebeld. "Broeder, " zei hij kort, "Nederland is in oorlog!"

Zaterdagmorgen stonden de eerste Duitse soldaten al op de hoeken van de straten. Afgelopen zondag was het zo'n een vreemde zondag. Vanwege het grote gevaar was er besloten dat er die dag geen kerk gehouden zou worden. Het was Pinksteren, maar de kerkdeuren bleven dicht. Ook gisteren, op Tweede Pinksterdag.

Niemand waagde zich onnodig op straat. Samen met de gasten die op dit moment in de pastorie logeren hebben ze de afgelopen dagen steeds gesmeekt of de Heere de mensen van de kerkelijke gemeente en de stad Rotterdam nog zou willen sparen. Vermoeid is hij gisteravond tegen twaalf uur in slaap gevallen, maar het heeft niet lang geduurd. Om half twee was hij al weer klaar wakker. Hij kan maar niet slapen.

Steeds weer ziet hij de negenenzeventig mannen uit de gemeente voor zich die zijn opgeroepen om mee te vechten tegen de vijand. Het lijkt wel alsof ze hem toeroepen: "Dominee, smeek de Heere toch voor ons!"

O, wat is het bang in z'n hart. Al die mannen en jongens hebben een ziel voor de eeuwigheid!

Het zweet breekt hem uit. Hoe moet het, hoe moet het! De dominee kan het niet langer uithouden. Om de anderen niet wakker te maken, schuift hij zachtjes zijn bureaustoel wat naar achter en valt op z'n knieën. Een schreeuw stijgt op uit zijn hart. "Heere, " smeekt hij, "is er voor deze arme schapen nog redding bij U? Wilt U ze bewaren te midden van de grote gevaren! O, wilt U hun ziel redden van de dood!"

Zo benauwd als het in zijn hart was, zo wonderlijk rustig wordt het opeens. Hij kan het haast niet geloven! De Heere belooft hem met kracht dat al deze mannen veilig terug zullen komen. Er zal er niet één gemist worden!

"O Heere, " stamelt hij verwonderd, "dat is onverdiend!" Wat zijn de mensen dankbaar als de daaropvolgende zondagmorgen 19 mei de kerkdeuren weer opengaan. Dominee Lamain heeft een ernstige preek! Zelfs de kinderen luisteren aandachtig, hoewel ze niet alles begrijpen. Ook Joost en Karei zijn in de kerk. Ze zitten enkele banken achter elkaar.

"Gemeente, ik kon vorige week niet slapen, " zegt de dominee opeens. Hij wacht even voor hij verder gaat. Het wordt ademloos stil in de kerk.

Joost buigt zich wat voorover en wacht ingespannen wat de dominee gaat vertellen.

"U mag het wel weten, " vervolgt deze bewogen. "Ik heb de troon van Gods genade mogen bestormen, en de Heere heeft me beloofd dat al onze mannen behouden terug zullen komen. En de Heere is een Waarmaker van Zijn woord, gemeente!"

Er gaat een golf van ontroering door de kerk. Karei kijkt vlug achterom naar Joost. Het is alsof hij wil zeggen: "Hoor je dat! Alle mannen veilig terug!"

Waar de dominee verder over preekt, gaat voor een groot deel over de hoofden van de jongens heen. Ze weten niet precies waar hun vaders op dit ogenblik zijn. Ze zijn krijgsgevangenen, maar verder weten ze niets van hen... En toch krijgen ze weer moed. Want de Heere heeft het immers aan de dominee beloofd!

Na de dienst, als dominee Lamain van de consistorie naar de pastorie loopt, stormt het in zijn ziel.

"Vrouw, " zegt hij, zodra hij de kamer binnenstapt, "had ik maar gezwegen. De duivel fluistert me in dat die mannen niet terug zullen komen. Hij maakt me wijs dat er maar één van hen hoeft te sneuvelen en dan is het niet waar geweest wat de Heere beloofde. Zou ik het mezelf wijs gemaakt hebben? O, had ik toch m'n mond gehouden. Nu weet iedereen het en nu rekent men erop dat ze terugkomen. Ik zal nog als een leugenaar openbaar komen. Dan zal Gods Naam om mij gesmaad worden..." Mevrouw Lamain kijkt haar man begripvol aan.

"Ik begrijp het wel, " zegt ze zachtjes, "maar zou de Heere niet sterker zijn dan het grootste geweld? Hij is machtig om het grootste ongeloof aan banden te leggen, ook in jouw hart. En durf je te zeggen dat je ooit beschaamd bent uitgekomen met de Heere? "

(wordt vervolgd)

mw. J. Kranendonk-Gijssen

Dit artikel werd u aangeboden door: Jeugdbond Gereformeerde Gemeenten

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 2005

Daniel | 36 Pagina's

Al wat Gij ooit beloofd hebt...

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 2005

Daniel | 36 Pagina's

PDF Bekijken