Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Herziening van de Statenvertaling of een nieuwe (gereformeerde) bijbelvertaling?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Herziening van de Statenvertaling of een nieuwe (gereformeerde) bijbelvertaling?

15 minuten leestijd

De vraag of we de Statenvertaling moeten herzien of streven naar een geheel nieuwe vertaling van de Bijbel, is niet nieuw. Het is iedereen die de Statenvertaling leest, duidelijk dat er passages zijn die we niet op het eerste gezicht verstaan. Soms hangt dat vrijwel uitsluitend samen met het feit dat de Bijbel veelal over dingen spreekt die 'zwaar zijn om te verstaan', om het te zeggen met woorden van de apostel Petrus, die op deze wijze bepaalde passages uit de brieven van Paulus kwalificeerde. En inderdaad, in de Bijbel worden ons zaken bekendgemaakt die ons verstand te boven gaan en waar we dus ook maar heel moeilijk een bepaald begrip van kunnen krijgen.

Dat is echter een zaak die niet op te lossen is met een vertaling of de herziening van een vertaling, of zelfs een geheel nieuwe vertaling. Als het om de heilgeheimen van Gods Woord gaat, hebben we voor alle dingen nodig de verlichting door de Heilige Geest. Hij moet onze ogen openen en ons de Schriften doen verstaan. Het getuigenis van de Heilige Geest in de harten, waarvan we belijdenis doen in artikel 5 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, blijft onmisbaar.

Taal verandert

Er zijn evenwel ook andere factoren die de leesbaarheid en verstaanbaarheid van de Statenvertaling beïnvloeden. Ik zeg het met opzet zo, omdat ik niet wil spreken van onleesbaarheid en onverstaanbaarheid van de Statenvertaling. Soms kan men dergelijke kwalificaties wel vernemen, maar vooralsnog wil ik in die manier van spreken niet meegaan.

Dat neemt niet weg dat ik oog heb voor het feit dat door de loop der eeuwen heen bepaalde woorden en uitdrukkingen van betekenis veranderd zijn. Ook dat er woorden zijn die uit het spraakgebruik zijn verdwenen en hooguit als archaïsmen voortleven. Ik besef ook dat door de tijd heen de manier van zinsopbouw sterk veranderd is, waardoor we vandaag de dingen liever in een paar korte zinnen zeggen dan in één lange zin, die onderscheiden moet worden in een hoofdzin en soms een hele serie bijzinnen. Dat zijn allemaal zaken die de leesbaarheid en verstaanbaarheid van de Statenvertaling negatief beïnvloeden.

Deze dingen zijn overigens niet nu voor het eerst geconstateerd. Integendeel, de vraag is al eerder aan de orde geweest of het niet tijd werd om de Statenvertaling te herzien. Te herzien in taalkundige zin. Bijbeldrukkers en -uitgevers brachten bij een nieuwe druk van de Statenvertaling soms zelf al herzieningen aan. Woorden die echt niet meer de betekenis hadden die zij aanvankelijk hadden, werden vervangen. Zo heeft bijvoorbeeld het Oudhollandse woord 'sweer' allang plaats gemaakt voor 'schoonvader'. Ook uitdrukkingen die weliswaar een letterlijke vertaling geven van de oorspronkelijke taal, maar die nu de lachlust kunnen opwekken, zijn verdwenen. Een duidelijk voorbeeld is het gebruik van de woorden 'al wat mannelijk is', wat vroeger werd weergeven met 'al wat tegen de wand pist'. Maar dat betreft slechts incidentele wijzigingen.

Er werd ook grondiger gewerkt aan herziening van de Statenvertaling. Zo is in de vorige eeuw de zgn. Esser-Kijne Bijbel verschenen, die een taalkundige revisie van de hele Statenvertaling wilde zijn. Deze bijbeluitgave is echter al vrij snel in vergetelheid geraakt. Dat zal mede verband hebben gehouden met de toen al sterke roep om tot een geheel nieuwe vertaling van de Bijbel te komen. De Statenvertaling had in het oog van velen zijn tijd gehad en moest nodig vervangen worden door een nieuwe vertaling.

De 'Tukkerbijbel'

Het Nederlands Bijbelgenootschap, dat jaren lang in ons land de verzorging en verspreiding van bijbels op zich had genomen, gaf in 1951 de Nieuwe Vertaling uit. De gedachte was toen dat deze vertaling dé vertaling van de Bijbel in het Nederlands zou worden en dat ze geleidelijk de Statenvertaling wel zou vervangen. Dat gebeurde echter niet: een deel van het volk bleef sterk de voorkeur geven aan de Statenvertaling, al werd hier en daar wel gevoeld dat deze op sommige punten erg verouderd was. Dat bracht het Nederlands Bijbelgenootschap ertoe nog weer eens een poging te wagen om te komen tot een herziene Statenvertaling. Het Bijbelgenootschap zag op dit terrein een taak liggen.

Een commissie werd gevormd, samengesteld uit theologen en neerlandici die tot de kring behoorden waar de Statenvertaling werd gebruikt. De leden van de commissie kwamen uit de Nederlandse Hervormde Kerk (Gereformeerde Bond), de Christelijke Gereformeerde Kerken en aanvankelijk ook uit de Gereformeerde Gemeenten. Deze commissie ging aan het werk. Zij werd voor bepaalde werkzaamheden die verband hielden met het concordant vertalen, bijgestaan door een aantal theologische studenten. Voorzitter van deze commissie was ds. W.L. Tukker. Secretaris was aanvankelijk ds. D. Hakkenberg, wiens taak ik later heb overgenomen.

Tijdens de eerste besprekingen over het werk dat zou moeten worden verricht, werden principia en richtlijnen vastgesteld. De vraag was: Kan met handhaving van het karakter van de Statenvertaling er toch hier en daar een sobere revisie aangebracht worden, zodat verouderde woorden en zinswendingen en woorden die een verandering in betekenis hebben ondergaan, veranderd kunnen worden? De commissieleden waren van mening dat dit kon en dat het alleszins gerechtvaardigd was om iets dergelijks te ondernemen.

Immers, taal is voortdurend in ontwikkeling. Woorden verouderen en raken in onbruik. Zo bijvoorbeeld het woord 'bagge' in Spreuken 11:22 en het woord 'herre' in 1 Koningen 7:50. Andere woorden krijgen langzamerhand een andere betekenis, bijvoorbeeld 'wijf', 'onnozel', 'rantsoen'. Handhaving van de oude woorden levert het gevaar op dat de bedoeling van de tekst niet meer verstaan wordt.

Het zou dus gaan om een sobere revisie. Daar kwam nog een andere zaak bij. In de loop der jaren waren hier en daar onjuistheden in de diverse uitgaven van de Statenvertaling ingeslopen. Een zeer opvallende was bijvoorbeeld die in Jesaja 64:6, waar in sommige uitgaven staat 'ongerechtigheden' in plaats van 'gerechtigheden'. Een ander voorbeeld is Jeremia 32:39, waar we soms 'wet' aantreffen in plaats van 'weg'. De commissie zag het mede als haar taak bij de sobere revisie ook de ingeslopen onjuistheden te corrigeren.

Afgesproken werd dat de Statenvertaling wel de Statenvertaling moest blijven en geen nieuwe vertaling mocht worden. Daartoe werd het van belang geacht dat het taalkoloriet bewaard zou blijven en dat bijvoorbeeld in vele gevallen tweede naamvalsuitgangen zouden worden gehandhaafd, zoals in 'vreze des Heeren', 'dag des Heeren' e.d.

De commissie kende een onderlinge verbondenheid, die duidelijk voortkwam uit de wens om tegenover de steeds ruimere aanvaarding van de Nieuwe Vertaling toch de Statenvertaling te behouden en dat dan op een wijze waardoor ons kerkvolk aan deze vertaling zou kunnen vasthouden. Dat wil zeggen: door de leesbaarheid ervan te bevorderen.

De commissie meende met deze opzet op geen enkele wijze afbreuk te doen aan de bedoeling die had voorgezeten bij het totstandkomen van de Statenvertaling zelf. Toen de Synode van Dordrecht in 1618/1619 besloot dat het moest komen tot een nieuwe vertaling van de Bijbel en daartoe dan ook opdracht gaf, werd vastgesteld dat, om alle aanstoot te vermijden, uit de toen reeds bestaande vertalingen alles behouden moest worden wat zonder schade voor de waarheid en de zuiverheid en eigenaardigheid van de Nederlandse taal kon behouden blijven.

Zonder nu verder uit te weiden over de wijze waarop de commissie haar werk heeft verricht, kan geconstateerd worden dat langs deze weg een revisie van de Statenvertaling tot stand gekomen is, die - hoewel al eerder klaar gekomen - in 1977 het licht zag. Zij heet dan ook officieel de 'Editie '77', al is de naam 'Tukker-Bijbel' de meer gangbare benaming geworden. Dat laatste overigens zeer tot ongenoegen van de voorzitter van de commissie, die van mening was dat de Bijbel nooit naar een mens genoemd behoort te worden.

Gereformeerde Bijbelstichting

Gelijktijdig met de werkzaamheden van de commissie van het NBG vielen de activiteiten van de Gereformeerde Bijbelstichting. Ook in de kringen van deze Stichting was men beducht voor de toenemende acceptatie van de Nieuwe Vertaling. Daarom had men zich eveneens ten doel gesteld om een betrouwbare uitgave van de Statenvertaling te verzorgen. De bedoeling was alle onjuistheden te corrigeren en de tekst in overeenstemming te brengen met de uitgave-Van Ravesteijn van 1657. In dit opzicht was er duidelijk overeenstemming met het streven van de commissie van het NBG.

Waar de Stichting echter nauwelijks van wilde weten, was de vervanging van verouderde woorden. Dat werd in veel gevallen gezien als een aantasting van het eigenlijke karakter van de Statenvertaling. Bovendien wilde men dit werk helemaal zelf doen, zonder enige samenwerking met het Nederlands Bijbelgenootschap. Men had het vertrouwen in dat genootschap verloren, mede ook doordat men zich daar was gaan toeleggen op het uitgeven van vertalingen in de omgangstaal.

Ook de commissie die benoemd was door het Bijbelgenootschap, had bezwaren tegen bepaalde activiteiten van dit genootschap, maar die waren voor haar geen reden om de samenwerking op te zeggen. Bovendien zag deze commissie de vervanging van verouderde woorden niet zo snel als een aantasting van de eigenlijke Statenvertaling. Om deze redenen is het ondanks herhaalde samensprekingen nooit tot overeenstemming gekomen. De uitgangspunten bleken toch te verschillend te zijn.

Ter illustratie van de verschillende wijze van benaderen kan bijvoorbeeld dienen dat de Gereformeerde Bijbelstichting in Jesaja 50:9 en 54:17 het woord 'verdoemen' heeft gehandhaafd, terwijl in de editie van het Bijbelgenootschap dit woord vervangen is door 'veroordelen'. Dat laat zien dat men bij de GBS van geen revisie wilde weten. (Overigens is in de uitgave van de GBS het woord 'wijf' wel vervangen door 'vrouw', behalve in 'bijwijf').

In 1974 is de (herziene) Statenvertaling als werk van de Gereformeerde Bijbelstichting op de markt gebracht en deze is inmiddels in diverse uitgaven verkrijgbaar. Achter in de uitgaven is een lijst opgenomen waarin woorden die verouderd zijn of die een betekenisverandering hebben ondergaan, verklaard worden.

Onder kritiek

De verschillende aanpak waar ik zojuist over sprak, maakte het dus onmogelijk om tot een vergelijk te komen. Dat was echter niet alles. Deze verschillende benaderingswijze heeft jammer genoeg ook stof gegeven tot ernstige kritiek van de zijde van de Gereformeerde Bijbelstichting op de werkwijze van de commissie. De commissie zou veel te vrij met de tekst omgaan en de Statenvertaling zou op deze manier toch geen Statenvertaling meer zijn. Ik zal hier niet nader op ingaan, omdat ik vanwege de heel sterke persoonlijke betrokkenheid bij het werk toentertijd er wellicht niet in objectieve zin over spreken kan. Wat ik wel wil zeggen - en daar kom ik straks nog op terug - is dat gebleken is hoe gevoelig de dingen rondom een herziening van de Statenvertaling blijken te liggen.

Overigens kwam de kritiek ook uit andere hoek. Na verschijnen van de 'Editie '77' werd het werk dat de commissie verricht had, vergeleken met 'geknoei aan de Nachtwacht'. 'Je houdt zo geen Statenvertaling over'. De achtergrond van deze opmerkingen was dat we de Statenvertaling moeten zien als een groots monument uit het verleden en dat ze dat ook moet blijven. Het was echter de overtuiging van de commissie dat zonder een voorzichtige revisie de Statenvertaling wel als monument uit het verleden zou voortbestaan, maar dan tegelijk een museumstuk zou dreigen te worden. Men zou dan deze vertaling wel als iets groots uit het verleden kunnen bewonderen, zonder er echter ooit meer gebruik van te maken. En de Statenvertaling moest juist wel worden gebruikt!

Nieuwe poging

Zowel de bijbels van de GBS als de 'Editie '77' zijn verkrijgbaar. Daarnaast zijn er nog altijd de uitgaven die er al waren voordat de genoemde edities verschenen: de gewone uitgaven van bijbeldrukkers als bijvoorbeeld Jongbloed. Niettemin horen we de laatste tijd van nieuwe pogingen om toch weer een nieuwe revisie van de Statenvertaling te verzorgen.

Als ik me niet vergis - maar ik moet eerlijk zeggen dat ik door de ervaringen in het verleden mijn belangstelling voor deze zaken wat verloren heb, zoals ik straks nog wel nader zal aantonen - is deze zaak aan de orde gekomen door een lezing die dr. M.J. Paul een aantal jaren geleden hield op een contio van predikanten van de Gereformeerde Bond. Het hoofdbestuur van de Bond heeft toen onderzoek gedaan naar de mogelijkheid om te komen tot een gereviseerde editie en vervolgens een interkerkelijke commissie benoemd, die intussen aan het werk is gegaan. Wie het werk doen en hoe het gebeurt, wordt opzettelijk niet openbaar gemaakt. Ik acht dat niet verkeerd, gelet op ervaringen uit het verleden.

Ter motivering van het ondernomen werk wordt gewezen op de in vele gevallen toch niet goed verstaanbare taal van de huidige Statenvertaling (in welke editie dan ook). Bovendien ziet men het als een reëel gevaar dat tengevolge van de niet meer goed leesbare Statenvertaling met name jonge mensen grijpen naar een moderne bijbeluitgave als Het Boek, die niet als een betrouwbare vertaling kan worden beschouwd. Ook ziet men geen heil in de op stapel staande Nieuwe Bijbelvertaling (NBV), waar allerwegen aandacht voor gevraagd wordt. Men wil ook de opgroeiende generatie graag bij de Statenvertaling bewaren, al moet die dan wel een herziene en daardoor verstaanbare vertaling zijn.

Deze commissie is geheel opnieuw begonnen. Als ik niet onjuist ben geïnformeerd, acht zij de 'Editie '77' niet grondig genoeg en bovendien te weinig wetenschappelijk. De uitgave van de GBS zal dan wel als nog minder grondig worden bezien. Het lijkt er dan ook op dat deze herziening aanmerkelijk verder zal gaan dan eerder het geval was.

De vraag is of datgene wat deze commissie nastreeft, haalbaar is. Zal het nu wel gelukken om een herziene Statenvertaling gereed te maken die voor dat deel van ons volk waar men de Statenvertaling wenst te blijven gebruiken, aanvaardbaar is? Of is zo'n poging bij voorbaat tot mislukken gedoemd? En, als dat zo zou zijn, moeten we dan niet toe naar een nieuwe bijbelvertaling, maar dan een goed gereformeerde? Laat ik tenslotte een paar voorzichtige conclusies trekken en verwachtingen uitspreken.

Conclusie en verwachting

Over de vraag naar de wenselijkheid en haalbaarheid van een nieuwe bijbelvertaling, maar dan een gereformeerde, meen ik heel kort te kurmen zijn. Dat zou een geweldige onderneming zijn, die bij voorbaat op een grote steun in brede lagen van ons kerkvolk moet kunnen rekenen. Als die brede steun niet bij voorbaat vaststaat, moet men er niet aan beginnen. Bovendien is het nog helemaal de vraag of er voldoende bekwame vertalers te vinden zijn, die echt gereformeerd zijn in hun denken. En dan lijkt het me ook nog twijfelachtig om van een 'gereformeerde' bijbelvertaling te spreken. Ik begrijp wel wat men ermee wil aanduiden, maar de vraag is of deze manier van spreken niet de indruk wekt dat het gereformeerde aan de Bijbel en de vertaling ervan voorafgaat. Hierbij wil ik het echter maar laten.

Dan een herziene Statenvertaling? De pogingen die in het verleden zijn ondernomen, maken me niet optimistisch. Te duidelijk is gebleken dat zij die voor de Statenvertaling opteren en die vertaling prefereren boven welke andere vertaling of parafrase ook, onderling te veel divergerende meningen hebben, waardoor het draagvlak voor zo'n herziene vertaling wel eens te smal zou kunnen zijn. Ik geloof niet dat zij die zich verenigen rondom de Gereformeerde Bijbelstichting ooit de revisie die nu ondernomen is, zullen aanvaarden. Bepaalde geluiden die in dat verband al te horen zijn, bevestigen mij in mijn mening.

Welnu, hoeveel steun blijft er dan over? Er zijn onder de lezers van de Statenvertaling ook heel wat mensen die toch geen onoverkomelijk bezwaar zien in het gebruik van Het Boek. Ik grond dat op de ontdekking dat verschillende ouders, die zelf nog bij de Statenvertaling blijven, het zonder al te veel tegenwerpingen aan hun kinderen toestaan zo'n moderne Bijbel te gebruiken. Met als argument: 'Die kunnen ze beter begrijpen en dan lezen ze tenminste toch nog een bijbel...'. Ik denk ook dat de nieuwe bijbelvertaling die nu in de maak is (NBV), straks ook in handen zal komen van verschillende jonge mensen uit onze kring. Deze mensen zullen niet bij de Statenvertaling blijven, ook al is die op heel wat punten gereviseerd. In hun ogen blijft het toch een 'oude' vertaling, waar je beter bij moet nadenken dan bij een Bijbel die zo ongeveer geschreven is in de omgangstaal.

En dan zie ik ook nog gebeuren dat er heel wat mensen zijn die eenvoudig geen keus willen maken tussen de bijbel van de GBS en die van de nieuwe commissie. Zij zullen het liefst een van de al veel langer onder ons in omloop zijnde uitgaven van een van de bijbeldrukkers gebruiken. Zo gebeurde het immers ook na de verschijning van de GBS-uitgave en 'Editie '77'.

Al met al meen ik dat het draagvlak voor een herziening van de Statenvertaling veel te gering is. En dat de verdeeldheid onder ons nog meer zal toenemen. Ik ben bang dat de nieuwe bijbeluitgave polariserend gaat werken. Kerkenraden komen voor de keus te staan: Welke bijbel gebruiken we in de eredienst? Welke bijbel geven we aan bruidsparen mee? Zondagsscholen krijgen vergelijkbare vragen te beantwoorden. Om niet te spreken over schoolbesturen e.d. Ik zie er weinig heil in.

Is dat dan niet jammer? Ja, dat is zeker jammer. Het streven is te waarderen. De Statenvertaling is het waard om blijvend gebruikt te worden. In leesbare en verstaanbare vorm. Ja zeker! Vanuit die overtuiging heb ik indertijd van harte meegewerkt aan de 'Editie '77' en daar vele, vele uren arbeid in gestoken. Maar het resultaat stelde teleur. De herziene vertaling was ongeveer gelijk met die van de GBS klaar. De commissie besloot toen echter, in overleg met het Nederlands Bijbelgenootschap, met de publicatie nog even te wachten om eerst te zien wat de uitgave van de GBS zou doen. Het zou immers wel eens kunnen blijken dat er weinig of geen behoefte meer zou zijn aan de gereviseerde Statenvertaling. In 1977 meende men de conclusie te kunnen trekken dat er toch nog wel plaats voor deze revisie was. Toen kwam het tot uitgave. Maar de plaats die er uiteindelijk voor bleek te bestaan, was toch maar erg klein.

Het zijn deze ervaringen die mij ook nu erg somber gestemd doen zijn en die mij er ook toe hebben gebracht dit keer pertinent te weigeren bij de arbeid van de nieuwe commissie betrokken te raken. Helaas, onze gezindte is te zeer verdeeld. En dat op veel te veel punten!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 oktober 2002

Driestar bundels | 191 Pagina's

Herziening van de Statenvertaling of een nieuwe (gereformeerde) bijbelvertaling?

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 oktober 2002

Driestar bundels | 191 Pagina's

PDF Bekijken