Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De verbranding van Servet

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De verbranding van Servet

Lessen voor de kerkelijke gemeente in 2008

18 minuten leestijd

Al lange tijd is de verbranding van Servet als een schandvlek van de Reformatie gezien. Niet alleen de vijanden van Calvijn, maar ook degenen die zich tot zijn volgelingen wilden rekenen, hebben deze daad veroordeeld. Veel calvinisten schamen zich er voor en maar zelden wordt er genuanceerd over gesproken of geschreven. Op 27 oktober 1903 is er een herdenkingsmonument opgericht door hen, die zich zonen van Calvijn noemden. Op de steen staat: 'Fils respecteux et connaissants de Calvin notre grand reformateur mais condamnant une erreur qui fut celle de son siècle et fermemant attaches a la liberté de conscience selon les vrais principes de la reformation et de l'Evangile nous avons élevé ce monument, expiatoire Ie XXVII octobre MCMIII' (Dit monument is opgericht door zonen van Calvijn. Met eerbied en dankbaarheid jegens de grote reformator betreuren zij de dwaling, eigen aan de geest van zijn tijd, die hier begaan is tegen het grote goed van de vrijheid van geweten. 27 oktober 1903).

Overzicht
In dit artikel zal het eerst gaan over de vraag of we de verbranding van Servet moeten zien als een daad van Calvijn of als een daad van de overheid. Gaat het niet te ver bij de verbranding van Servet te spreken van 'Calvijns brandstapel' en wordt dit niet gedaan met het doel hem in een kwaad daglicht te stellen? Ook wordt nagegaan hoeveel invloed Calvijn op de verbranding van Servet heeft gehad. Had hij het kunnen voorkomen? Waarom heeft hij er in bewilligd? Een derde aandachtspunt is in hoeverre Calvijn bij dit gebeuren een kind van zijn tijd was. Moeten we daar begrip voor hebben? Of kunnen we met Guus Kuijer domweg stellen dat de hervormers misdadigers waren? Tenslotte wil ik hier aan de orde stellen welke lessen we hieruit kunnen trekken voor onze tijd. In hoeverre moeten christenen kinderen van hun tijd zijn? Waar liggen de grenzen? De vraag is ook of we mensen van vroeger mogen beoordelen met maatstaven van nu.

Poging tot ontmoeting
Servet is geboren in 1511, dus iets jonger dan Calvijn, en afkomstig uit het Spaanse Villanuova (als schuilnaam gebruikte hij wel de naam Michel de Villeneuve). Hij kwam vijfjaar voor Calvijn in Bazel aan en ook vijfjaar voor hem in Straatsburg. Later kwam het tot de fatale ontmoeting in Geneve. Overal waar Servet kwam, zaaide hij onrust in de kerk Het was in 1530, Servet was toen nog slechts negentien jaar oud, dat hij in Bazel kwam. Hij wilde met Erasmus spreken en wilde hem zo mogelijk voor zijn afwijkende opvattingen inwinnen. Hij verwierp de doop, loochende en bespotte toen al de goddelijke Drie-eenheid en wilde het geloof erin uitroeien. Dit stuitte op fel verzet bij mannen als Oecolampadius, die hierover met hem redetwistte. Vanwege de kerkelijke tegenstand en verontwaardiging over zijn opvattingen, moest hij vluchten. In Bazel werd hem ook verboden zijn boeken te laten drukken. Hij legde in 1531 zijn dwalingen vast in een boek over de Drie-eenheid. Hij verbleef daarna in Parijs, waar hij geneeskunde studeerde.
Calvijn heeft geprobeerd hem in die tijd op te zoeken en te spreken, en dat met gevaar voor eigen leven. Het was nog niet lang na Calvijns 'subita conversio', zijn plotselinge bekering in 1533, want het was in 1534. Calvijn, die toen 25 jaar was, had Noyon verlaten en was naar Parijs gekomen om hem daar te ontmoeten. Servet strooide in die tijd overal zijn dwalingen uit en dit ging Calvijn zo ter harte dat hij er alles voor over had om Servet te stoppen in zijn goddeloze laster. Hij schrijft er later zelf van: 'Ik was bereid, te Parijs mijn leven te wagen, om hem, zo mogelijk, voor onze Heiland te winnen; maar ofschoon hij het offer zag, dat ik hem bood, nooit wilde hij er op ingaan.' Uitvoeriger vinden we het beschreven door Beza, Calvijns eerste biograaf, die ervan zegt: 'Enige tijd daarna ging Calvijn weer naar Parijs, zich echter daar niet al te zeer in het openbaar vertonende, omdat het er voor hem niet veilig was. Daar in dien tijd Michel Servet daar was, die van toen af zijne dwalingen begon uit te strooien, weigerde Calvijn niet met hem te spreken, ten einde te trachten hem daarvan terug te brengen, of wel, hem met Gods Woord te bestraffen. Daarom werd bepaald dat zij op een bepaald uur, en in een aangeduid huis aan de Rue St.-Antoine, zouden samenkomen; doch Calvijn, op den gezette tijd, niet zonder gevaar voor zijn leven, verschijnende, kwam tevergeefs, ofschoon hij lang op Servet wachtte.' Beza ziet Calvijns poging als door God ingegeven en schrijft dat hij 'als van God getrokken werd', doelend ook op het levensgevaar waarin Calvijn daardoor kwam. Doumergue, een later biograaf van Calvijn, zegt van Servet: 'Het schijnt, dat Servet altijd alles gedaan heeft, om datgene te verhinderen, wat hem bewaard zou hebben voor zijn treurig uiteinde, hetwelk even vreselijk voor hem, als voor het Protestantisme was.'

Servets dwalingen
Ontliep Servet Calvijn in Parijs, hij stelde alles in het werk om hem zoveel mogelijk tegen te komen in zijn geschriften. Dr. L. Praamsma zegt ervan in zijn biografie: 'Servet is de man die tegenover Calvijns Institutie zijn Restitutie zal plaatsen, tegenover Calvijns theïsme zijn pantheïsme; tegenover Calvijns kerkleer zijn individualisme en de botsing van beide systemen zal eindigen op een brandstapel, waarvan de rosse gloed voor velen de nagedachtenis van Calvijn blijvend zal vergezellen.' Overal waar hij kwam, kantte Servet zich tegen de Bijbelse godgeleerdheid. Op 15 maart 1538 vond in Parijs een debat plaats over sterrenwichelarij. Daarbij maakte Servet zich ook bij de Roomse overheid verdacht. De staat had de astrologie verboden en de universiteit van Parijs begon daarom een proces tegen Villanovanus, een schuilnaam voor Michel Servet.
Servets dwalingen zijn algemeen veroordeeld en verworpen, ook door de roomskatholieke kerk. Hij waagde het om over de heilige Drie-eenheid te schrijven door een vergelijking met het driekoppig hellemonster, Cerberus. Hij bestreed de erfzonde, de kinderdoop en de rechtvaardiging door het geloof. Christus zag hij niet als de eeuwige Zoon van God, maar Hij was volgens hem slechts een mens die de naam 'zoon van God' kon dragen. In de jaren 1545 en 1546 vond een briefwisseling plaats tussen Servet en Calvijn, die laatstgenoemde vanwege de buitengewone heftigheid en hardnekkigheid beëindigde. Zijn boek Christianismi Restitutio publiceerde Servet anoniem in het jaar 1553, duidelijk als tegenhanger van Calvijns Institutie. In de laatste uitgave van de Institutie in 1559 heeft Calvijn zijn argumentatie tegen Servet duidelijk weergegeven en weerlegd, op alle plaatsen waar diens opvattingen aan de orde komen. Na Servets dood werd Calvijn hierover aangevallen door zijn vroegere vriend Castellio, die zich van Calvijns opvattingen had afgekeerd. Calvijn schreef daarop zijn Verdediging van het rechtzinnig geloof in de heilige Drie-eenheid.

Servets veroordeling
Na zijn studie in Parijs werd Servet omstreeks 1544 lijfarts van de aartsbisschop van Vienne. In zijn paleis werkte hij aan zijn geschriften, waardoor hij zijn dwalingen wereldkundig wilde maken. Een Franse vluchteling. De Trie, had met grote moeite bezwarend materiaal uit handen van Calvijn weten te verkrijgen en droeg er zorg voor dat Servet door de inquisitie werd gevangen genomen. Op 4 april 1553 werd hij gearresteerd door de Roomse grootinquisiteur in Vienne, Matthieu Ory. Servet ontsnapte evenwel en vluchtte naar Geneve. Men kan zich afvragen waarom hij zich waagde in de stad waar Calvijn woonde en werkte, maar wellicht was het zijn voornemen om Calvijn van zijn positie te verdringen om diens plaats daar in te nemen. Hij scheen de wind mee te hebben, want de overheid was net in die tijd niet erg op de hand van Calvijn. Deze wist de overheid echter toch te bewegen Servet gevangen te nemen. Na een door Calvijn geleide kerkdienst in de Madeleine werd Servet aangehouden. Servet liet zich evenwel niet uit het veld slaan en stelde zich uitdagend op; hij spande zelf een proces tegen Calvijn aan. Hij vond dat Calvijn als een 'tovenaar' moest worden verbannen en dat Calvijns bezittingen hem moesten worden geschonken. Overmoedig verwachtte hij dat hij het proces zou winnen en dat dit, zoals toen wel te doen gebruikelijk was, wellicht zou eindigen met de dood van Calvijn.
De libertijnen in de raad wilden evenals Servet dat advies zou worden ingewonnen van andere Zwitserse steden. Dit viel anders uit dan gedacht: allen adviseerden Servet te veroordelen. De predikanten van Schaffhausen vatten de meningen samen door te stellen dat Servets leer 'een kanker was in de boezem van de kerk'. Toen deze de gelegenheid kreeg om in Frankrijk berecht te worden, smeekte hij om dit toch in Geneve te doen. Zowel Farel als Calvijn hebben zich nog ingespannen Servet van zijn dwalingen af te helpen, maar deze volhardde in zijn opvattingen. De raad van Geneve heeft hem daarop ter dood veroordeeld volgens de Lex Carolina, de wet van het Heilige Roomse Rijk van Karel V. Weliswaar was er een nieuwe constitutie of grondwet geschreven, waaraan (nota bene!) Calvijn als jurist had meegewerkt en waarin de doodstraf voor ketterse overtuigingen niet werd toegepast. Hoe het zij, Calvijn heeft toegestemd in de doodstraf van Servet, al heeft hij zich ingespannen voor een mildere straf, bijvoorbeeld door onthoofding. Ook heeft hij korte tijd voor de ten uitvoerlegging van het vonnis nog geprobeerd Servet tot andere gedachten te brengen. Dood door verbranding werd echter het vonnis. Op 27 oktober 1553 is Servet op 42-jarige leeftijd in Champel, even buiten Geneve, op een brandstapel omgebracht.

Een hedendaags karikatuur
Heeft Calvijn in dit alles een onheilig genoegen gehad? Is het waar, wat iemand als Guus Kuijer in zijn boek Het doden van een mens (Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2007) schrijft, namelijk dat onze hervormers misdadigers waren? Kuijer beweert dat Servet op aanstoken van Calvijn is verbrand. Het zou het gevolg zijn van een 'logische' gedachtegang: Wie niet gelooft moet uitgeschakeld worden. De dogmaticus Calvijn zou elke rationele discussie uit de weg zijn gegaan en zijn tegenstanders niet hebben willen verslaan met argumenten, maar door marteling en voorbedachte moord. 'Kerkleiders en zelfverklaarde profeten als Calvijn' zouden de verbreiding van heilige teksten zoals de Bijbel hebben tegengegaan! Hij gooit Calvijn met alle rooms-katholieken op een hoop om ze in overdrachtelijke zin af te branden door felle beschuldigingen, zoals: 'Het martelen en levend verbranden van mensen met afwijkende ideeën was dure christenplicht.' Op deze wijze wordt in onze tijd voortgeborduurd op de poging om Calvijn en het calvinisme te bestrijden door de dood van Servet op diens rekening te zetten. Hij zet Calvijn op één lijn met Mohammed Bouyeri die Theo Van Gogh vermoordde en daarbij beweerde te handelen in opdracht van God.
Graag schilderen zijn vijanden Calvijn af als een wreed despoot, die in Geneve een dictatuur vestigde zonder liefde of menselijkheid. Boeken als deze vertellen ons evenwel meer over de auteur en diens opvattingen dan over Calvijn.

Calvijns verantwoordelijkheid
Hoever strekte nu bij dit alles werkelijk de verantwoordelijkheid van Calvijn? Wat bewoog hem? Waarom heeft hij Servet aangeklaagd en toch ook bewilligd in diens dood? Het zijn vragen die we moeten beantwoorden met kennis van de tijd waarin Calvijn leefde. Hoe lagen de verhoudingen bijvoorbeeld tussen overheid en kerk? Als we de zaken eerlijk weergeven moeten we allereerst stellen dat de overheid en niet de kerk deze brandstapel heeft gewild. Het is overduidelijk dat de overheid in die dagen overal gewend was te vuur en te zwaard staatsondermijnende activiteiten te bestrijden. Als zodanig werd Servet in zijn tijd in alle landen gezien. Europa werd bedreigd door de oprukkende Turken, die tot in Wenen gekomen waren. Zij brachten hun godsdienst, de islam, mee en kenmerkend daarvoor was de hartstochtelijke loochening van de Drie-eenheid. Iemand die hen daarin bijviel, zag men als een deserteur, een overloper naar de vijand. In Heidelberg zijn in die tijd enkele antitrinitariërs gevangen genomen. Een van hen ontvluchtte naar Byzantium, naar de Turken. Daar meende hij veilig te zijn. De overheid in Geneve zag het loochenen van de Drie-eenheid ook als een staatsgevaarlijk misdrijf. De raad veroordeelde hem daarom tot de brandstapel. Ook in andere landen hing hem een soortgelijk vonnis boven het hoofd. In Spanje was in opdracht van de rooms-katholieke kerk al een stropop verbrand omdat men hem persoonlijk niet te pakken kon krijgen. Geneve vormde met een dergelijke strafjpraktijk dus geen uitzondering. Het gaat niet aan om deze pijnlijke dood op Calvijns rekening te zetten. Wel is het waar dat Calvijn met de doodstraf instemde en eraan heeft meegewerkt dat Servet voor zijn ketterijen gestraft werd.

Calvijns aandeel
Onze reformatoren waren geen revolutionairen, maar ze bestreden revolutionaire krachten die de samenleving omver dreigden te werpen. Ze waren ten aanzien van het maatschappelijke leven in zeker opzicht kinderen van hun tijd. Paulus was dit overigens ook; denk aan het instituut van de slavernij in zijn dagen. Hij heeft dit niet afgeschaft, maar wel door de liefdesbevelen in zijn brieven ontkracht. Calvijn heeft de doodstraf die overal in zijn dagen werd uitgevoerd, geaccepteerd. Hij aanvaardde deze ook voor een godslasterlijke ketterij. De vraag die we daarbij mogen stellen is of hij daardoor Gods geboden heeft overtreden. Ook kunnen we ons afvragen of hij de geboden van zijn land heeft overtreden, wat indirect tegen Gods gebod zou zijn. Beide vragen moeten we negatief beantwoorden. Zelfs in onze geloofsbelijdenis wordt ondersteund wat de overheid van Geneve deed. We belijden in artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis dat God 'de Overheid het zwaard in handen heeft gegeven tot straf der bozen en bescherming der vromen. En hun ambt is, niet alleen acht te nemen en te waken over de Politie, maar ook de hand te houden aan den heiligen Kerkedienst; om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valsen godsdienst.'
Calvijn voelde zich als 'wachter op Sions muren' (Jes. 62:6) verantwoordelijk voor de geloofsleer die in Geneve verkondigd werd. Zijn houding tegenover Servet is in het begin duidelijk open geweest en hij was bereid tot een gesprek. Toen hij ervaren had dat Servet voor geen enkele toenadering openstond, geen gesprek wilde en al helemaal geen wijziging van zijn on-Bijbelse leringen overwoog, veranderde zijn opstelling tegenover hem. Calvijn handelde beslist niet uit haatgevoelens zoals je die soms bij vijanden van Calvijn kunt bemerken. Zijn liefde tot de waarheid Gods en tot de God der waarheid waren zijn drijfveren. Hij besefte dat wat in de Geloofsvorm van Athanasius staat, beleden moet worden. De eerste drie artikelen van deze belijdenis luiden: 'AI wie behouden wil worden, moet voor alles het algemeen geloof vasthouden; als iemand dit niet volledig en ongeschonden bewaart, zal hij ongetwijfeld voor eeuwig verloren gaan. Het algemeen geloof nu is dit, dat wij de ene God in de Drieheid en de Drieheid in de Eenheid vereren'. Om die reden wilde hij dat het vergif van de ketterijen van Servet, dat andere mensen onzeker maakte of van de waarheid aftrok, uitroeien. Hij keurde hierbij inderdaad de doodstraf door de overheid goed, ja, wilde zijn gezag ook aanwenden om deze te handhaven. Aan Farel heeft hij op 13 februari 1546 geschreven: 'Nam si venerit modo valeat mea autoritas, vivum exire nunquam patiar.' (Komt Servet ooit naar Geneve, dan zal ik, als ik de macht daartoe nog heb, hem niet levend laten gaan.)
We kunnen nu zeggen dat Calvijn meer de oudtestamentische opvattingen koesterde over het toepassen van de doodstraf dan de nieuwtestamentische, maar laten we daarbij wel beseffen dat het in Geneve ging om burgerlijke wetten die gehandhaafd moesten worden, iets waar in de nieuwtestamentische tijd de Romeinse overheid voor zorgde.

Reacties
Hoewel Calvijns vijanden de terechtstelling van Servet hebben aangegrepen om hem in een kwaad daglicht te stellen, toch waren er in zijn tijd ook veel reacties van mensen die verheugd waren om de overwinning van de waarheid. Melanchthon, die toch als zachtmoedig bekend staat, schreef bijvoorbeeld: 'Ik dank de Zoon van God, die in deze uw strijd de beslissing heeft gebracht. Ook aan u is de kerk dank verschuldigd en ze zal hem in alle toekomst schuldig blijven. Ik zeg u dat uw overheid goed gehandeld heeft, toen ze deze lasteraar na een behoorlijke rechterlijke uitspraak ter dood liet brengen.' Van humanistische zijde is evenwel fel gereageerd, zoals bijvoorbeeld door Simon Sulzer, kerkelijk leider sinds 1552, protestant en humanist. Hij was eerst met Calvijn bevriend, maar richtte zich nu tegen Calvijn en zag de dood van Servet 'als einen schrecklichen Rückfall in die dunkelste Zeiten des Antichrists.' Ook anderen, zoals Sebastian Castellio, een vroegere vriend, keerde zich fel tegen hem. Theodoras Beza schreef evenwel in zijn Vie de J. Calvin van Servet: 'non pas homme, mais plustot un monstre horrible compose de toutes les heresies anciennes et nouvelles.' Hij sprak van een 'juste jugement de Dieu et des hommes.' De excuusherdenking en het monument waarvan hierboven gewag is gemaakt en waarbij onder andere de Calvijnbiograaf Doumergue een rol heeft gespeeld, waren bedoeld om de haat tegen Calvijn af te keren en het gebeurde te relativeren. Het lijkt me beter om te proberen er lessen uit te trekken voor onze tijd.

Lessen voor nu
Wat zijn de lessen van de veroordeling van Servet voor de kerkelijke gemeente in 2008? Laten we allereerst leren dat het niet billijk is om een gebeurtenis uit het verleden te beoordelen naar huidige moderne maatstaven. Iemand handelt binnen het kader van de wetten en gewoonten van zijn tijd. Het vraagt een bijzonder inlevingsvermogen om iemands handelen van enkele eeuwen geleden eerlijk te beoordelen. In de tweede plaats: Of een bepaalde handelswijze goed of kwaad is, kunnen wij vanuit de normen en waarden van onze tijd niet beoordelen. Daar moet het oordeel Gods over gaan. Het gaat er om wat God goed vindt of wat Hij afkeurt in Zijn Woord. Dit geldt ook voor alle handelen in onze tijd.
In de derde plaats mogen we ons wel afvragen wat de drijfveer van iemands doen of laten in het verleden was, voor zover deze diepere motieven zichtbaar werden of zelfs uitgesproken zijn. Bij Calvijn is het duidelijk geen haat tegen Servet geweest die hem dreef, evenmin als starre hoogmoed, waar hij veel van beticht werd. Hij had een warme liefde tot de waarheid en tot het heil van de mensen die onder zijn verantwoording vielen, zoals uit heel veel zaken blijkt. Ieder die zijn leven eerlijk bestudeert, zal dit opvallen. Hier is geen plaats om er de bewijzen voor aan te voeren. Laat ik volstaan met het oordeel van John Knox, de reformator van Schodand, die van het Geneve van Calvijn zei: 'the maist perfyt schoole of Chryst'. Wij mogen ons wel afvragen of wij zoveel waarde hechten aan de waarheid dat we er ons leven voor over zouden hebben. Ongetwijfeld zou men Calvijn verweten hebben, als hij Servet zou hebben laten gaan: 'Hij neemt het zo nauw niet met de waarheid.'
Een vierde les mag zijn dat het burgerlijk straffen en de kerkelijke tucht wel goed onderscheiden dienen te blijven. Kerkelijke tucht is slechts medisch en straft nooit vergeldend. Ze zoekt het behoud van de zondaar. Burgerlijke straffen zijn wel vergeldend en hebben ook de veiligheid van de samenleving op het oog. De dood van Servet mag niet gezien worden als een kerkelijke straf, maar als een burgerlijke straf. Servet was dan ook aangegeven bij de overheid. Calvijn had in zijn dagen soms veel invloed op de overheid en hielp Geneve met nieuwe burgerlijke wetten (waarin overigens voor de doodstraf vanwege ketterij geen plaats was ingeruimd!), maar hij was toch de overtuiging toegedaan dat de doodstraf voor Servet gerechtvaardigd was. Laat het voor ons een vijfde les uit deze geschiedenis zijn dat we de doodstraf slechts daar moeten gebruiken waar ze als vergelding voor het bloedvergieten van mensen door God aan alle mensen wordt geboden (Gen. 9:6) en dat we de burgerlijke wetten met hun doodstraffen uit het Oude Testament niet behoeven in te voeren.

Samenvattend
Een overheid die Calvijn zeker niet in alles welgezind was, heeft Servet tegen Calvijns wil tot de brandstapel veroordeeld. Men wilde geen tolerantie voor religieuze opvattingen die de stad overal verdacht zouden maken als staatsgevaarlijk. Calvijn voelde zich verantwoordelijk voor de verkondigingen van de Bijbelse leer der zaligheid. Hij wilde een mildere doodstraf, maar kon niet toelaten dat een leer verkondigd werd waardoor mensen zeker zouden verloren gaan.

Literatuur:
Bernard Cottret, Calvijn, biografie. Kampen, 2005.
E. Doumergue, Calvijn in het strijdperk (UI), Amsterdam 1904
Guus Kuijer, Het doden van een mens, Athenaeum-Polak & Van Gennep 2007
Herman J. Selderhuis, Calvijn een mens. Kampen 2008
Drs. J.J. Poort, Voetsporen van Calvijn, 1e druk, Utrecht 1997
Dr. L. Praamsma, Calvijn, z.j.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 24 september 2008

Driestar bundels | 146 Pagina's

De verbranding van Servet

Bekijk de hele uitgave van woensdag 24 september 2008

Driestar bundels | 146 Pagina's

PDF Bekijken