Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Overste Leidsman.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Overste Leidsman.

8 minuten leestijd

Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertoonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de Ouderlingen, en Overpriesters en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden. Matth. 16:21.

Van toen aan begon Jezus zijn discipelen te vertoonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, om te lijden en sterven en op te staan. De uitdrukking „van toen aan" en het werkwoord „begon", geven duidelijk te kennen, dat een mijlpaal werd gepasseerd, toen de Christus den tijd gekomen achtte cm Zijn discipelen van den lijdensweg te onderrichten. Bovendien wijst het woord vertoonen er op, dat Hij dit opzettelijk en duidelijk deed. Vertoonen toch is meer dan zeggen, want het geeft te kennen, dat men aanschouwelijk maakt, wat men onderwijst. De Christus onderwees Zijn discipelen van toen aan, dat al deze dingen alzoo geschieden moesten.
„Van toen aan!" Dit woord stelt ons voor de vraag, waarin de Heere Jezus aanleiding nam om Ziji discipelen voor te bereiden op de smartelijke dingen, die Hem stonden te wachten. En het antwoord moet gevonden worden in de geschiedenis, die ons in het voorafgaande is medegedeeld. Welke geschiedenis is dat?
De Heere was met Zijn discipelen in Caesarea Filippi en vroeg: „Wie zeggen de menschen, dat Ik, de Zoon des menschen, ben?" En de discipelen antwoordden: „Sommigen: Johannes de Dooper, en anderen Elia, en anderen Jeremia, of een van de profeten." Uit de Schrift weten wij, dat het volk de wederkomst van Elia verwachtte, en de Christus zegt van Johannes den Dooper, dat hij is de Elia, die komen zou (Matth. 11 : 14). De menschen hielden den Zoon des menschen dus voor een der profeten, die zou zijn opgestaan, althans voor een profeet.
Nog altoos gaat die vraag door de wereld: „Wie zeggen de menschen, dat Ik, de Zoon des menschen, ben?" en nog altoos komt het antwoord der wereld op hetzelfde neer. De man van Nazareth is een profeet onder de profeten. Men geeft Hem een plaats onder de „godsdienststichters", acht dat Hij een buitengewoon mensch moet geweest lijn, wil Ham wel een profeet heeten, doch met dat alles is het antwoord niet duidelijk geworden. Wie de Zoon des menschen is, blijft dan een verborgenheid.
Trouwens de menschen kunnen niet anders antwoorden op deze vraag dan zij doen. Immers de w ereld kent Hem niet, want de natuurlijke mensch verstaat niet de dingen, die des geestes Gods zijn.
Maar, waarom vraagt de Heere het dan? Waarom gaat H>i voort, met het ook aan de discipelen te vragen: „Maar gij. wie zegt gij, dat Ik ben?" Let ook O') de tegenstelling, die uit de vraag van den Christus b'ijkt. Maar gij, gij discipelen, weet gij het dan? De mensch?n weten het niet, doch wat antwoordde nu de kring der bevoorrechten, die bij Hem waren?
„Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God," zoo zegt Petrus.
Simon, zoon van Jonas, vleesch en bloed heeft u dat n'et geoD'nbaard. Ook de discipel kan uit zichzelf niet weten, dat Jezus de Christus Gods is, evenmin als de menschen, die zeggen: Hij is een der profeten. Doch de Christus heet hem zalig; „Zalig zijt gij, Simon Bar Jona, want vleesch en bloed heeft u dit niet geopenbaard, maar Mijn Vader, die in de hemelen is."
Veel hebben de menschen gesproken over deze belijdenis van Petrus en meer nog over hetgeen er volgt, als de Christus zegt: „op deze petra zal Ik Mijne gemeente bouwen". De Midaeleeuwsche Kerk heeft daarop het Pausdom gebouwd. Doch afgezien nog van de vraag, wat deze woorder,^ot Petrus aan de Kerk des Heeren hebben te leeren, komt het ons voor, dat de vraag tot en het antwoord van Petrus heel wat anders heeft te zeggen.
Of heeft de Heere niet een reden bij zichzelf gehad, om zulk een vraag te stellen, ofschoon Hij toch wist, dat vleesch en bloed omtrent Zijn hemelsche afkomst en goddelijke persoonlijkheid geen kennis draagt, tenzij de Vader in de hemelen het openbaart?
En als Hij na het antwoord aan Petrus er toe overgaat om Zijn discipelen aan te toonen, dat Hij veel moest lijden en sterven en opgewekt worden, is er dan geen betrekking tusschen dat vragen en dat onderrichten? Reeds vroeger hebben wij er op gewezen, dat de H. Schrift er zoo bijzonder nadruk op legt, dat Hij ons in alles is gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Nogeens, wij menschen zullen nimmer doorgronden de verborgenheid van dat innerlijke leven des Heeren, die de Zone Gods was en de menschelijke natuur had aangenomen. Doch één ding weten wij, dat Hij kwam om den Wil des Vaders te doen en dat Hij, die van eeuwigheid bij God was en God is, naar Zijn menschheid ook dien Wil des Vaders leerde verstaan, zeker op een voor ons verborgen wijze, doch waarbij de wijze van het menschelijk kennen was betrokken. De Schrift getuigt toch, dat Hij, hoewel Hij de Zoon was, gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen Hij heeft geleden. Die Schrift zelf is Hem daarbij tot een onderrichting geweest, wijl zij van Hem getuigt en Hij kwam om haar te vervullen.
Het is dan ook opmerkelijk, dat de Heere niet tot Petrus zegt Uw Vader, die in de hemelen is, heeft u dit geopenbaard, maar Mijn Vader. Hij zelf ontving een goddelijk antwoord uit dat van Petrus. Zijn Vader spreekt in de belijdenis van Petrus.
Het was een gewichtig oogenblik in verband met de vervulling van het Middelaarswerk voor den Christus zelf. toen dat antwoord van Zijn Vader uit Petrus' mond Hem tegenklonk en dit wordt ons be vestigd uit Johannes 17, waar de Heere aan den vooravond van Zijn lijden ook weer hetzelfde verband legt tusschen Zijn verheerlijking en de bekentenis van Zijn discinelen. Men leze dat Hoofdstuk, en lette vooral op het eerste vers in verband m<" het achtste: ,,en zij hebben waarlijk bekend, dat Ik van U uitgegaan ben, en hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt."
Daar zegt Hij ook: ,,Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen, en nu verheerlijk Mij met de heerlijkheid, die Ik bij U had eer de wereld was."
Welk werk dan voleindigd was? Dat staat er bij: „Ik heb Uwen naam geopenbaard aan de menschen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt." (vs. 6). De Christus verdeelt dus Zijn werk in het eene deel, dat bedoelt den Naam des Heeren te openbaren, en het andere, dat Hij zelf stelt in het licht Zijner verheerlijking: lijden, sterven en opgewekt worden. De belijdenis Zijner discipelen: „Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God" was voor den Heere een goddelijke aanwijzing, dat Zijn werk voleindigd was.
Van toen aan begon Hij Zijn discipelen te vertoonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem. En uit het evangelie van Johannes wordt zoo heel duidelijk de onderscheiding van degenen, die de Vader Hem gegeven heeft, en de wereld, die Hem niet heeft gekend. Van de verheerlijking op den berg mogen de discipelen dan ook geen mededeeling doen. Dat is voor de Zijnen.
Petrus behoort tot de Zijnen. „Zalig zijt gij, Petrus, want vleesch en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader die in de hemelen is." En Petrus is niet slechts een klinkend metaal of een luidende schel geweest. Hij was niet slechts een spreektrompet, waardoor de Christus den Wil des Vaders verstond. Immers, niemand zal zeggen, dat Petrus Hem niet liefhad.
Hoor slechts, hoe hij het woord omtrent het lijden ontvangt: „Heere wees U genadig, dit zal U geenszins geschieden." Doch, hoe weinig verstond Petrus van den Wil des Vaders en de genadegave Gods in Christus.
Hij wordt thans een Satan genoemd door denzelfden mond, die hem straks zalig sprak: „Gij zijt Mij een aanstoot, want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die des menschen zijn."
Welk een conflict! Wij komen daarop terug, doch bewijst ook deze plaats niet, dat de belijdenis van Petrus geen aanleidirg mag zijn om Petrus te verheffen tot een stedehouder Gods?
Veeleer leert ons de H. Schrift, dat de Christus in die belijdenis des Vaders welbehagen aanschouwt om aan de Zijnen het Koninkrijk te geven, hetgeen Hij hun door de overwinning des doods verwerven zal en dat de tijd Zijner verheerlijking nabij is.
Dezelfde genade, die Petrus zalig spreekt, wijst hem als een satan en aanstoot af, als hij het werk Gods in den weg treedt door menschelijke bedenkingen, doch hoe schoon verschijnt haar hemelsche luister in Hem, Wiens Woord uit oude tijden tot een verloren wereld kwam: Ik kom om Uw Wil te doen, o God.
S.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 februari 1932

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De Overste Leidsman.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 februari 1932

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken