Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gegronde roem des Geloofs.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gegronde roem des Geloofs.

19 minuten leestijd

Romeinen 8 vs. 33b: Wie zal beschuldiging Inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het die rechtvaardig maakt.

De apostel mag zich verlustigen in de verkiezende genade Gods. Hij vleit zich neer in de liefdesarmen des Heeren en mag zich daar volkomen veilig weten. Hij roemt niet in het vleesch, maar alleen in vrije genade. Hij zoekt den vasten grondslag zijner zaligheid niet in zichzelven, maar in den Heere.
Zijn grondslag, Zijn onwrikbre vastigheden
Heeft God gelegd op bergen Hem gewijd.
In het deugdenbeeld Gods is de vaste grondslag van des apostels heil. Hij is een verkorene Gods. Met en in die verkiezing is alles gegeven en bepaald wat tot het leven en de godzaligheid van noode is. Die verkiezing toch van Gods Kerk is geschied in Christus als het Hoofd der Kerk Hij is de Middelaar Gods en der menschen. Zoo roemt Paulus als een verkorene Gods. Op die verkiezende daad Gods zullen alle pijlen afstuiten als op een granieten muur. Zelfs het zwaarste geschut zal falen een bres in dezen muur te schieten. Deze is Mij een uitverkoren vat! Wie zal dit kunnen verhinderen of ongedaan maken? Tegenover alle beschuldigers, met al hun aanklachten, stelt hij slechts dat: verkorenen Gods. Deze belijdenis en dit getuigenis des geloofs ontbloot den mensch wel van alle waardigheid en verdienste in zich zeiven, maar doet hem volkomen zeker rusten in het werk Gods.
Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?
Paulus kan hen afwachten; ja, hij daagt hen uit met heilige vrijmoedigheid, wetende dat hij niets en niemand behoeft te vreezen.
Aan aanklagers ontbreekt het anders niet. Aan betwisters van deze vrijmacht en verkiezende liefde is geen gebrek.
Daar komt satan met zijn aanklachten. Hij gaat rond zoekende wien hij zou mogen verslinden. Een heirleger van gevallen engelen staat onder hem als hun hoofd. Hij heeft groote kracht en is zeer verwoed wetende dat hij een kleinen tijd heeft. Velen gelooven niet aan zijn bestaan in onze dagen. Maar wij zijn even zeker van zijn bestaan als van het bestaan der lieden, die zijn als kinderen, die het bestaan huns vaders ontkennen. Gijlieden zijt uit den vader den duivel en wilt zijne begeerten doen.
Zoolang nu die sterk gewapende maar de macht heeft over den zondaar, maakt hij het hem niet lastig. Maar hij is de verklager der broederen. Hij weet dat hij verslagen is, maar zal de verzenen der vrouw en van haar zaad vermorzelen. De duivel is afgekomen en heeft groote macht. Wat is er dan toch tusschen Paulus en den duivel voorgevallen! M. L., het is toch geen wonder dat satan zoo grimmig is tegen den apostel? Ge weet, toch hoe hij in zijn eertijds zijn gunsteling was. Satan kon Saulus opdrachten verstrekken als zijn vertrouweling. Hij was blazende dreiging en moord tegen het volk van Gods verkiezing. Maar ge weet hoe dat veranderd is. Saulus werd Paulus. Hij werd aan de macht des satans ontrukt door den verheerlijkten Christus, want hij was een uitverkoren vat. Ja, hebben wij niet doorleefd, dat de duivel ons voor eeuwig kwijt is? Hij is een verslagen vijand; zijn kop is verplet door Immanuël. Hebben Gods verkorenen niet, bij de verbondmaking met God drieëenig, verzoend zijnde met God, zijn dienst afgezworen en hem getart om hen te beschuldigen als hij kon? Hij is vergrimd sedert dien tijd. Hij zal doen wat hij kan. Zijne diepten zijn ons niet onbekend. Leverdet gij reeds slag met hem, man tegen man? Hij lastert en liegt, maar soms kleedt hij zijn beschuldigingen in den mantel van leugen en waarheid, zoodat zij hem niet herkennen. O, hij kan zoo helsch lasteren en liegen. Hij weet ook de zwakke plek in den muur van de stad menschenziel. Hij weet genoeg van hen om beschuldigingen aan te voeren. Hij kwam bij Paulus niet om de echtheid zijner bekeering te betwisten, zooals bij menigeen die ineenkrimpt bij de vraag: zou het nog wel waarheid zijn geweest! Neen, maar hij kwam met allerlei andere beschuldigingen. Dan brengt hij hun oprechtheid in verdenking; dan weer vraagt hij sarrend: Waar is nu uw God?
Zoo beschuldigt hij van datgene waaraan ze niet schuldig zijn, of wel vergroot de zonde en verduistert Christus. Maar neen, pak u weg, ik sta u niet te woord. Als ge een verkorene Gods wilt aanklagen ga dan naar den God der verkiezing en zie maar wat ge daar kunt uitrichten! Hebt ge hem nooit gevraagd ,hoe zijn bezoek was afgeloopen? Hebt ge hem nooit zien wegsluipen? Indien de duivel verlegen kon zijn, zoudt ge zeggen, hij was beschaamd! Maar dat kan de duivel niet zijn! Maar weet dat, als gij hem heilig moogt uitdagen en u als een verkorene Gods moogt aandienen, dat hij er nota van neemt. Hij gaat heen naar den bodemloozen put om te beraadslagen op nieuwe middelen tot den aanval. Wij wagen het er toch op hem met Paulus op te roepen en uit te dagen, als verkorenen Gods, tegen wien geen aanklacht wordt aanvaard. Zeker hun ongerechtigheid, hun dagelijksche overtredingen zijn vele, maar het kruis van Christus in Wien de Vader ons verkoor, is algenoegzaam.
Ook de beschuldigingen der wereld stuiten af op ons schild: een uitverkorene Gods! Zelfs, als de wereld eens waarheid zegt, niet om de waarheid te dienen, maar om hun vijandschap te koelen, kunnen ze geen succes behalen bij den Rechter van hemel en aarde. Het kan hen niet baten het vroeger leven van Gods kinderen tegen hen aan te voeren, want Hij die hen lief had met eene eeuwige liefde, gedenkt hunne zonden niet. Welzalig hij wiens zonden zijn vergeven, die van de straf voor eeuwig is ontheven. Dit zal Mij zijn als de wateren Noachs, toen Ik zwoer, dat de wateren Noachs niet meer over de aarde zouden gaan: alzoo heb Ik gezworen dat Ik niet meer op u toornen noch u schelden zal. Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere uw Ontfermer.
Vandaag scheldt de wereld hen voor fijnen, en morgen voor. . . . lieden die net zijn als zij, of eigenlijk nog erger, echte Farizeërs. Ze beschuldigen en klagen aan met hun mond en hun hart beide. Ze beschuldigen Sion voor God en menschen.
Zeg der wereld, dat zij terecht uw vroeger leven veroordeelen, en dat zij dat nooit zoo diep zullen kunen als gij zelf dat hebt gedaan, toen gij u den eeuwigen dood waardig kendet, maar: Gij zijt afgewasschen, gij zijt geheiligd, gij zijt gerechtvaardigd in den naam des Heeren Jezus en door den Geest onzes Gods.
En wat uw heden betreft, zeg der wereld (terwijl de Heere geve, dat gij als lichten moogt schijnen te midden van een krom en verdraaid geslacht) dat zij uw leven niet kan verstaan, maar dat gij van u zeiven zegt en waarachtig belijdt: Ik weet dat in mij, dat is in mijn vleesch, geen goed woont en dat nochtans niemand beschuldiging tegen u kan inbrengen bij den Rechter, want een uitverkorene Gods heeft vrijen toegang tot de bloedfontein die geopend is tegen de zonde en de onreinheid van het Huis Jacobs en de inwoners van Jeruzalem.
Maar, al nu uw eigen geweten de zonde tegen u in het veld wil brengen om u te veroordeelen, wat dan? Hoe kunt gij dan tegenover uw eigen geweten gaan staan?
Mijn lezer, de verkiezende genade bracht de vrucht der verzoening door Christus bloed. Het bloed van Jezus reinigt het geweten en stilt het volkomen. Ja, nu leerden wij verstaan, dat God meerder is dan ons hart.
Toch is het gewenscht, dat wij ook dezen beschuldiger aan het woord laten met alles wat hij weet in te brengen. Gods gekenden maakten allen kennis met een brandende consciëntie, door den gloed van Gods verbolgenheid ontstoken. Zij knaagt als een worm. Zij brandt als een vlam. Het hart slaat. Zij komt u tegen waar gij ook gaat of staat of nederligt. Zelfs uw dagelijksche bezigheden kunnen uw gedachten niet verstrooien. De duivel voegt hier zijn listen aan toe, om te drijven tot wanhoop. Hoe heeft deze beschuldiger volkomen gezwegen (hij draagt een geheel ander karakter dan wereld en duivel!)? Was het niet, toen langs den weg der vierschaar, God vrijsprak op grond van Christus werk? Toen daalde vrede in de ziel zooals nooit was gekend. Mijnen vrede geef Ik u, Mijnen vrede laat Ik u.
Doch, ook bij zijn dagelijksche overtredingen blijft het geweten spreken en veroordeelt de zonde, als stemme Gods in het binnenste. De Heere geve u een teedere conscientie om de afwijking spoedig op te merken. Wees te allen dage in de vreeze des Heeren. Niet, dat ik aireede volmaakt ben, zucht de apostel. Volkomen gerechtvaardigd, maar niet volkomen geheiligd, is Gods verkorene.
Daarom blijft er plaats voor de werking des gewetens in het binnenste. In dat geweten werkt de Heilige Geest en doet Gods wet glanzen.
Maar toch kan het geweten zijn beschuldigingen niet brengen aan den troon, zoodat de Rechter daarop veroordeelen zou. Neen, M. L., nu wordt hier door den verkoren zondaar beoefend: De rechtvaardige zal door het geloof leven.
Hij mag spreken tot zichzelven: Zeker ik heb gezondigd, wetend en onwetend, want wie zou de afdwalingen verstaan, maar nochtans heb ik vrijmoedigheid tot God. Zie Hij heeft mij uitverkoren in Hem, die het geslachte Lam is. Zoo zinkt hij neer op het offer; mag hij ervaren dat de Heere, die Sion verkoor geen zonde ziet in Jacob, noch overtreding in Israël. Met diepe verootmoediging en afkeer van alle zonde nadert hij tot zijn God en Vader in Christus die zegt: Ik delg uwe zonden uit als een nevel en uwe ongerechtigheden als een wolk: keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost.
Ge gevoelt wel zeer, dat wij thans niet spreken over de toeleidende wegen, maar over het leven des rechtvaardigen door het geloof. Wij hebben een vrijen toegang tot God, die ons verkoor, langs den verschen en levenden weg van Christus bloed. Het geweten echter als zoodanig draagt geen vergeving met zich; kan geen vrede geven, omdat het geweten dit ambt niet heeft. De vrede, de ervaring, dat alles goed is tusschen God en onze ziel wordt alleen gekend in het geloof, door den Heiligen Geest; rustende in dien God die hen verkoor en lief heeft met eene eeuwige liefde.
Maar toe staat het met de wet Gods?
De wet Gods zegt: Doe dat en gij zult leven. De wet Gods kan slechts verdoemen den overtreder en het leven eischen voor den wetsvolbrenger aan wiens werk niets ontbreekt. De wet is heilig en het gebod is zuiver rechtvaardig en goed. Als de misdadige zondaar sterft en voor eeuwig omkomt, is aan den eisch der wet voldaan. Welnu, de verkiezende genade beschikte den dood des Zoons van God in het vleesch. Het hoofd buigende gaf Hij den geest aan het kruis. De wet had niets meer te eischen. Ja, konden wij slechts eene eindige gerechtigheid voortbrengen onder het verbond der werken in den staat der rechtheid, Jezus heeft eene oneindige gerechtigheid opgeleverd. De straf die ons den vrede aanbrengt was op Hem. De verkiezende genade zorgde voor alles. Als verkorene Gods, langs den weg der vierschaar vrij geworden, mag hij zeggen: ik ben niet onder de wet maar onder de genade. De wet heeft niets van mij te eischen, ziedaar Immanuël! Mijn leven is met Christus verborgen in God. De wet brengt geen beschuldigingen in als wij haar kennen onder het gouden verzoendeksel in de Verbondsark. De wet kan op Christus en Zijn werk niets tegen hebben. Daarom kan Gods kind zonder verschrikking voor de wet leven, terwijl hij haar lief heeft als een kind den leefregel des huizes en haar begeert te houden door Christus krachten.
Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?
De zonde was groot en zwaar, maar die God, die Zijn volk verkoor, heeft ze gestraft. De zonde veroordeeld in het vleesch en Hij heeft Zijn eigen kind ten toon gesteld in zijn bloed. Zoo kan God den goddelooze rechtvaardigen en toch Zelf rechtvaardig zijn. Daarmede komen wij tot de volgende gedachte van onzen tekst.
God is het die rechtvaardig maakt.
Als wij de vraag stellen: maar Paulus gij beroept u tegenover al uwe beschuldigers op het feit dat gij een verkorene Gods zijt! Doch, hoe zijt gij tot die wetenschap gekomen? Hebt gij zelf maar gezegd dat geen aanklager terecht kan bij God? Neen, zegt Paulus, volstrekt niet. De roem mijns geloofs heeft zekere gronden. Ik dring mijzelf geen leugen op. Ook waag ik het niet op een onzeker misschien. Ge moet wel verstaan, dat ik eenmaal voor den Rechter heb gestaan. Ik heb het vonnis over mij geveld aanvaard. Zwijgend, met beschaamd aangezicht, stond ik voor God. Maar, die God, die den onschuldige geenszins onschuldig houdt, heeft mij vrijgesproken. De Rechter der aarde heeft recht gedaan en de verlorene werd behouden.
God is het die rechtvaardig maakt. Dit rechtvaardig maken wil zeggen, door Gods uitspraak vrijgesproken worden en zoo voor rechtvaardig geacht, voor rechtvaardig gerekend worden. Het is, als had de vrijgesproken zondaar in eigen persoon alle straf geleden en alle gerechtigheid vervuld, die Christus heeft gedragen en vervuld. Zoo verkondigt de Rechter dat Hij dien van schuld geheel bevrijdt, welken de beschuldigers tot de straf willen trekken. Zoo is aan het oordeel van verre de weg gesloten. Zoo dan zal de Heere geenerlei bschuldiging tegen hen toelaten noch opnemen, dewijl Hij hen van alle schuld vrijgesproken heeft.
Hoe weinig worden deze daadzaken gekend in onzen tijd. Hoe fel worden ze bovendien bestreden en verminkt. Ik spreek nu niet over de legerscharen naamchristenen van allerlei slag, en richting. Over de geloovigen van nieuw-gereformeerd of oud-confessioneel type, waar men tevergeefs zoekt naar het leven der genade. Thans wijs ik op een breeden kring van menschen die bevinding voorwenden. Zij hebben wel eens wat ondervonden. Een versje was hun dierbaar of een text had eenige kracht op hun gemoed. Maar zij verstaan niets van hun verdoemelijken staat voor God. Men grijpt beloften aan en nu is men toch wel een bekommerd Christen. Alles blijft verder bij het oude en dit gemoedsleven wordt slechts in wisselende vormen voorgedragen, terwijl men zich zegent toch een bekommrd Christen te zijn. Daar is een heirleger beredeneerde bekommerden, die een aanmerkelijk deel van het praat-christendom onzer dagen uitmaken in onze kringen.
Deze lieden behelpen zich, de een met zijn keuze, de ander met zijn belofte, de derde met een gezicht op Jezus. Maar hierin komen ze overeen, dat ze nooit een voet in de rechtzaal hebben gezet en een saamknooping van eigengerechtigheid en ongerechtigheid zijn. Men leeft zichzelven buiten God, met al zijn zoogenaamd zaligmakend licht in het gezicht. Het zijn slechts spranken van bun eigen vuur, waarbij zij zich verwarmen, terwijl ze de wateren drinken van hun eigen bornput. Neen, de Heilige Geest stelt den zondaar niet gerust buiten Jezus. De Heilige Geest bespot den Rechter niet. Doch er zijn ook anderen die terecht gewezen moeten worden.
De overtuigingen gaan dieper. Het schijnt dat het recht Gods werkelijk indruk maakt op de ziel. In zijn nood mag men wel eens adem scheppen, maar de overtuiging blijft. Doch de beloften des evangelies worden dierbaar. Bij oogenblikken grijpt men ze aan, en put er troost uit. Zoo gaat men zich rekenen bij het volk des Heeren. Doch de rechtzaal kent men niet. Wanneer nu de Geest waarlijk een goed werk begonnen is, en geen algemeene overtuigingen met evangelische aandoeningen in het spel zijn, (dat gebeurt ook vaak) dan zal straks weer de onvrede door de ziel schrijnen. Maar zij hebben geen vrede met God. Daarvan weten zij zelfs in de verte niets.
Zijn er ook anderen? Zeker, doch ik kan slechts enkele typen aanwijzen in dit verband. Kennen we hen niet, die als een verlorene het recht Gods waarlijk zijn toegevallen? Die den Heere Jezus mochten omhelzen en rijke zaligheid ervoeren in de ziel? Zeer zeker! En wij weten dat wij eenmaal met hen eeuwig God zullen groot maken. Zij hebben den schat in den akker gevonden. Zij hebben gezien en gevonden, O, welk een zaligheid was in hun ziel. Welk een vrede. Hun zonden waren bedekt door de liefde. Doch er is een zien, aanschouwen en vinden zonder nadere toepassing. Men kan zien en vinden zonder dat het geziene en gevondene toegepast eigendom is. Men kan omhelzen den zaligmakenden Persoon in het geloof en Hem toch niet bezitten, omdat Hij zich niet heeft weggeschonken. Maar, dit blijft waarachtig, dat nooit een natuurlijk mensch God in al zijn deugden heeft lief gehad. Zooveel liefde, als er van Jezus in de ziel is uitgestort, kan zij ook wederkeerig tot God en Jezus gevoelen. Jezus is nu het gepaste voorwerp geworden. De weg des levens en der verlossing is ontsloten. Die in den Zoon gelooft heeft het eeuwige leven en zal in de verdoemenis niet komen, maar is overgegaan uit den den dood in het leven. Zie, daar ligt de oceaan van Gods liefde in Christus. Werp mij in den oceaan van Jezus borgtocht en ik zal in Hem voor tijd en eeuwigheid zoo wegzinken als een steentje in de diepte van den oceaan. Zij krijgen oefeningen in onderhandelingen met Jezus. Zie, dat geloof is echt geloof. Hij mag het bij oogenblikken gelooven dat God een goed werk aan hem is begonnen, dat het bloed der verzoening voor hem is gevloeid. Ja, hij kan wonderlijk gesteld zijn. Maar hij houdt er zijn gemoed bij en een gerechtvaardigde houdt er zijn gemoed buiten, zoo is wel eens terecht opgemerkt. Wij weten dat onze grond alleen ligt in de deugden Gods, buiten ons.
Zij wenschen oprecht te worden behandeld. Zij wenschen ook oprecht en eerlijk met zichzelven om te gaan. Maar onder dit alles moeten zij nog leeren, welke vijanden van volkomen oprechtheid de natuur is. Men bidt, en voor zoover men weet is het oprecht, dat de Heere alle schadelijke wegen maar mag ontdekken, dat Hij hen er maar volkomen aan mag wagen. Men tracht zich door zelfkennis meer te mishagen om zoo meer naar Jezus uit te gaan. Doch als het er nu op aankomt, dat men zich geheel voor God moet verliezen en met al wat men geworden en niet geworden is moet wegvallen, dan komt juist de drang tot zelfbehoud met kracht naar voren. Men wil zich als verlorene voor God leeren kennen en toch niet verloren voor God zijn. Dat klinkt u misschien zonderling in de ooren. Begeeren wat men toch niet of slechts ten deele wil! Alleen waarachtige en wezenlijke vereeniging met Jezus maakt, dat wij de vrijspraak des levens kunnen wegdragen. Niemand kan dit uit de natuur verstaan. Hoe nabij men op dit punt mag gekomen zijn, hoe zuiver nagemaakt hun sleutels zijn, zij passen op dit geheimzinnige slot niet. De deur van den waarachtigen uitgang uit onszelven en ingang en overgang in Christus blijft hun gesloten. Menigeen houdt zich voor gerechtvaardigd; spreekt over vrijmaking, en openbaart zijn dienstbaarheid. O, mijn lezer, de acte is gepasseerd in de liefde van God en Christus, op den dag van Gods vrijmaking en welbehagen. Hij heeft Zijn Zoon in ons verheerlijkt. Dus aangenamen in Hem, die ons overnam toen wij onszelven ontvielen. Dit stuk is verzegeld tot op den dag der eeuwige verlossing. Nu spreken wij niet meer over en tot Christus, maar uit en door Hem, die als geschenk des Vaders met den Vader woont in het hart met den Heiligen Geest.
Mocht nu toch eens één zaak voor altijd vast staan en daarmee daadwerkelijk worden gerekend, dat niet de mensch de uitspraak der vrijspraak doet, maar God, en God alléén, door Zijn Woord en Geest. Die uitspraak Gods mag de mensch niet maken tot een conclusie. Want dan eigent hij zich wel de conclusie toe, maar de vrijspraak Gods ontgaat hem. Menigeen laat den zondaar opklimmen ter vierschaar Gods. Laat nu den zondaar pleiten op Christus verdiensten. Zoo wordt hij zijn eigen advocaat. En dan? Men eigent zich het voorwerpelijk vonnis Gods in Christus toe en. . . . dat is nu hun rechtvaardigmaking. Doch God heeft niet gesproken. Hier liggen groote gevaren voor zielsbedrog. Zoo leert God het Zijn volk niet. Men werd zondaar voor God. En toen?. . . . En dan?. . . . En verder? Geen antwoord!
De zondaar moet wegvallen voor God. God moet God zijn. Het valt niet moeilijk te beredeneeren, dat de mensch zonder de werken der wet wordt gerechtvaardigd, maar door de wet, der wet te sterven is iets gansch anders. In de rechterlijke rechtvaardiging is geen sprake van aangrijpen van den Christus. Wie verloren is voor God en zijn vonnis moet en wil aanvaarden, heeft niets aan te grijpen in die oogenblikken; evenmin als een drenkeling die wegzinkt in de diepte en daardoor geheel machteloos wordt, kan grijpen naar een reddingsboei. De zuivere, volkomen afsnijding geschiedt zonder gezicht zelfs op den Verlosser. Dat volgt ook zuiver theologisch gedacht uit de deugden Gods en den staat des menschen voor God.
Doch, nu kan Jezus zijn werk doen. Nu kan Hij dien verloren zondaar in het gezicht van den eeuwigen dood redden en zich aan hem openbaren en wegschenken, zooals wij in onze vorige overdenkingen mochten voorstellen. In de kracht van Zijn bloed, en bekleed met Zijn gerechtigheid in vereeniging met den Persoon kan, wil en moet God dien zondaar vrijspreken. De witte vlag des vredes wordt geplant. De zondaar mag daarbij wederkeerig Jezus omhelzen en toeëigenen in het geloof. Niet alleen dat de Middelaar zich wegschenkt, maar ook de Vader wijst Hem toe. Zoo wordt de vrede met God hersteld. Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede met God door onzen Heere Jezus Christus.
Wie zal beschuldiging inbrengen tegen uitverkorenen Gods? God is het die rechtvaardig maakt. Nog een gedachte moet hieraan toegevoegd.
De apostel zegt niet: God is het die gerechtvaardigd heeft, maar die rechtvaardigt. Doch daarmede moge onze volgende overdenking worden aangevangen.
Lezer: zijt gij rechtvaardig voor God? Kent gij den vasten grond des roemens? K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 november 1932

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Gegronde roem des Geloofs.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 november 1932

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken