Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De N.S.B. en wij.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De N.S.B. en wij.

9 minuten leestijd

De overheid heeft van Godswege de roeping het maatschappelijk leven mogelijk te maken.
Zij is om der zonde wil. Indien de menschen, die toch in den diepsten grond liefhebbers van zichzel. ven zijn, niet in toom gehouden worden door den sterken arm der overheid, dan zou de anarchie een hel blijken. Dan zou het inderdaad wel eens kunnen zijn, dat de menschen voor elkander als wolven waren. Zoodra de revolutie de volken overheerheerscht, wordt het openbaar, dat de samenleving ineenstort en de menschen zich als wolven tegenover elkander gedragen. De revolutionaire woelingen gaan dan ook altijd met bloedstorting gepaard, met uitbarstingen van wreedheid, die toonen, dat de natuurlijke mensch, hoe hij ook dwepen mag met naar het schijnt wonderschoone idealen van eene samenleving, waarin geen wanklank meer gehoord wordt, zich kan ontpoppen als een bloeddorstige hyena. Uit de geschiedenis herinneren wij ons de Fransche revolutie, die zelfs de guillotine uitvond om machinaal vele menschen in kort tijdsbestek om het leven te kunnen brengen. En nog versch ligt ons in het geheugen de hart ontroerende wreedheden, de bestial gruwelen, die de Russische omwenteling gekenmerkt hebben.
Dat geschiedt steeds in tijden, waarin er eigenlijk geen overheid bestaat, maar een tijdelijk revolutionair geweld, dat aan geene zedelijke orde zich onderwerpt en het gezag zich aanmatigt. Daarom is het voor het levensgeluk der volken van het grootste belang, dat zij eene wettige regeering hebben, waaronder zij een stil en gerust leven leiden kunnen, eene regeering, die de misdaad straft, de goddelijke zedewet handhaaft, omdat zij deze als Gods wet erkent en dus in de wetgeving toepast. En opdat de regeering deze hare goddelijke roeping zal kunnen volbrengen, het maatschappelijk leven zal handhaven door het te leiden in den weg der goddelijke wet, heeft zij behoefte aan machtsmiddelen, die haar in staat stellen hare taak te volbrengen.
En daar de volken nu een eigen leven hebben, een eigen maatschappelijk leven, heeft de overheid die machtsmiddelen noodig, die haar in staat stellen in eigen maatschappelijk bestaan de orde te handhaven, het volk te houden in onderworpenheid aan de wet Gods. En daarbij komt nu in de tweede plaats, dat elk volk leeft te midden van de wereld der volken. En daar ook die volkerenwereld onder de macht der zonde ligt, ook de volkeren liefhebbers zijn van zichzelven, eigen belangen hooger stellen dan die van alle anderen, worden zij ook maar al te dikwijls voor elkander een gevaar, belagen zij elkander en leggen zij het er op toe, des noods met geweld, ten koste van anderen zich rijkdom te vergaderen. De volken worden inwendig bewogen door expansie-zucht, door een con. currentie-drang, waaraan slechts kan worden voldaan door geweld. Dus is het zeer begrijpelijk, dat eene regeering, die zich van hare roeping bewust is, ook beschikken moet over de middelen, die haar in staat stellen het volksleven te beschermen, wanneer dit onverhoopt wordt bedreigd door vijanden van buiten. Een regeering behoeft dus de machtsmiddelen, die noodig zijn, opdat zij deze taak ten bate van het volksleven volbrengen kan.
Het is wel bekend, dat er vooral in onzen tijd na den oorlog een vlaag van ziekelijk idealisme ook door ons volk ging, die de menschen in den waan bracht, dat er nooit meer oorlog zou komen en dat men daarom aan de regeering de machtsmiddelen moest ontnemen. En zoo hooren wij zelfs nu nog de echo's van ontwapening, antimilitarisme, weerloosheid en wat dies meer zij. Het geroep is echter reeds wat geluwd, daar de vrees levendig is geworden, dat het toch nog niet zoo aangenaam zijn zou, als wij eenvoudig door ijverzuchtige naburen onder den voet zouden worden geloopen. Doch wie vroegen naar den eisch van Gods Woord en wat dit aan de overheid als goddelijke roeping oplegde, hebben nooit aan zulke ziekelijke, vooze idealistische droomen het oor kunnen leenen. Het Gereformeerde volk wees deze dwalingen af. En wie er in de kringen, die zich „gereformeerd" noemden, door werden meegesleept, hadden den grondslag der Gereformeerde beginselen reeds lang onder de voeten verloren. Het Woords Gods leert ons de werkelijkheid zien, ook en vooral de werkelijkheid der wereldzonde, daarom leert het geen weerloosheid, maar predikt het gezag, dat door de machtsmiddelen wordt gehandhaafd. En de overheid heeft daarbij haar eigen goddelijke roeping, gelijk zij de machtsmiddelen behoeft om deze te volgen.
Naar onze meening is het dan ook een geheel onjuist standpunt, dat in zake dienstweigering door de regeering ingenomen wordt.
Zelfs lieten de antirevolutionairen zich van het standpunt der volstrekte gehoorzaamheid aan Gods Woord afdringen door een uit den weg gaan voor de achtbaarheid der conscientie van de zijde der Overheid toe te staan in zake dienstweigering. De overheid toch heeft hare van God gegeven roeping na te komen en daarvan niet af te wijken, als er menschen zijn, die beweren, dat zij hare plichten maar moet verzaken met betrekking tot de landsverdediging. Het komt er slechts op aan, of de overheid in den rechten weg is, of zij waarlijk haren plicht doet. Eerst wanneer de Overheid dingen eischt van het volk, die hare van God haar opgelegde taak overschrijden, komt de vraag op, of zij gehoorzaamheid verwachten kan. Als de Overheid ons zou willen opleggen dingen te doen, die buiten haar terrein liggen en die met Gods Woord strijden, zou er grond zijn voor toepassing van het woord, dat wij Gode meer dan menschen gehoorzamen zullen. En dan zou de Overheid zich hebben te stellen voor de vraag, of zij soms hare ware bevoegdheden niet overschrijdt. Doch daarvan kan geene sprake zijn, als zij in de wettige uitoefening van haar overheidsambt, de machtsmiddelen vordert en bezigt, die zij behoeft voor de bescherming van het volksleven naar binnen en naar buiten beide.
En wanneer nu de N.S.B. in art. i i van haar program decreteert: „De staatsburgers vormen te samen één werkgemeenschap; op ieder hunner rust arbeidsplicht. Ter bevordering van de militaire en economische weerbaarheid van den Staat en van den gemeenschapszin wordt door iederen jongenman en jongedochter een verplicht arbeidsjaar ingevoerd" en in de toelichting daarop proclameert (blz. 29): „Afschaffing van den verminkten militairen dienstplicht met het daarbij behoorend onzedelijke lotingssysteem. Toekenning van weerrecht aan alle weerbare staatsburgers, die daarvoor waardig gekeurd worden", dan zal niemand ons ervan kunnen verdenken, dat wij tegen weerbaarheid en weerbaarmaking van het volk bezwaar zouden hebben.
Integendeel, wij zijn zelfs van oordeel, dat in de laatste halve eeuw onze regeering onder den druk van Marxistische invloeden, veel te veel heeft toegegeven aan allerlei ziekelijke idealistische theorieën. Ja, wij zijn van meening, dat Nederland met zijn groot overzeesch rijk uit militair oogpunt een onverantwoordelijke en lichtzinnige politiek heeft gevolgd door niet te zorgen, dat het militair op de hoogte zijner wereldpositie is. Dit verzuim zal zich naar ons oordeel te eeniger tijd wreken in het verlies dezer van onze Vaderen geerfde plaats in de ontwikkeling der wereld. Om onze taak als koloniale mogendheid met eere in te nemen, hadden wij behoefte aan een leger en eene vloot, in overeenstemming met de grootte onzer verantwoordelijkheid. Niemand zegge, dat wij deze niet hadden kunnen betalen, want indien men op ander gebied wat minder luxueus had geleefd, minder waanzinnig hooge salarissen en pensioenen had gegeven, zou eene militaire ontwikkeling voor de Indische volken een uitstekend opvoedingsmiddel gebleken zijn.
Zelfs voor de economische positie van Nederlandsch Indië en van het moederland beide, zou dit van groot belang gebleken zijn. Het staat nu zoo met ons, dat wij om de kans te hebben ons koloniaal gebied te behouden, letterlijk alle grootmachten moeten ontzien ten koste zelfs van de natuurlijke levensbanden tusschen moederland en koloniën. Nederland is in de tegenwoordige crisis in het geheel niet vrij in het voeren der economisch politiek, die eigenlijk noodig zou zijn voor Indië en Nederland beide. Dit is vooral in deze omstandigheden een zeer groot nadeel. De regeering moet nu iedereen naar de oogen kijken, terwijl wij moeten toezien, dat in ons eigen koloniaal gebied de eigen industrie wordt verdrongen. Dit is het noodzakelijk gevolg van deze lichtzinnige politiek van weerloosheid, die als laatste consequentie met zich zal brengen, dat „de Kompenie", zoodra er in de Stille Zuidzee een oorlog uitbreekt, wel kan heengaan. Met alle idealistische praatjes van ziekelijke droomers wordt er in de wereld niet gerekend. Of men het goed vindt of niet, het goddeloos acht of niet, de wereld bestaat nu eenmaal niet anders.
De verhoudingen zijn in laatste instantie machtsverhoudingen, die wij in het licht van Gods Woord beschouwen als resultaten van den val. De menschheid draagt het juk harer zonde en zal daarvan niet verlost worden door haar eigen wijsheid en kracht, ook niet door mooie idealen, want de hemel komt op deze aarde niet dan alleen in de zielen van Gods uitverkoren volk, dat de Heere Zich bereidt in de komst van Zijn Koninkrijk. De regeering echter heeft te rekenen met de voor haar liggende feitelijke gegevens. En deze hadden er haar vele tientallen jaren geleden reeds toe moeten leiden ""zorg te dragen voor de aanwezigheid van die machtsmiddelen,1 die haar in staat hadden kunnen stellen hare roeping tegenover volk en vaderland waarlijk te vervullen, vooral dan als de nood aan den man kwam. En tot ons leedwezen moeten wij zeggen, dat zij dit heeft nagelaten door gehoor te geven aan allerlei internationale leuzen en valsche sociale idealen in plaats van zich af te vragen, wat hare plicht vorderde. En als er één gebied is, waarop de verrotting der moderne democratie groote nadee. len aan onze volkspositie bereid heeft, dan is het op dit gebied. Ons regeeringssysteem, de volksvertegenwoordiging, ons volk zelf, hebben daarin groote schuld op zich geladen.
Wanneer dan ook de N.S.B. een bitteren klaagzang aanheft over den toestand onzer weermiddelen, wijst op de verwaarloozing en de zedelijke verwording in het leger, op de absoluut verkeerde mentaliteit, die onder ons volk stelselmatig werd aangekweekt onder socialistische leiding, op de vreeselijke gevolgen, die dit alles heeft voor heel de volksopvoeding, dan kunnen wij die klachten niet alleen verstaan, maar ook waardeeren.
Dat onze weermacht er uitsluitend behoort te zijn voor verdediging en niet voor aanval, spreekt van zelf. Maar een volk met zulk een groot overzeesch gebied, met zulk een zware verantwoordelijkheid als daaruit volgt, kan niet zonder een voldoende weermacht te land en te water beide. En wie nog niet is afgesleten door voos idealisme en leuterpraatjes over weerloosheid, wie nog iets voelt voor het erfdeel onzer Vaderen, die zal dit moeten inzien, dat het „Ik zal handhaven", het „Je maintiendrai" alleen wat beteekenen kan, indien de hand ook kracht heeft. Die kracht te hebben is eisch Gods aan regeering en volk gesteld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 juni 1934

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De N.S.B. en wij.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 juni 1934

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken