Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De N.S.B. en wij. - XIII.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De N.S.B. en wij. - XIII.

10 minuten leestijd

Wij zijn dus van oordeel, dat als de overheid haar wettige, wezenlijke taak vervullen zal, zij ook over de machtsmiddelen behoort te beschikken, die zij behoeft. Bovendien erkennen wij, dat de regeering zich vele jaren heeft laten meeslepen in eene, wat ik nu maar noemen zal, pacifistische richting, tengevolge waarvan zij voor de weermacht niet heeft gezorgd op eene wijze, die evenredig was aan de waarlijk groote verantwoordelijkheid, die op haar drukt. Een gebied van zoo groote uitgestrektheid als Nederland en het overzeesche territoir vertegenwoordigen, kan feitelijk geene genoegzame bestaanszekerheid bezitten zonder eene krijgsmacht te land en ter zee van voldoende beteekenis om zich redelijkerwijze te beschermen tegen aanvallen van buiten. Dat de regeering daaraan niet de noodige zorgen besteed heeft, is dan ook de oorzaak, dat het Rijk in Europa en overzee in dezen crisistijd bij lange na niet dien economischen weerstand bezit, dien het zou kunnen hebben, indien wij militair voldoende machtsmiddelen hadden. Nog dezer dagen hadden wij gelegenheid op te merken, hoe Japan op alles behalve internationaal fatsoenlijke wijze ons trachtte te intimideeren door een grooten mond op te zetten en te dreigen, als Nederland niet toegeeflijk genoeg zich toonde bij het toekennen van voorrechten aan den Japanschen handel op Nederlandsch Indië. Dat moge dan uitgegaan zijn van particuliere bladen van Japansche regeeringspersonen, het maakte toch een onbehagelijken indruk, dat alle mooie redevoeringen der officieele personen ten spijt, dergelijke tonen werden gehoord in de internationale pers. Dat zouden zij wel hebben nagelaten, indien Nederland voldoende had zorg gedragen voor zijne weermacht. Wie niet willens blind is, moet wel inzien, dat bij den tegenwoordigen toestand der wereld het absoluut onverantwoordelijk is, zulk een groot en kwetsbaar gebied zonder weermacht te laten. De pacifisten mogen dwepen met allerlei phantastische idealen over een eeuwigen vrede, het nuchtere feit is echter, dat wanneer ten gevolge onzer eigene dwaasheid, gemak- en weeldezucht, het overzeesch gebied ons ontvallen zou, en denkbeeldig is deze vrees allerminst, daarmede Nederlands bestaansvoorwaarde eigenlijk verloren zou zijn. De uitwerking daarvan op ons geheele economische en ook op ons nationale leven zou zoo geweldig zijn, dat de vraag zelfs zich zou kunnen opdringen, of wij dan nog wel voldoende bestaansmogelijkheid hebben. Ik ben althans van oordeel, dat met zulk eene catastrophe ons nationaal bestaan in het gedrang komen zou.
Wie deze dingen overweegt, die zal niet kunnen nalaten zich ernstig rekenschap te geven van onze tegenwoordige positie. Dat het N.S.B. program daarover eenige opmerkingen maakt, moet op prijs gesteld. En wanneer het verklaart: „wij willen eene krachtige weermacht, zoolang de volkeren, welke ons kunnen aanvallen, een nog krachtiger aanvalsmacht hebben", dan heeft dit onze instemming. En zoo kunnen wij ons ook vereenigen met de beschouwing, op blz. 23, van het programma: „In 1919 waren er dwazen genoeg, die het listig verzonnen verhaaltje geloofden, dat 's werelds laatste oorlog uitgevochten was. Nu in 1932 weet zelfs de meest onnoozele beter." Of dit laatste juist is moge betwijfeld worden, daar er zelfs nog zijn onder hen, die zich „gereformeerd" noemen, die in dwaas idealisme nog steeds weerloosheid als de hoogste wijsheid en ware godsvrucht prediken. Er zijn nu eenmaal menschen, zoo mystisch aangelegd, dat zij allen kijk op de werkelijkheid verliezen. En wanneer de N.S.B. onder de vergelijking van het konijn en den egel, die door den jachthond vervolgd worden, aan de houding van den egel de voorkeur geeft, dan kunnen wij ook dit wel begrijpen en aanvaarden.
Alleen maar rijst nu de vraag, wat er dan moet geschieden om ons volk in zulk een staat van tegenweer te brengen. En ook bij dat vraagstuk schijnt mij nu het program der N.S.B. mank te gaan aan een al te simplistische beschouwing. Wij hebben nu sinds den Napoleontischen tijd het systeem der conscriptie gehad. En zoolang de nationale samenhang in ons volksbestaan voldoende sterk was, kon dit systeem aan de eischen voldoen. Wij hadden, naar het oordeel der regeering, een bepaald aantal soldaten noodig. Allen, uitgezonderd dan eenige zonen en andere categoriën, die rechten op vrijstelling konden doen gelden, moesten aan de loting deelnemen. En als de medische keuring had plaats gehad, werden de dienstplichtigen aangewezen en ingelijfd. Ook bestond het remplagantenstelsel, dat hun, die het betalen konden, een voorrecht bereidde boven degenen, die minder met aardsche goederen gezegend waren. Inderdaad een zeer gebrekkig stelsel, dat echter in dagen van voorspoed en rust tot weinig bezwaren aanleiding gaf. Inden loop des tijds zijn er zeker allerlei verbeteringen in aangebracht, doch het beginsel van het systeem is gebleven.
Nu komt het mij echter voor, dat er reden is zich de vraag te stellen, of de tegenwoordige toestand, waarin ons volk geestelijk verkeert, nog wel van dien aard is, dat men dit systeem kan blijven toepassen. Was voorheen het besef van nationalen samenhang nog voldoende levendig onder ons volk, thans is dit niet meer zoo. De verwording, die ons democratisch leven heeft aangetast door de indringing van sociaal-democratische en communistische mentaliteit, gesterkt door het gebrek aan gezonden weerstand van de zijde der regeering, is de oorzaak, dat de vraag bestaansrecht heeft, of het sinds Napoleon bestaande systeem van recruteering nog wel passend is voor onzen tijd. Wij weten allen wat er alzoo te doen is geweest, wanneer er op groote schaal oefeningen gehouden werden. De tuchteloosheid, waarvan het leger blijk gaf, wekte een absoluut wantrouwen aan wat het in geval van nood waarlijk zou presteeren. Veeleer kreeg men soms den indruk, dat het verreweg de voorkeur verdiende maar geen leger te onderhouden, dan zulk een, dat een revolutionair gevaar dreigde te worden. Er is zeker geen gebied, waarop klaarder is gebleken het gebrek aan regeerkracht bij de regeering dan op dat van het leger. De geschiedenis met de Zeven Provinciën was de openbaarwording van een lange jaren voortgewoekerd kwaad, dat de verrotting onzer moderne democratie demonstreerde. Een leger zonder tucht is een gevaar. Dat was het ook hier te lande, wanneer bij de oefeningen bleek van een geest van onwil, ongehoorzaamheid, opstandigheid, vaaronder zelfs de overigens ordelijke elementen geterroriseerd werden. Het leger was en is voor een deel nog onder eene Marxistische, valsch democratische narcose, waardoor het niet meer geschikt is voor zijne eigenlijke taak.
Wanneer dan ook de N.S.B. aandringt in art. 7 van haar program op: „Afschaffing van den verminkten dienstplicht met het daarbij behoorende onzedelijke lotingsysteem", dan geloof ik, dat dit overweging verdient. Er zal ongetwijfeld een andere weg moeten worden ingeslagen dan tot nu toe werd gevolgd. Alleen rijst nu de vraag, of wat het N.S.B. program daarvoor in de plaats wil stellen, wel als juist kan worden aanvaard.
Zij stelt daarvoor in de plaats: „Toekenning van weerrecht aan alle weerbare staatsburgers, die daarvoor waardig gekeurd worden." Bovendien wil de N.S.B. § 11 van haar program ook nog het volgende: „De staatsburgers vormen te samen één werkgemeenschap; op ieder hunner rust arbeidsplicht. Ter bevordering van de militaire en economische weerbaarheid van den Staat en van den gemeenschapszin wordt voor iederen jongeman en jongedochter een verplicht arbeidsjaar ingevoerd."
Het is duidelijk, dat wij hier van doen hebben met staatssocialistische beschouwingen en idealen, waarvan eerst sprake kan komen, zoodra we een nationaal-socialistischen corporatieven staat hebben.
Ik vrees echter, dat er die met een tooverslag zoo niet zal zijn. Een volk moet daarvoor eerst rijp en geschikt zijn geworden en het is nog zeer de vraag, of ons volk voor zulk een experiment ooit geschikt wezen zal, zich kan aanpassen aan een zoogenaamd corporatief staatsleven, dat de maatschappij eigenlijk omzet in eene industrieele onderneming.
Wanneer wij dus met de N.S.B. de bezwaren voelen tegen het thans bestaande, dan beteekent dit niet, dat hetgeen zij daartegenover stelt, zoo maar zou kunnen worden aanvaard. Dat kan te minder, omdat het stelsel, zooals deze •N.S.B. zich dit denkt, er niet is. Wij hebben zulk een staat niet en de vraag, of deze, gesteld hij kwam in en door eene catastrophe, voor ons waarlijk geschikt zou zijn, is uiterst problematiek. Het komt mij voor, dat het voor ons allen en dus ook voor de N.S.B. van groot belang is, zich, vooral in dezen moeilijken tijd niet te gaan verliezen in hersenschimmige phantasiën, maar met de beide beenen te blijven op den bodem der werkelijkheid. Zonder dit is er groote kans van de eene verwarring in de andere te vallen. Welnu deze werkelijkheidszin gebiedt te blijven vragen naar wat nu noodig is, zal ons volk door de moeilijkheden worden heen geholpen. En dan geloof ik wel, dat de regeering zich ernstig zal moeten bezinnen op dit hoogst belangrijke vraagstuk der rijks-defensie. Een leger, zooals wij nu blijkbaar hebben, waarin allerlei elementen zijn opgenomen tegen hun wil en dank, elementen, die sociaal en psychisch ook geheel onevenwichtig zijn, aangetast feitelijk door communistische neigingen, waarvan zij zeiven niets begrijpen, zulk een leger is een gevaar, kan de overheid niet waarlijk dienen. En wij hebben veel te lang onder dit regime verkeerd en de ontbindende geesten hebben veel te diep kunnen voortkankeren in ons nationale corpus, dan dat dit euvel zoo maar zou zijn weg te werken door eene machtspreuk.
Zoodra de leiders der N.S.B., al was het maar een oogenblik, den last hunner taak zouden dragen, zou het hun ook onmiddellijk blijken, op welk een geweldigen tegenstand van dien anderen geest zij stooten moesten. Eene mentaliteit, die generaties aan een gegroeid is onder allerlei geestelijke en maatschappelijke invloeden, is zoo maar niet verdwenen en omgezet in eene richting, die met de N.S.B. idealen harmonieert.
Naar mijne meening is het dan ook van belang eene oplossing te zoeken, die de regeering in staat stelt, weder eene opvoedende kracht in het nationale leven tot openbaring te brengen. Twee dingen moeten daarbij in het oog worden gevat: namelijk in de eerste plaats een leger, dat te allen tijde een vertrouwbaar apparaat zal zijn in de hand der wettige overheid; in de tweede plaats een leger, dat de weerkracht tegen -buitenlandsche vijanden opvoert tot haar maximum. Bij deze organisatie der defensie zal dus moeten worden uitgegaan van het ie artikel onzer Grondwet: „Het Koninkrijk der Nederlanden omvat het grondgebied van Nederland, Ned. Indië, Suriname en Curaçao". En art. 161: „Alle Nederlanders, daartoe in staat, zijn verplicht mede te werken tot handhaving der onafhankelijkheid van het Rijk en tot verdediging van zijn grondgebied". Het Rijk in zijn geheelen omvang behoort bij de organisatie van de weermacht uitgangspunt te zijn. Dit sluit dus in, dat zoowel hier te lande als in het overzeesch gebied er eene het volk in zijn geheel omvattende regeling behoort te zijn. En daarbij kan dan de ook nu in de Grondwet gemaakte onderscheiding tusschen vrijwillig dienenden en dienstplichtigen worden behouden. De regeering behoort in de vrijwillig dienenden een vertrouwbaar en paraat verdedigingsmiddel te hebben. En daarnaast is het hare roeping bij den tegenwoordigen stand der technische wetenschappen het volk in zijn geheel te mobiliseeren, opdat wanneer de nood gaat klemmen er achter de macht der vrijwillig dienenden, die als een kader kan optreden, een geoefend volk staat.
Doch het ligt voor de hand, en daarin heeft de N.S.B. zeker recht, deze volkstaak behoort niet te worden toevertrouwd aan kosmopolitische of anarchistisch-communistische idealisten, aan ontwapenaars en antimilitaristen, aan weerloosheidsprofeten en klaploopers op de gemeenschap, maar alleen aan hen, die beseffen, dat zij een plicht hebben tegenover de natie en die dus „dienstplicht als een weerrecht" aanvaarden. Al die anderen zijn een last in het leger, waarin zij niet moesten worden toegelaten. Wat natuurlijk niet in zich sluit, dat zulk soort tweede klas burgers overigens op voet van gelijkheid behandeld behoeven te worden. Indien de N.S.B. dan ook haar ver vooruit grijpende theoriën eens op ging bergen, tot werkelijkheidszin terugkeerde en zich voorshands bepaalde tot den eisch: een sterke centrale regeering, die met bezuiniging orde schept en tucht onder het volk en het weermachtvraagstuk opnieuw uit het oogpunt van het Rijk onder de oogen ziet, dan zou daarmede reeds veel gewonnen zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 juni 1934

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De N.S.B. en wij. - XIII.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 juni 1934

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken