Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de kennisse Gods. VI

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de kennisse Gods. VI

16 minuten leestijd

Rom. 1 : 21b: en hun onverstandig hart is verduisterd geworden.

De aanvang der menschheidsgeschiedenis staat in den lichtglans des paradijses. Daarin stemt de Heilige Schrift met de heugenis der volkeren overeen. Alle oude volken bewaarden tradities van een schoonen dag, vol zaligheid en blijdschap, waarmede de historie aanving. Van een levensbegin met diepe levensnooden weten zij niet, noch ook van dierlijke toestanden, waarin de mensch zou hebben verkeerd.
De moderne wetenschap heeft zulk een aanvang geproclameerd niet op grond van feiten en gegevens, maar als vrucht van de eigenaardige wijsgeerige grondslagen, die haar dragen. In dat opzicht komt zij overeen met de wijsgeerige leerstellingen van den ouden Epicurus. Darom is dan ook in het licht dier moderne wetenschap de zonde in den diepsten zin geen zonde, maar slechts een gebrek in de ontwikkeling, vrucht van onvolkomen ontwikkeling, overblijfsel van den oertijd, maar geen zedelijk kwaad, dat den mensch schuldig stelt voor God. De donkere schaduwen, die nu over het menschelijk leven liggen uitgebreid, tracht zij dus te verklaren uit den oorsprong der menschelijke natuur en als gegrond in heel de afstamming van den mensch. Maar van schuld weet zij niet, kan en wil zij niet weten en daarom is zij ook niet bij machte aan de werkelijke geestelijke en zedelijke behoeften te voldoen. Want de mensch heeft schuld en zij laat niet af van zich aan te dienen en het gemoedsleven te verderven. En zij laat zich niet wegbannen door de ijdele hoop, waarmede men zich van den zwaren druk der zonde tracht te verlossen, door van eene ontwikkeling te droomen, die eens zoo schoon zal zijn, dat er van geene zonde meer zal sprake zijn. Den mensch der toekomst denkt men zich dan veel beter dan den mensch van heden. Door al maar voortschrijdende ontwikkeling profeteert men van eene toekomstige menschheid, die de tegenwoordige in elk opzicht, ook dus uit zedelijk oogpunt, zal overtreffen. En toch is er in den gang der geschiedenis van ons geslacht geen enkele grond, die zulk eene profetie zou wettigen en zulk eene schoone verwachting kan aanbevelen. De mensch van alle tijden treedt voor ons als een zondaar. Geene cultuur, geene verlichting bleek in staat hem waarlijk te verbeteren. Zij mogen het uitwendige wijzigen en de vormen veranderen, aan het wezen van den mensch veranderden zij niet. Dat blijkt dan ook in onze dagen al bijzonder duidelijk. De zonde wijkt niet, de zonde mindert niet, ook de schuld en het schuldbesef worden niet weggenomen. Het kan zeker voorkomen, dat er menschen zijn, wier consciëntie als met een brandijzer toegeschroeid schijnt, het kan zelfs worden opgemerkt, dat in geheele tijdvakken der menschelijke geschiedenis het zondebesef kwijnt, zooals b.v. kwijnend schuld- en zondebesef een kenmerk is van het geestelijk leven onzes tijds, maar dat doet toch niet te kort aan het feit, dat het er is en werkt en woelt en zich soms veel scherper doet gevoelen dan men oppervlakkig beschouwd zou denken. In elk geval is het duidelijk, dat de zonde een element is in onze natuur, dat bij haar niet past. Hoezeer de menschen haar ook dienen en liefhebben en zoeken en bedrijven, rust hebben zij er nooit in. T e n laatste blijkt, dat er over de wereld toch een glans van recht en gerechtigheid is uitgegoten, die de donkere schaduwen scherp doet uitkomen. Indien de zonde maar een verschijnsel was, dat de ontwikkeling begeleidt en ten slotte door de ontwikkeling kan worden overwonnen, dan zou zij nooit de ontzettende, gruwelijke, giftige werking hebben, die zij toont te dragen. Als zij louter natuurlijk was, dan zou geen zondaar consciëntiewroeging kunnen kennen.
Een gezond mensch voelt niet, dat zijn maag de spijzen verteert, dat zijn hart klopt, of dat zijne longen ademen. Eerst als de krankheid komt, wordt hij bepaald bij de organen, die zijn leven moeten voeden. En zoo is het nu ook geestelijk. Er zou geen sprake kunnen zijn van wroeging des gewetens, van den knagenden worm, die zooveler levensblijdschap bant, van den onvrede en de onrust, die zoo menigeen doet zuchten en klagen, indien de zonde gegrond was in onze natuur. Er is geen levend wezen, noch plant noch dier, dat in zijn levensbestaan verdeeld is tegen zichzelf. Alleen bij den mensch is dat zóó. Maar daaruit blijkt dan ook, dat de zonde niet behoort bij onze ware natuur, dat zij veeleer de grootste onnatuur moet worden geacht. Het feit der zonde met de haar aanklevende schuld wijst terug naar den val.
De Heilige Schrift stelt dan ook de zonde en de schuld, die op de menschheid drukken, in dat licht. Zij stelt juist daarom dat menschheidsleven in het licht van Gods recht. En er zou van geene klacht der consciëntie sprake zijn, indien dat recht niet ging over het leven der wereld en dus over het leven ook van den enkelen mensch. De mensch in rechtheid. die in het paradijs geplaatst, als de kiemzetting was eener harmonisch, rein zich ontwikkelende menschheid, was toegerust met de heerlijkste gaven en de schoonste vermogens met een rijkdom van geestelijke en zedelijke krachten, opdat hij straks in zijn vermenigvuldiging en de vervulling der aarde de volle glansen van Gods beeltenis zou doen uitstralen.
Die mensch is gevallen. Juist om de veelheid zijner gaven, om den adel van zijn aanleg kon hij vallen. Indien hij geen zedelijk wezen was geweest, er kon van een val nooit sprake zijn geweest. Een dier kan niet vallen, omdat het niet handelen kan, omdat het geen redelijk en geen zedelijk wezen is. Maar de mensch kan als redelijk zedelijk wezen wel komen tot een val. En als hij tot dien val komt, dan kan hij juist daarom ook niet ontkomen aan de beschuldiging der consciëntie, noch ook aan den glans van Gods recht. Aan de souvereine Majesteit Gods, aan zijne alles vervullende werkzaamheid, aan zijne voorzienigheid doet dat niets tekort, want de Heere had immers den mensch als redelijk wezen geschapen. Hij had hem toegerust met dien rijken schat van levensgaven en vermogens, waardoor hij waarlijk handelen waarlijk zedelijk handelen kon. Daarom kon de mensch tot zijnen God in die geheel eenige bondsbetrekking staan, waardoor hij geroepen was tot gehoorzaamheid. Maar daarom moest ongehoorzaamheid ook noodzakelijk straf aanbrengen. Als drager van Gods beeld kan en moet dat alles op den mensch komen.
Aan de andere zijde is het tevens in diezelfde schepping naar Gods beeld gegrond, dat de mensch in die gehoorzaamheid aan zijn God de proef moet doorstaan. En uit den aard der zaak geschiedt dit niet in de hoogste geestelijke vragen allereerst, maar juist in de behoeften des menschen als lichamelijk wezen. Hij moet over zichzelven heerschen, als hij over de lagere schepselen heerschen zal. Zijne rede moet de teugels leggen aan den drang der natuurdriften, opdat de mensch daardoor allereerst de harmonie in eigen leven zal bewaren. Hij mag geen koninkrijk zijn tegen zichzelven verdeeld. En daarom, hij zal in gehoorzaamheid aan God en dus in gehoorzaamheid ook aan eigen levenswet, heerschappij moeten oefenen over zichzelven. Én daarom verschijnt hij ons dan ook in het paradijs het eerst in den kamp met den drang naar spijze, naar wat begeerlijk is voor de oogen. Het is de worsteling met den eeredienst van de buik. waarin hij allereerst moest treden. ,.Welker God is de buik, welker heerlijkheid is in hunne schande", zoo teekende later de apostel veler levensdrang en levensgang. In het paradijs stond de mensch te midden van de weelde des paradijses, voor den ingang van den tempel van dien god des buiks. En hij ging in.
Zoo doemde hij zichzelven om te midden van den overvloed de eerste materialist te zijn. Het materialisme is geene uitvinding van Engels, noch van Marx, de groote socialisten van den modernen tijd, maar van Adam. die valt. De val bracht het in de wereld. Het wortelt in den zondebodem des harten. Het verschijnt dan ook volstrekt niet alleen in den vorm van het socialisme van onze dagen, maar evenzeer in dien van het kapitalisme, van den mammondienst, die geen ander zedelijk karakter bezit. In beiden is het de zelfzucht, die in den god des buiks den god vindt, die aanbiddenswaardig is. De val doet den mensch opgaan in de stofvergoding in al hare vormen, leert den mensch zich van den Schepper af te wenden tot het schepsel, om daarin te zoeken hetgeen alleen in den Schepper kan gevonden worden. Daarom zegt dan ook de apostel, dat de mensch der zonde de heerlijkheid des onverderfelijken Gods heeft veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mensch en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten en heeft God hem overgegeven in de begeerlijkheden zijns harten.
Het is dus de onderwerping van den mensch. die Gods beeld draagt, aan de driften der natuur, die in den val optreedt. Daarom is de natuurlijke mensch dan ook vleeschelijk en verkocht onder de zonde. Het diep ingrijpende feit in den zondeval is dus niet de grootte of de kleinheid van de daad, maar de onderwerping aan de natuurdriften, die den mensch door en krachtens het beeld Gods juist de roeping had zoo te beheerschen, dat zijn leven een harmonisch geheel zou zijn. Daarom is dan ook het gevolg der zonde zoo verderfelijk, zoo vergiftigend voor den mensch. Hij, die geroepen was om te wandelen in het licht zijns Gods, die ook de vermogens had ontvangen om dit te kunnen en te willen, wordt gebracht onder den teugel der lagere driften en gaat daarin op, vindt er zijn leven in. Uit het paradijs geworpen, zocht hij zijn levenstroost in den tempel der wellusten des vleesches en in de aanbidding van de machten der duisternis. God is weg uit zijn leven. Hij kent Hem niet meer. Hij kan Hem niet meer kennen. Daarom is hij sinds duisternis, verduisterd in het verstand, vervreemd van God. zonder God in de wereld, zonder hope, zonder verwachting. Het leven is voor den gevallen mensch geheel opgegaan in de wereld.
Kent hij dan niets meer van de dingen Gods? Hoe diep ook gevallen, is die mensch toch een schepsel gebleven, zelfs een mensch gebleven, zelfs wordt hij na den val nog genoemd een beelddrager Gods, want Jacobus zegt van de tong, dat wij door haar God loven en den Vader, en door haar ook de menschen vervloeken, die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn. In dien oorsprong ligt tevens de grond voor onze blijvende schuld. Van de menschheid moet de Heere blijven eischen alle gaven, die Hij haar verleende, die Hij van Zijne planting mocht verwachten. Nooit zal de mensch zich kunnen verontschuldigen, want de Heere schonk hetgeen Hij weder-eischen moet. Krachtens zijne zedelijke roeping was de mensch verbonden tot het brengen van gerechtigheid en krachtens het beeld Gods, hem ingedrukt, was hij ook bij machte haar te vervullen. Maar hij was er niet toe gedwongen, hij kon er niet toe gedwongen zijn, omdat hij alsdan nooit beelddrager Gods zou geweest zijn.
En daarom kan hij ook van de schuld niet af, noch door te zeggen: ,,waarom hebt gij mij aldus gemaakt?", noch ook door te wijzen op anderen, van wie de verleiding zou zijn uitgegaan. De ongerechtigheid der zonde is de vrucht van de .breuk, die de mensch zelve in eigen wezen sloeg door zijne levenswet te schenden. De ordinantie Gods voor het zedelijk leven des menschen werd verstoord, zoodat de mensch sinds als bondsbreker verschijnt. En daar de eersteling des geslachts de menschelijke natuur draagt, die geheel uit hem moet opkomen, is de ongerechtigheid dan ook daarmede terstond in heel die natuur doorgedrongen. Zij wordt als ontwricht in haar innerlijk wezen, zoodat er van den mensch gezegd kan, dat hij is een verkeerd en verdraaid geslacht. Daarvan zou uit den aard der zaak geen sprake zijn geweest, indien de geestelijke gaven niet door den Heere gegrond waren in zijne natuur. Omdat het beeld Gods hem was ingegrifd en heel zijn innerlijk wezen de gelijkenis des Scheppers vertoonde, daarom moest ook noodwendig de zedelijke ontwrichting der zonde zoo geweldig diep doorwerken in de verderving, niet slechts van dien eènen mensch, maar in dien éénen van heel de menschelijke natuur en daarmede van alle menschen. Het is ook daarmede als met ons lichaam. Het gif, dat wordt gebracht in de maag, zet zijn doodelijke werking door in het bloed en sloopt het leven weg. Het gif, dat uit de zonde der wellust gekweekt wordt, beperkt zich niet tot den enkelen wellusteling, maar zet zich voort als een besmetting, die geslachten na geslachten ten verderve voert. Ook van den mensch van heden geldt dat hij de toekomstige geslachten in zich draagt. Het verbondsmatige. waaronder wij krachtens Gods scheppingsordinantie leven, doet zich gelden ook in de herediteit, in de erfelijkheid, niet alleen van gaven en krachten, maar ook van giften en ziekten. Zoo ook deed de zedelijke vergiftiging, opgekomen uit de zondedaad. zich gelden in de menschelijke natuur, die sinds in zedelijk opzicht het beeld der ongerechtigheid vertoont. En daarmede is ook het licht der Godskennis gedoofd. In dien éénen werden allen tot zondaars gesteld en de blussching van het levenslicht in den eersteling van ons geslacht, bluscht het uit in gansch het geslacht, dat sinds gehuld is in de duisternis des doods.
Voor het kennisleven in het algemeen, voor de kennis Gods in het bijzonder, heeft de val dus eene overwegende beteekenis. Immers, nu zijn levensdrang uitgaat naar de schepselen en opgaat in deze, zoodat de natuurdriften heerschen kunnen, en de zèlfzucht in volle ontplooiing komt, nu staat de wereld ook voor hem in haar licht. Niet de Heere is zijn God. De mensch is zichzelven een god. Hij aanbidt zichzelven en hetgeen zijn ik kan streelen. In den tempel zijns levens staat slechts het afgodsbeeld van zijn ik. En het altaar draagt slechts het offer, welks wierook eigen zinnen streelt. De roes der zelfverheerlijking is over hem. De narcose der ongerechtigheid houdt hem in volstrekte gebondenheid. Hij leeft als in een droom, die zich immers juist daardoor onderscheidt van het wakker zijn, dat alle harmonie en orde uit den onderlingen samenhang der voorstellingsbeelden zijn geweken. In den droom is het grilligste niet onmogelijk. Hij laat niet toe, dat tijden en plaats recht worden gewaardeerd naar den maatstaf der waarheid. Het licht van de rede is er niet in. De droomer is passief. Hij lijdt en wordt overheerscht door de wondere zielekrachten, die als met hem spelen en die voor een oogwenk zijn los gemaakt van den teugel der alles ordende redekracht. Zoo staat de mensch in deze wereld in den nacht zijner zonde, in de duisternis, zonder kennis Gods en daarom zonder die levensorde, die levensharmonie, die levensvreugde, die des menschen hart in het paradijs verkwikt heeft en zaligheid deed smaken. En daarom is er dan ook tevens zulk een bang zedelijk lijden. Want in dien nacht van verlorenheid wordt de menschheid der zonde bovendien nog gekweld als door de nachtmerrie, die satanische macht doet liggen op haar borst om haar levensadem tot worgens toe te omklemmen. Het is altijd en overal Gods recht, dat aangrijpt, dat doorwondt, dat breekt en slaat, verbrijzelt en vergruist, ook al erkent de mensch, dat recht in zijn lijden niet, tenzij de Heere, door het licht zijns Geestes, op bijzondere wijze den zondaar ontdekt.
Zoo bracht dus de val een algeheele ommekeer in het zieleleven des menschen met betrekking tot zijne kennisse Gods. Zij ging onder, zoodat de dwaas nu in zijn hart zegt: er is geen God. En de psalmdichter kan getuigen, dat God uit den hemel nederziet, om te zien of iemand verstandig is, die God zoekt, er iemand is, die goed doet, ook niet één. „Allen zijn zij afgeweken", zegt de apostel, ,,en er is niemand, die God zoekt". Daar is in den mensch eene afstomping voor de ware Godskennis, zoodat de menschelijke natuur dan ook met betrekking tot het groote licht des Heeren, duisternis wordt genoemd, die het licht niet begrijpt. God kennende, hebben zij Hem als God niet verheerlijkt, noch gedankt en hun onverstandig hart is verduisterd geworden.
Zij achten zich wel wijzen, maar zijn dwazen. En zoo wordt de mensch ook als verblind en als blind ons geteekend. En dat alles om daardoor den zondestaat te karakteriseeren als een toestand, waarin van een kennen Gods geen sprake meer is, om een leven te kenmerken, waaruit God geweken is, een mensch ons te omschrijven, die midden in de wereld staat met een blik op het leven, die begrensd wordt door den horizon van het tijdelijke en aardsche. Zijne idealen strekken niet verder dan wat het aardsche leven kan verrijken.
De begeerten zijns harten gaan uit naar wat het ik behagen kan. Maar over het leven van den mensch der zonde gloort niet meer het eeuwigheidslicht Gods. Zijne ziel wordt niet meer gekoesterd door den gloed der goddelijke liefde en uit zijn gemoed ruischt niet meer de lofzang hemelwaarts tot verheerlijking van Hem, die toch des ondanks zijne schepselen draagt.
Zijne gerechtigheid ging onder. Gemeten met Gods maatis de mensch niet recht, gewogen op Gods weegschaal is hij te licht bevonden. Zijne heiligheid ging onder in de bezoedeling van het onheilige. Tusschen God en den zondaar kan er zelfs geene gemeenschap meer zijn. De zondaar wijdt zich niet Gode, maar slechts der wereld en den machten, die haar beheerschen. En zoo kan er ook niet zijn het licht eener Godskennis, noch ook de levensdrang der liefde om zich Gode te wijden. En in de plaats van het leven in eeuwige zaligheid om Gode zijne eere te brengen, kent de zondaar uit het paradijs gebannen, slechts den geeselslag van den onvrede, geboren uit de onvervulde nooddruft der ziel. In de plaats van den jubel gaat van de oorden dezer aarde slechts de vloek op tegen Hem. die een licht is en in Wien gansch geene duisternis woont.
En zoo zou het gebleven zijn tot in eeuwig ontbinden des doods de wereld was ondergegaan, indien in Gods Vaderhart niet brandde het vuur eener liefde, dat al de wateren onzer zonde niet kunnen blusschen. Indien God niet alzoo lief de wereld had gehad, dat Hij zijnen Eengeborene geven wilde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1934

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Van de kennisse Gods. VI

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1934

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken