Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de wedergeboorte. VI

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de wedergeboorte. VI

10 minuten leestijd

Colossenzen 1 : 17, 18. En Hij is voor alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem. En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der gemeente, Hij, die het begin is, de eerstgeborene uit de dooden, opdat Hij in allen de eerste zou zijn.

In het licht van Gods Woord verschijnt de gansche kosmos als eene eenheid, welker centrale wezenheid ligt in den mensch. in wien de schepping het beeld Gods verkregen heeft. Hoe klein de mensch ook op zichzelven beschouwd moge zijn, hoezeer hij ook als mikroskopisch klein mag worden gewaardeerd, wanneer ons ruimte-besef het heelal gaat meten en de grootte der hemellichamen en hunne banen zich aan ons voorstellen, toch is die mensch het centrale schepsel, vanwege de gaven des geestes, die hem geschonken zijn.
Door deze heerscht hij zelfs over die oneindige spheren daar boven ons, wanneer hij zijne kijkers richt en zijne denkkracht en weten aanlegt om na te denken wat de eeuwige Schepper van de einden der aarde hem ook in dat firmament heeft voorgedacht. In den mensch bereikt dus de scheppende daad haar hoogtepunt. De mensch is het centrale schepsel, de kern en het einddoel, waarop van den beginne de Schepper Zijn scheppingswerk heeft aangelegd, waarin het zijn hoogtepunt bereikte. En daarom ontvalt met dien val des menschen de gansche schepping aan haar bestemming. God had zij te verheerlijken en in stede daarvan ging met den val in misdaad en zonde de vloek van de aarde op. De mensch leeft niet meer waarachtig, omdat hij zijne levenskracht niet meer betrekt uit Hem, in W i e n alleen het leven is. Den dood wordt hij onderworpen, prijsgegeven aan de zedelijke ontbinding en daarmede aan doem en vloek, zoodat van uit dien mensch als de kern der schepping, het verderf zich voortplant tot in hare uiterste einden.
En daarom nu heeft ook God gezegd: ,,want ziet. Ik schep nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde." Die schepping, onder dood en vloek, kan het goddelijk einddoel niet meer verwezenlijken. Doch de Heere zal Zijne eere aan geen ander geven en daarom Hij wederbaart haar, opdat de Satan za! worden beschaamd. Die wederbaring nu vangt aan daar, waar het verderf zijne intrede deed. In den mensch tot haren val gekomen, zal zij ook alleen weder kunnen worden op gericht door de vernieuwing van den mensch. Daarom ligt het begin der wedergeboorte aller dingen in Hem, al zal zij eenmaal eindigen in de groote alomvattende cacastrophe, die des Heeren W o o r d aldus heeft omschreven: ,.Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde Woord als een schat weggelegd en worden ten vure bewaard tegen de,, dags des oordeels en der verderving der goddelooze menschen." En zoo verwacht Gods Kerk naar Zijne belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, die zullen opkomen, zoodra de dag des Heeren zal gekomen zijn als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruisch zullen voorbijgaan en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden. Die jongste dag, die de eind-catas.trophe inluidt, zal den nieuwen hemel en de nieuwe aarde baren, waarin de gerechtigheid woont. Dan zal de wedergeboorte voltrokken worden in al hare diepte en breedte en het heelal wederom bij monde van Gods uitverkoren en zalig gemaakte Kerk den lof des Heeren verkondigen. Dan zal het blijken, dat Hij Zijne eere aan geen ander geeft en dat niet Satan, maar de Heere den triumph heeft weggedragen.
De geschiedenis der menschheid is dus van het paradijs af tot aan het wereldeinde toe eigenlijk een alomvattend proces van wederbaring, die de Heere in Zijne schepping voltrekt en eerst in de voleinding aller dingen wordt voltooid. Daarom spreekt de profeet van het scheppen van den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, dat nu plaats heeft, dat de Heere nu voltrekt, bezig is te voltrekken. En in dat herscheppingsproces is dus het al begrepen. Het gaat dus niet uitsluitend over Gods Kerk, strekt niet zich alleen uit over Gods uitverkoren kinderen, maar over de gansche aarde zelfs over zon en maan en sterren en over heel dat samenstel, waarvan Jesaja spreekt: „Weet gijlieden niet? hoort gij niet? Is het u van den beginne aan niet bekend gemaakt? hebt gij op de grondvesten der aarde niet gelet? Heft uwe oogen op omhoog en ziet, wie deze dingen geschapen heeft, die in getal hun heir voortbrengt, die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten en omdat Hij sterk van vermogen is, er wordt er niet een gemist. Over dat al gaat Gods wederba'rend werk, want zij allen moeten Zijne glorie verkondigen en hun aller lofzang wordt tot een schrijnenden dissonant door den vloek, die opgaat van deze aarde uit den mond eener menschheid, die als aller hoofd en middelaar, den Schepper verheerlijken moest.
Dus die wederbaring vangt aan in den mensch en zal zich van dien mensch uit voortplanten naar de uiterste spheren van dit geschapen heelal, opdat hemel en aarde Gods Naam verheerlijken zullen en in die Godverheerlijking hunne eindbestemming bereiken. Doch nu rijst dan ook de vraag of dan met die wederoprichting aller dingen ook Satan en zijne trawanten weder opgericht worden zullen en of er dus hetzij van eene algemeene verzoening, hetzij van eene vernietiging der duivelen en verworpenen, sprake zal zijn.
Welnu, daarvan is er in de Schrift nergens sprake. Eene zoogenaamde „apokatastasis", eene herstelling van alle dingen in den oorspronkelijken toestand, kent de Schrift niet.
Wel heeft Petrus in den tempel gepredikt, Hand. 3:21, tot bekeering oproepende, den verheerlijkten Christus, ,.welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door den mond al Zijner heilige profeten van alle eeuw", doch hij heeft daaronder niet verstaan eene herstelling aller dingen, als zou alle creatuur tot Jezus worden bekeerd. Integendeel, want in diezelfde prediking van Petrus, Hand. 3 : 23, zeide hij ook: „En het zal geschieden, dat alle ziel, die dezen profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit den volke." Hij legt aan zijne hoorders de ontroerende verantwoordelijkheid voor, waarmede elk mensch in het eeuwig licht van Gods recht verschijnen zal. Tegen zulk eene leer der algemeene wederbrenging en dus der algemeene verzoening, stelt de Heere nadrukkelijk het onveranderlijke, eeuwige oordeel, als Hij den Pharizeeën voorhield: Daarom zeg Ik u: alle zonde en lastering zal den menschen vergeven worden, maar de lastering tegen den Geest zal den menschen niet vergeven worden. En zoo wie eenig woord gesproken zal hebben tegen den Zoon des menschen, het zal hem vergeven worden, maar zoo wie tegen den Heiligen Geest gesproken zal hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende. En zoo ook heeft de Heere Jezus van Judas Iscarioth gesproken: „wee dien mensch, door welken de Zoon des menschen verraden wordt!
Het ware hem goed, zoo die mensch niet geboren ware geweest." En zoo heeft Hij ook gezegd: „wie den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem", gelijk Hij ons ook heeft geopenbaard, dat er is tegenover de opstanding des levens, voor degenen, die het kwade gedaan hebben: de opstanding der verdoemenis. En met dat woord, in den grondtekst staat daar: „krisis", wordt niet slechts bedoeld, dat zij een vonnis over zich hooren uitspreken, maar evenzeer, dat dit uitgesproken vonnis ook voltrokken wordt.
En ook de apostel Paulus heeft ons beschouwingen gegeven, waarin allerlei dwaalleer een steunpunt trachtte te vinden, hoewel zijne werkelijke leer eene geheel andere strekking had. Immers, wanneer er onder de heilige schrijvers een geweest is, die de leer van eeuwige verkiezing en verwerping gepredikt heeft, dan was het wel de apostel Paulus. Denk slechts aan Rom. 9. Maar er zijn een reeksvan uitspraken, waarop de loochenaars der Gereformeerde leer een beroep schijnen te kunnen doen. Als de apostel spreekt over de verborgenheid van den raad der genade Gods en leert, Eph. 1:9 en 10, hoe die verborgen genade-wil bekend is gemaakt naar Zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in Zichzelven, met de nadrukkelijke bedoeling: „om in de bedeeling van de volheid der tijden, wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide dat in den hemel en op de aarde is." En zoo zegt hij, Colossensen 1 : 20 van een „verzoenen tot zichzelven, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen, die in de hemelen zijn". En in Philipp. 2:11 teekent hij een einde der geschiedenis, dat zoo zal zijn, dat „in den naam van Jezus zich zullen buigen alle knie dergenen, die in den hemel en die op de aarde, en die onder de aarde zijn". En zoo zegt diezelfde apostel in Rom. 11 : 32, want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn. Christus zelve, zoo leert hij, wordt aan het einde aller dingen God en den Vader onderworpen, opdat God zij alles in allen, 1 Cor. 15 : 28. Doch deze beschouwingen doen niets af aan het feit, dat de apostel Paulus met grooten nadruk de verwerping leert dergenen, die voor Gods gericht niet kunnen bestaan. Verwerping en aanneming staan bij hem in onmiddellijk verband met den zedelijken toestand des menschen en met zijne verhouding tot Christus. De vergelding neemt in de Paulinische leer een voorname plaats in, 2 Thess. 1 : 6, spreekt hij over de vergelding dergenen, die Gods kinderen vervolgen. Hij zal wraak doen over degenen, die God niet kennen, dewelke zullen tot straf lijden het eeuwig verderf van het aangezicht des Heeren en van de heerlijkheid Zijner sterkte. In Zijne heiligen zal Hij verheerlijkt worden en wonderbaar in allen, die gelooven. Maar die de waarheid niet geloofd hebben, dien wacht het oordeel.
Zoo is dan ook al wat Paulus zegt van eene verzoening, die zich over hemel en aarde uitstrekt van geheel andere orde dan dat het doelen zou op een „apokastasis", op eene wederoprichting aller dingen, waardoor eene algemeene zaligheid in het uitzicht gesteld zou worden. Integendeel, ook in de eindcatastrophe onderscheidt hij „de toekomst naar de werking des Satans, die in de verleiding der onrechtvaardigen voert tot een verloren gaan, omdat zij ,,de liefde der waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden". Neen, het gansche historische proces, dat de menschheid doorloopt, verschijnt ook bij den apostel Paulus in het licht van het eeuwig recht. En dat eeuwige recht onderscheidt tusschen Christus en den overste der wereld, tusschen eeuwige zaligheid en eeuwigen doem.
De wederbaring beteekent dus niet een herstel, dat alle onderscheid zou uitwisschen tusschen God en Satan, tusschen Gods kinderen en de kinderen der duisternis, doch zij strekt zich uit over al wat is, opdat Gods heerlijkheid er in zal geopenbaard worden. En des Heeren heerlijkheid is niet slechts in de wonderheid Zijner liefde, doch ook in den glans van Zijn eeuwig recht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 24 November 1934

Gereformeerd Weekblad | 1 Pagina's

Van de wedergeboorte. VI

Bekijk de hele uitgave van Saturday 24 November 1934

Gereformeerd Weekblad | 1 Pagina's

PDF Bekijken