Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de wedergeboorte. VII

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de wedergeboorte. VII

9 minuten leestijd

Colossenzen 1 : 17, 18.En Hij is voor alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem. En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der gemeente, Hij, die het begin is, de eerstgeborene uit de dooden, opdat Hij in allen de eerste zou zijn.

De Heere werkt dus eene universeele, alle schepsel omvattende, wederbarende daad, welker uitwerking zich niet beperkt tot de wereld der zedelijke wezens, maar zich doorzet in de gansche schepping, omdat deze twee, hoezeer ook in gaven en aanleg, in aard en wezen verschillend, toch niet los staan naast elkander. Zij vormen eene eenheid, waarin de stoffelijke wereld en de schepselen van lagere orde dan de bestaansvoorwaarden bieden, die vervuld moeten zijn, indien er voor de hoogere plaats zal wezen. Doch deze wederbarende daad Gods houdt nu ten nauwste verband met het deugdenbeeld Gods, met het licht Zijner onkreukbare gerechtigheid eenerzijds, met Zijne eeuwige liefde anderzijds. In alle Zijne daden openbaart zich het zedelijk wezen Gods. Dat was zoo in Zijne schepping, dat is ook zoo in Zijne herscheppende daad. Gods Wezen is niet, zooals het door de wijsbegeerte, met name door de pantheïstische wijsbegeerte, wordt verkondigd, een dood begrip. De God, die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, is niet in een begrip te vatten. Onze belijdenis noemt Hem dan ook „onbegrijpelijk" in dien zin, dat Hij niet begrensd kan worden, noch in ruimtelijken, noch in intellectueelen zin, als kon Hij door ons denken worden omsloten. Een begrip van God zich te formeeren, is dus den mensch niet gegeven. Maar de mensch der zonde heeft dit getracht en zijn Godsbegrip, dat wezenlijk een afgod is, aangezien voor en vereerd als den waren God zeiven. Eigenlijk ligt daarin de gronddwaling, waardoor de menschheid zichzelve God waant en waardoor zij in haren anti-goddelijken levensgang is afgedaald, die haar ten laatste voert tot hem, wiens toekomst is naar de werking des Satans.
De God echter, die Zich ons in Zijn Woord heeft geopenbaard, is de levende God, zooals de Heere Jezus Hem ons heeft verkondigd, toen Hij zeide: „want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelven, alzoo heeft Hij ook den Zoon gegeven het leven te hebben in Zichzelven." En daarmede heeft de Heere Jezus nu onmiddellijk ook in verband gebracht het zedelijk deugdenbeeld Gods. Immers, Hij voegt er terstond aan toe, dat Hij den Zoon daarom ook macht heeft gegeven, gericht te houden, omdat Hij des menschen Zoon is (Joh. 5 : 26 en 2 7 ) . De levende God is dus de eenige, die werkt in de wederbaring dezer gevallen wereld, zooals Hij de eenige is geweest, die werkt in hare schepping van den beginne. Daarom spreidt dus het goddelijke deugdenbeeld in die herscheppende daad zijnen lichtglans uit. Daarin openbaart zich dus Zijne wondere, eeuwige liefde en Zijn eeuwig, onkreukbaar recht. Zijne souvereine majesteit handhaaft Hij in die herschepping, dewijl Hij Zijne eere aan geen ander geven kan. Hij staat niet af van iets, dat in Zijn deugdenbeeld is, want wezenlijk zijn het recht en de liefde Gods in het goddelijk Wezen één, dewijl Hij in beide Zijn eigene souvereine majesteit handhaaft.
En in dat licht van het eigen Wezen Gods en Zijn deugdenbeeld wordt dan ook de weg ons geopend, die leidt tot de beantwoording dezer vraag, hoe die wederbaring aller dingen zich dan verhoudt tot den Satan, tot de machten van Satan en van hen, die Petrus „waterlooze fonteinen" noemt, „wolken van een draaiwind gedreven, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt . (2 Petr. 2 : 17). Die vraag heeft des te meer recht van bestaan, omdat de zonde, voordat zij in het paradijs doordrong, al in het heelal hare intrede had gedaan. Door listige omleiding des duivels en moedwillige ongehoorzaamheid werd de mensch van zijne gaven beroofd. De vorst der duisternis verschijnt in het paradijs. Dus hij was er al, voordat de mensch tot zijnen val kwam. Het schrikkelijk feit der zonde had reeds plaats gegrepen in de wereld der engelen, voordat het op de aarde zijne intrede deed. De brief van Judas spreekt dan ook van de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hunne eigene woonstede verlaten hebben, en die door den Heere bewaard worden tot het oordeel des grooten dags met eeuwige banden onder de duisternis (vs. 6 ) . En 2 Petr. 2 : 4 worden wij tot onze waarschuwing en vermaning herinnerd aan het feit, dat God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar die in de hel geworpen hebbende, heeft overgegeven aan de ketenen der duisternis, om bewaard te worden tot het oordeel. En zoo staat er, Openb. 20 : 10, dat de duivel, die hen verleidde, geworpen werd in den poel des vuurs en sulfers. alwaar het beest en de valsche profeet zijn: en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid. Er staat daar in den grondtekst zelfs „tot de eeuwigheid der eeuwigheden' om ons het volstrekte, het onveranderlijke van dit lijden klaar voor den geest te stellen.
Zoo verschijnt dus in Gods Woord het geheele historische proces in het licht van Gods eeuwig recht en daarom van Zijn oordeel. En het behoeft geen betoog, dat dus de leer eener algemeene verzoening, die dan na dit leven zou worden voltrokken, in de Schrift nergens grond vindt. Daarom vindt zulk een leer in de Schrift geen grond, omdat zulk een leer het licht van het deugdenbeeld Gods verdonkert. Hem aantast in Zijn Wezen. Zij ontkent het eeuwig onvergankelijk zedelijk Wezen Gods, zooals Hij ons dit in Zijne wet heeft geopenbaard. In den diepsten grond is zij de loochening van God zeiven, dewijl zij Hem de glorie Zijner souvereine heiligheid ontneemt. Zulk een leer gaat uit van hetgeen onze Catechismus noemt „aarrdsch" gedenken van God. Zij is eene vermenschelijking Gods, tast dus de eere van Zijn eeuwig, onveranderlijk Wezen aan. En daarom is het dan ook, dat als de Heere Jezus in Johannes 5 predikt, dat zij allen den Zoon eeren zullen, gelijk zij den Vader eeren. dat wie den Zoon niet eert, ook den Vader niet eert, die Hem gezonden heeft, dan brengt Hij dit onmiddellijk met Gods recht en oordeel in verband en stelt Hij dood en leven tegenover elkander. Wie in Christus gelooft, die heeft het eeuwige leven en komt niet in de verdoemenis. Hij is uit den dood overgegaan in het leven. En daarmede hangt nu onlosmakelijk samen, dat er eene opstanding is des levens en daartegenover eene opstanding der verdoemenis. Zoo gaat er dus een eeuwig recht over het universum, dat de Satanische machten, maar ook de menschenwereld buiten Christus, gelden zal eeuwiglijk. En het ligt dus voor de hand, dat als er van eene wederbaring van het universum sprake is, dit niet beteekent, dat deze herschepping tengevolge zal hebben, dat Satan en verlorenen zullen worden overgebracht in de heerlijkheid, noch ook dat zij aan de vernietiging zullen worden overgegeven. Deze wederbaring van het heelal, die in den mensch voltrokken wordt, heeft dus niet ten doel de tegenstelling, die door de zonde tusschen God en schepsel ontstond, weg te wisschen op zulk eene wijze, dat er van het eeuwig oordeel in de gansche schepping geene sprake meer kan zijn. Het is dan ook geheel met Gods Woord in strijd, wanneer b.v. in het 50ste gezang de dichter jubelt:

„Amen! Jezus Christus! Amen!
Ja, Gij zult in 't groot heelal
't Rijk der duisternis beschamen.
Tot het niet meer wezen zal."

Indien er iets met niet te misduiden klaarheid in Gods Woord ons wordt voorgehouden, dan is het zeker wel het eeuwig recht Gods in en over dat rijk der duisternis voltrokken. De Heere Jezus zelve heeft met grooten nadruk het zich verhardend Israël voorgehouden, dat de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis, aldaar zal weening zijn en knersing der tanden. En alzoo ook stelde Hij de rechtvaardigen, die blinken zullen gelijk de zon in het Koninkrijks huns Vaders, maar Zijne engelen zal Hij uitzenden om te vergaderen al de ergernissen en degenen, die de ongerechtigheid doen en zullen dezelven in den vurigen oven werpen; daar zal weening zijn en knersing der tanden. En dat bij deze ontroerende teekening in het geheel niet gedacht is aan een voorbijgaand louteringsproces, maar aan een onveranderlijken staat des lijdens, heeft Hij het niet zelve woordelijk gezegd tot die in den dag des oordeels ter linkerhand staan: „Gaat weg van Mij, gij vervloekten! in het eeuwige vuur, hetwelk den duivelen en zijne engelen bereid is." De Heere stelt ons aardsche leven in eeuwig licht. De mensch draaagt zijne eeuwige bestemming in zich. Daarom legt Hij er zoo grooten nadruk op: „Indien uwe hand of uwe voet u ergert, houwt ze af en werpt ze van u. Het is beter tot het leven in te gaan kreupel of verminkt, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden." Gods Wezen is onveranderlijk. Onveranderlijk is Hij dus ook met betrekking tot engelen en menschen, waar het er op aankomt Zijne zedelijke orde te handhaven. Als het uitverkoren Zion Gods door recht verlost moet worden, hoe zou het dan mogelijk zijn, dat er eene verlossing zou zijn voor wie buiten zijn met verkrachting van het recht. Daarom heeft dan ook de apostel Paulus ons met zooveel nadruk gewezen op de goedertierenheid Gods, op Zijne verdraagzaamheid en lankmoedigheid, die tot bekeering leiden, opdat wij niet naar onze hardigheid en onbekeerlijk hart „ons zeiven toorn vergaderen als eenen schat in den dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods!"
Doch van den beginne af zijn er richtingen geweest, die naar zij meenden, aan de klem van dat oordeel dachten te kunnen ontkomen door valsche leeringen, die Gods recht, en met dat recht, Gods wet verloochenden. De natuurlijke mensch houdt zichzelven voor veel barmhartiger dan de Heere zichzelven ons geopenbaard heeft. Als het oordeel begint van het huis Gods, welke zal dan het einde zijn dergenen, die het evangelie Gods ongehoorzaam zijn? En indien de rechtvaardige nauwlijks zalig wordt, waar zal de goddelooze en zondaar verschijnen? Daarom is het van belang wel in te zien, dat zooals de Heere eeuwig is in Zijne liefde, Hij ook eeuwig is in Zijn recht. De ontkenning daarvan is in den diepsten grond de ontkenning van Gods Wezen zelf. En dus als er van eene wederbaring van den kosmos sprake is, dan beteekent dit niet, dat de eeuwige duisternis zal worden opgeklaard door het licht van Gods liefde, doch alleen dat er geene verdoemenis is voor degenen, die in Christus Jezus zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 1934

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Van de wedergeboorte. VII

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 1934

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken