Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de wedergeboorte. VIII

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de wedergeboorte. VIII

10 minuten leestijd

Colossenzen 1:17, 18.En Hij is voor alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem. En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der gemeente, Hij, die het begin is, de eerstgeborene uit de dooden, opdat Hij in allen de eerste zou zijn.

De wederbaring van den kosmos sluit dus niet in zich de vernietiging van de anti-goddelijke machten, die dank zij het schrikkelijk feit der zonde, in de wereld van engelen zijn ontstaan en vandaar uit in de wereld der menschen overgebracht werden. En zoo ook is er van eene algemeene verzoening, die alle gevallen engelen en menschen omvat, nergens sprake. Wij hebben dus geen recht deze wederbarende werkzaamheid Gods zoo voor te stellen, als ware haar doel alle tegenstellingen, die er door de zonde ontstaan zijn, op te heffen en alle donkere schaduwen te doen verdwijnen voor het licht eener goddelijke liefde, die voor het eeuwig recht geene werking overlaten zou. Gods Woord leert daarvan niets. Integendeel, het legt grooten nadruk op de eeuwige straf, die den duivel en zijne engelen, maar ook aan de menschen bereid zal worden, op welke Jezus' woord van toepassing is: „die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem." Wie het bloed van Christus onrein acht, die houdt geen slachtoffer voor de zonde meer over.
Er zijn, zooals ik reeds opmerkte, te allen tijde menschen, en ook leeraren geweest, die zulk eene algemeene vernietiging van duivelen en goddeloozen predikten. Eene eeuwige straf scheen hun zoo vreeselijk wreed, dat zij deze met hunne voorstellingen van Gods liefde niet vermogen overeen te brengen. Hun gevoel verhindert hen Gods recht te erkennen en te eeren. Het ontgaat hun, dat God geen mensch is en dat de mensch, een zondaar zijnde, blind is voor het heerlijk, heilig deugdenbeeld des Heeren. En zooals zij op deze wijze de majesteit van Gods Wezen eigenlijk ontkennen, doordat zij aardsch van Hem denken, zoo hebben zij ook geen begrip van de wederbarende werking, die Hij in deze schepping en ook in Zijn uitverkoren kinderen voltrekt.
Die wedergeboorte, die nieuwe schepping, die door heel dit wereldproces heen de Heere bezig is te volmaken naar Jesaja's woord: „Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde", beteekent niet, dat de Heere in eene herhaling treedt van het scheppend werk. Nog altijd is ook na den val het woord van kracht: „Als nu God op den zevenden dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op den zevenden dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had." Waren ons in de voorafgaande dagen in het scheppingsverhaal vele werken opgesomd, die de Heere telkens had tot stand gebracht, op den zevenden dag rust Hij, houdt Hij op iets nieuws bij te scheppen. En die rust geldt tot op dezen dag toe. De zondeval des menschen verandert daaraan niets. Het mag zijn, dat het voortwoekerend verderf en de vermenigvuldigende boosheid er toe leiden, dat het den Heere berouwt, dat Hij den mensch gemaakt heeft, dat het Hem smart aan Zijn hart, en dat Hij Zijne oordeelen uitzendt, zoodat Hij menschen en dieren verdelgen zal van den aardbodem, omdat het Hem berouwt, dat Hij ze gemaakt heeft, maar dat alles beteekent niet, dat de Heere besluiten zou tot de vernietiging van diezelfde schepping, waarvan Hij eenmaal gezegd heeft: ",,En God zag al wat Hij gedaan had en ziet, het was zeer goed." Neen, die wederbaring is niet eene herhaling van de schepping. Hij, die de Onveranderlijke is, keert niet weder op Zijnen scheppingsweg. Hetgeen Hij gedaan heeft, blijft gedaan. En wezens, die Hij eenmaal voor de eeuwigheid schiep, die Hij heeft toegerust met wondere heerlijke, geestelijke gaven, opdat zij Hem Zijne eere brengen zouden, vernietigt Hij niet, ook al hebben zij die gaven misbruikt en aan hare wezenlijke bestemming onttrokken.
Met de duivelen is dit zoo geschied. Ook zij werden oorspronkelijk naar Gods beeld geschapen, zij het dan ook geheel anders dan met de menschen het geval is. Zij ook waren heilige engelen, waarschijnlijk geschapen met den hemel, de plaats Zijner heiligheid, die hun als woonstede toegewezen werd. Zij zijn oorspronkelijk geestelijke creaturen, verbreiders van Gods goedheid en eer, geroepen om uit de lichtzee van het goddelijk deugdenbeeld de lichtlovers Zijner goedheid te zaaien. Geestelijke wezens zijn ook de duivelen en daarom ook onsterfelijk, voor de eeuwigheid geschapen. Van het begin der schepping zijn zij en voor hen ontsluit zich de eeuwigheid, zooals deze zich opent voor de kinderen der menschen, die allen optrekken naar hun eeuwig huis. En zoo ook hadden de duivelen kennis Gods. Zegt niet Jacobus ( 2 : 1 9 ) : „Gij gelooft, dat God een eenig God is; gij doet wel. De duivelen gelooven het ook en zij sidderen." Ja, ook de duivelen hebben kennis Gods, oorspronkelijk eene kennis, die hun de zaligheid baarde met al de heilige seraphim, die Jesaja hoorde roepen tot elkander: „Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen!" Zij ook hebben zich eenmaal verblijd in de heerlijkheid Gods, dien zij dienden met volvaardig gemoed. Ook zij waren geschapen, opdat de Heere Zich uit hun mond lof bereiden zou. En zij hebben zaligheid genoten uit het welbehagen Gods. En het was ook in den hemel een schoone dag, toen al Gods kinderen daar samenstemden tot een lofaccoord en de wanklank der zonde de harmonieën des hemels nog niet had verstoord.
Doch ook in die wereld van engelen was de mogelijkheid van den val. Welke hunne zondedaad was, wordt ons niet uitdrukkelijk vermeld. Niet omstandig, als van den mensch in het paradijs, wordt ons verhaald waartoe zij hunne geestelijke gaven en onder deze ook met name ook die der zedelijke geestelijke vrijheid hebben misbruikt. Alleen zooveel is geopenbaard, dat in het engelen-wezen de ontkenning der godheid des Eeuwigen, de verwerping Zijner souvereiniteit is opgekomen. Zij hebben den Vader en den Zoon en dus ook den Heiligen Geest, veracht. Paulus toch heeft aan zijn leerling Timotheüs geschreven, dat een opziener geen nieuweling mag zijn, opdat hij „niet opgeblazen worde en in het oordeel des duivels valle". Dat is dus het misbruik der gaven Gods, die aangewend werden, opdat God zal worden verdrongen van Zijnen troon. En de wijze, waarop Satan den mensch heeft verleid, leert toch ook duidelijk, dat het zijn ideaal was en is Gods glorie zichzelven toe te eigenen. En als de Heere Jezus wordt weggeleid van den Geest in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel, dan is daaronder ook, dat de Middelaar Gods en der menschen gesteld wordt op de tinne des tempels en de Satan zegt tot Hem: „Indien Gij Gods Zoon zijt, werp uzelven nederwaarts en daarna wordt Hij gebracht op eenen zeer hoogen berg en worden Hem getoond al de konkinkrijken der wereld en hunne heerlijkheid. En dan zegt de Satan tot Hem: „Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, nedervallende, mij zult aanbidden." Daar wordt ons het wezenlijke in het conflict tusschen God en Satan geopenbaard. De Zone Gods, die waarachtig en eeuwig God is en blijft, wordt gedwongen om voor Satan neder te vallen en hem te aanbidden, af te staan dus van Zijne goddelijke majesteit en die over te dragen aan Satan. Satans zonde is dus wezenlijk, dat hij God wil zijn. De grootheidswaan komt over hem. Hij zou God moeten en kunnen dienen, uit eigen zelfbewusten, innerlijken aandrang, uit eigen zedelijke kracht moeten zeggen tot zijnen Schepper: ,,U kiest mijn hart eeuwig tot zijn Koning". Maar omgekeerd ging al zijne neiging uit naar de ontwrichting van Gods eeuwig, heerlijk Wezen. Hij stak Hem naar de kroon en zeide tot Hem: sta op uit Uwe heerlijkheid, opdat ik God zij.
Zoo was er dus de val der engelen, werden heilige troongeesten tot duivelen en weerklonk door de hemelen de vloek, die den jubelzang en het Halleluja verstoorde, dat de engelen, die staande bleven, aanheffen. En leert nu de Schrift, dat deze tot duivelen geworden engelen werden vernietigd, of dat hun een weg tot verzoening ontsloten werd? Dat zij verre. Hoort slechts, hoe er geschreven staat: En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hunne eigene woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel des grooten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard" (Judas vers 6). En elders wordt er op het lot der engelen als op een afschrikwekkend exempel gewezen door den apostel Petrus, die zegt, dat God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden. Zoo wordt het dus duidelijk, dat er van geene vernietiging des duivels sprake is. De eeuwige Schepper van de einden der aarde maakt Zijn eigen werk niet ongedaan. Dan zou Hij geweken zijn voor Satans macht, zelfs al had Hij hem vernietigd. Want dan zou de Heere wezenlijk van Zijne scheppingsdoeleinden hebben afgelaten, en Satan zou, al ware hij dan ondergegaan, toch eigenlijk overwonnen hebben. Neen, God de Heere kan niet schepselen, die Hij eenmaal voor de eeuwigheid geschapen heeft, te niet maken, zonder afstand te doen van Zijn werk. Daarom, de Satan zal niet worden te niet gedaan. Voor de eeuwigheid geschapen, zal hij eeuwig zijn, ja, moeten zijn. Maar eeuwig zijnde krachtens Gods scheppende daad, zal hij eeuwig ervaren, dat niet hij, maar de Heere God is. In den weg der schepping zelve zal de Heere Zich als zijn Overwinnaar openbaren. En dat zal Hij doen langs den weg der wedergeboorte, waardoor in deze zelfde schepping, die door den val verdorven werd, eene vernieuwing plaats zal grijpen, waarbij de heerlijkheid van Gods Wezen zich op het luisterrijkst zal openbaren. Voor aller menschen en engelen oog zal de Heere Satan verpletteren, opdat het eeuwig zal worden bekend, dat Hij alleen God is en niemand meer. Van die nederlaag profeteert Hij reeds in het paradijs, als Hij de moederbelofte aankondigt en vijandschap zet tusschen Satans zaad en dat der vrouw. En de Heere Jezus zelve spreekt van die geweldige, de eeuwen beroerende worsteling, maar ook van den triumph, dien Hij zal wegdragen, die Hem gezonden heeft om de werken des duivels te verbreken. Hij stelt Zichzelven ons voor als die de machten der duisternis onder Zich werpen zal. Daarom ,als Hij zijne discipelen uitzendt om het evangelie des Koninkrijks te prediken en de zeventigen met blijdschap wederkeeren, daar zij ervaren hadden, dat in Zijn Naam ook de duivelen hun onderworpen waren, dan zegt Hij tot hen: „Ik zag den Satan als een bliksem uit den hemel vallen". Zoo is er dus eene overwinning van den Satan, maar geene vernietiging en geene bekeering, want ook hier geldt in betrekking tot Gods recht, wat Hij gesproken heeft tot Zijne kinderen in genade: „Want Ik, de Heere, worde niet veranderd. Daarom zijt gij, o kinderen Jacobs, niet verteerd."
Zoo gaat dus de wedergeboorte in universeelen zin niet gepaard met eene vernietiging van schepselen, die eenmaal voor de eeuwigheid werden geschapen. Er is geene herhaling van het scheppingswerk, maar eene wederbaring, waardoor de heerlijkheid van Gods Wezen straalt in Zijn recht en in Zijne genade beide.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 8 december 1934

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Van de wedergeboorte. VIII

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 8 december 1934

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken