Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De geesel der werkeloosheid I

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De geesel der werkeloosheid I

9 minuten leestijd

Onder alle ellende, die de crisis over de hedendaagsche menschheid uitstort, is er geen grooter leed dan de werkeloosheid. Men kan nauwlijks een sociaal lijden opnoemen, dat daarmede op één lijn kan worden gesteld. Zij is de verderfelijkste aller crisis-plagen, waardoor de wereld thans wordt geteisterd en gekweld. De verwoesting, door haar in het sociale leven teweeg gebracht, is daarom zoo onberekenbaar groot, omdat zij niet slechts uit stoffelijk, finantieel oogpunt een ramp blijkt, maar vooral ook voor het geestelijk en zedelijk leven der werkelooze massa noodlottig moet zijn in hare gevolgen. Wanneer zij in zoo geweldigen omvang optreedt, als thans het geval blijkt en een onevenredig groot aantal menschen tot niets-doen gedoemd wordt, dan wordt de werkeloosheid een dreigend gevaar, een kanker in het maatschappelijk leven, die langzaam maar zeker ons leidt in de vallei der revolutie, waardoor ons geheele cultureele bestaan met ondergang bedreigd wordt.
Eene werkeloosheid, zooals er thans onder de volken, met name ook onder ons volk heerscht, tast eigenlijk de bestaansvoorwaarden onzer samenleving aan. Immers, geen enkele maatschappij, ook de allerrijkste niet, is bij machte voortdurend, blijvend, de milloenen schats op te brengen, die door het monster der werkeloosheid worden verslonden. En al zou dit nog kunnen, al zouden de stoffelijke nadeelen te dragen zijn, dan baart zij voor de zedelijke ontwikkeling van het volk zulke bedenkelijke gevolgen, dat de toekomst van vele geslachten er door wordt bedreigd. De werkeloosheid toch kweekt niet alleen geslachten, die niet werken, omdat er geen werk is, of geen werk wordt opgedragen, maar zij leert de massa te teren op kosten der gemeenschap. In die duizenden wordt na langer of korter periode van steun het verantwoordelijkheidsgevoel gedood. Zij zien geene toekomst meer voor zich ontsloten, verliezen alle levensidealen, hun streefkracht wordt gebroken, hun levensmoed zinkt in, zoodat zij er niet meer aan denken en ook niet meer aan denken kunnen de moeilijkheden door inspanning van kracht te overwinnen, want de weg tot het leven kunnen zij niet meer zien, is voor hun oogen doodgeloopen in eene eindelooze, wazige vlakte, aan wier horizon geen rookpluim meer opgaat uit den schoorsteen van een eigen haard. Zoo is de werkeloosheid niet slechts eene orzaak van stoffelijk verarmen, maar bovenal een bron van zedelijke, geestelijke verkwijning, waarin het spreekwoord wordt bevestigd, dat ledigheid des duivels oorkussen is.
Door den geweldigen omvang van het kwaad is de werkeloosheid voor de regeeringen van vrijwel alle Westersche staten een moeilijk vraagstuk geworden en met name ook in ons land is het een der nijpendste moeilijkheden voor heden en toekomst beide, omdat, zooals ik reeds opmerkte, ten slotte het rijkste volk niet bij machte zal blijken de eischen der werkeloosheid te financieren.
Nu ligt het voor de hand, dat men over de oorzaken van het vreeselijke verschijnsel allerlei verklaringen tracht te geven, waarbij uit den aard der zaak vooral op de door den oorlog in het leven geroepen wijzigingen in het economisch internationale proces, nadruk wordt gelegd. Men wijst op de door millioenen bewoonde groote gebieden, die voorheen door de Europeesche industrieele grootmachten werden bediend en van de noodige producten werden voorzien, en die thans onafhankelijk geworden van Europa, zeiven leerden voortbrengen hetgeen zij behoeven. Anderen leggen nadruk op de door den oorlog veroorzaakte verarming, die de koopkracht deed dalen, zoodat er niet meer gekocht kan worden als voorheen. En zoo somt men allerlei op, dat zeker wel een factor in de verklaring kan zijn, doch die, omdat men deze oorzaak niet kan wegnemen, het vraagstuk eigenlijk nog hopeloozer maken. Zoo wordt de werkeloosheid een ongeneeslijk kwaad, dat blijvend van aard, voor ons geheele cultuurleven niet slechts een ramp, maar wezenlijken ondergang beteekenen kan.
Toch komt het mij voor, dat wat de onderscheidene volken doen om dit angstwekkend spook der werkeloosheid te verdrijven, duidelijk uitwijst, dat zij voor het eigenlijke van het vraagstuk geen oog hebben. Zij worstelen allen aan den buitenkant, trachten vrijwel allen door een afsluiten der grenzen op kunstmatige wijze eene verlichting te bereiken, met het gevolg, dat het voor de wereld in haar geheel er hoe langer hoe donkerder dreigt te gaan uitzien en met name kleine volken, zooals het onze, hoe langer hoe meer onder den druk worden gebracht. In den diepsten grond houd ik het probleem voor geestelijk van karakter. Zooals heel de oorlog de natuurlijke vrucht is geweest van eene geestelijke ontaarding, zoo komt het mij voor, dat de werkeloosheid en met name ook de moeilijkheden, om dit crisis-bezwaar te overwinnen, wortelen in den geestelijken bodem der Westersche cultuur, zooals zij zich in de laatste zestig jaren en langer heeft ontwikkeld. Dit verklaart de machteloosheid der regeeringen eenerzijds, als het er op aankomt betere toestanden te scheppen, anderzijds als het aankomt op het streven naar eene aanpassing aan wat men dan noemt een lager gelegen levensvlak. In beide stuiten de regeeringen op onoverkomelijke bezwaren, omdat de groote massa, opgegroeid onder geheel andere omstandigheden, blijkbaar niet het minste besef heeft van de werkelijkheid, temidden waarvan zij verkeert. De massa hier te lande leeft tot nu toe nog in eene wereld-voorstelling, geformeerd naar het beeld der onbezorgde periode van opgaande welvaart, die voor afzienbaren tijd is voorbijgegaan. Zij kan zich niet indenken, waarom het leven nu anders zou behoeven te gaan dan vroeger. Jaren lang is haar geleerd op den maatschappij-vorm te schimpen.
Het evangelie der ontevredenheid is er ingestampt. Velen voeren een hoogen toon over wat men noemt het maatschappelijk stelsel en de oorsprong aller kwalen ligt in het boóze „kapitalisme". Deze linksche partijen zingen nu af en toe wel een toontje lager, maar om de voorheen behaagde massa niet al te zeer te ontnuchteren, worden af en toe de leuzen nog herhaald. Uit dit alles blijkt, dat de leiders en de massa samen nog blind zijn, willens of onwillens, voor de werkelijkheid, waarin wij verkeeren. Maar het feit is, dat onze levensstandaard op de grondslagen wankelt en het gevaar eener onverwachte duikeling groot is. Dat geldt de massa en hare leiders, maar het doet mij leed er aan te moeten toevoegen, dat er zoo nu en dan grond is voor ernstigen twijfel, of regeeringskringen er ook wel diep van doordrongen zijn.
De laatste begrooting althans en de steeds verder doorgezette verzwaringen van belastingen, wijzen niet op een levendig besef van de feitelijke toestanden, waarin het volk verkeert. Uit velerlei maatregelen blijkt, dat de geestelijke kant van het vraagstuk nog in nevelen gehuld bleef. Het kan onzen lezers niet onbekend zijn, dat ik tegen het Duitsche Nationaal-Socialisme ernstige, principieele bezwaren heb; en dat het Nederlandsche, naar mijne meening, door beginselen wordt gedragen, die met Schrift en belijdenis moeilijk zijn overeen te brengen. Doch op één punt stem ik met hen in, namelijk in de negatieve houding, die de N. S. B. tegenover de Marxistische beweging aanneemt. Met de N. S. B. ben ik van oordeel, dat het Marxisme aansprakelijk is te stellen voor den oorlog en dat de Marxistische geest ook de oorzaak is van de geweldig moeilijke aanpassing aan de eischen der werkelijkheid, waarin wij verkeeren en die zij hoe langer hoe meer dringend hooren laat.
Wanneer ik nu spreek van het Marxisme, dan doel ik daarmede niet in de eerste plaats op het historisch materialisme van Marx als wijsgeerige theorie. Ik leg daarop den nadruk, want er is onderscheid te maken tusschen het wijsgeerig stelsel en den Marxistischen geest. Duizenden zijn van den laatste doordrongen, die van de wijsbegeerte nooit gedroomd hebben. De Marxistische zuurdeesem is veel dieper doorgedrongen in de mentaliteit der Westersche volken, dan de meesten denken. Allen hebben wij van die geuren ingeademd. En zij hebben invloed geoefend in vrijwel alle standen der maatschappij. Onder alle groepen stond het leven onder een meer of minder sterken Marxistischen druk. En wij zouden dan ook zeer verkeerd doen, wanneer wij alleen maar aan de uiterst linksche partijen dachten. Ook in Christelijke kringen, ook in Gereformeerde kringen, om van de Roomsch Katholieke te zwijgen, is er een veel sterker zuigkracht in Marxistische richting werkzaam geweest, dan men oppervlakkig denken zou. En het is de kracht van dien invloed, die het aanpassingsprobleem voor deze regeering zoo moeilijk maakt. Zij stuit daarop bij eigenlijk alle hare maatregelen, die de strekking hebben op lager levensniveau af te dalen. Deze materialistische geest is dan ook de oorzaak van de verrotting der Westersche democratie, van de corruptie- verschijnselen onder de Westersche volken, van de diepe daling van het verantwoordelijkheidsgevoel en van het plichtsbesef, doch ook van de weelde- en genotzucht, van het gebrek aan streefkracht en moed om den strijd des levens te strijden en de moeilijkheden te overwinnen, die overwonnen moeten worden, om zich bij veel eenvoudiger levensvoorwaarden aan te passen. Juist uit dat oogpunt beschouwd, zou het van zoo groot belang zijn, wanneer onder ons volk de echte Calvinistische beginselen weder konden herleven, wanneer er een wederkeer kon plaats grijpen naar die degelijke, strenge levensopvatting, die gepaard gaat met de erkenning der souvereiniteit Gods en de volstrekte gehoorzaamheid aan Gods Woord. Dat is niet alleen uit het oogpunt van het eeuwig wel des menschen van belang, maar ook en nu in dit verband vooral, is het van belang als zedelijke volkskracht. Het leert de menschen het leven uit Gods hand te ontvangen, maar het leert hen ook, dat zij Gode van Zijne gave rekenschap zullen geven. Het baart roepingsen plichtsbesef, en het geeft ook de zedelijke kracht, die noodig is den strijd te strijden, want het leert ons vasthouden in de moeilijkheden des levens, ziende den Onzienlijke. Het baart geloofskracht en opent de oogen voor het eeuwig licht, dat over het aardsche leven opging in Hem, die het licht der wereld is.
Zij er daarom in onze kringen gebed om wederkeer des volks tot de Wet en de getuigenis. Zoo ooit, dan hebben wij nu lil deze angstvolle tijden noodig. dat onze belijdenis niet maar is lippen-taal geweest in de dagen van voorspoed, toen alles gemakkelijk ging, opdat de Heere niet van ons zegge Dit volk nadert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 januari 1935

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De geesel der werkeloosheid I

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 januari 1935

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken