Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de wedergeboorte. XV

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de wedergeboorte. XV

9 minuten leestijd

Colossenzen 1 : 17 en 18. En Hij is voor alle dingen en alle dingen bestaan te zamen door Hem. En Hij is het hoofd des lichaams, namelijk der gemeente, Hij. die het begin is, de eerstgeborene uit de dooden, opdat Hij in alles de eerste zou zijn.

Het profetisch woord teekent ons den toestand der gevallen menschheid in het algemeen, die van het uitverkoren volk in het bijzonder, met schrille, aan het natuurlijke leven ontleende kleuren om ons diep te doordringen van het wezenlijk karakter van den zondestaat der menschheid. Dat juist Gods uitverkoren volk, meer nog dan de volken rondom, in zijn diepe zedelijke ellende geteekend wordt, hangt saam met het dieper inzicht, dat het licht van Gods Heiligen Geest ontsluit. De profeet kent den val der menschheid in haar geheel, maar onder die gevallen menschheid ligt Gods volk voor zijne door den Geest verlichte oogen het allerdiepst. Dat is immers nog zóó met Gods kinderen. Zij zondigen veel duurder dan de kinderen der wereld. En wanneer zij door den Heere worden ontdekt,'dan zondigen zij gruwelijker dan allen rondom, omdat zij Gods kinderen waren. Zoo teekent dan ook Ezechiël het schuldig Israël in zijne geboorte als een onrein kind, dat onverzorgd, ongewasschen, onverpleegd, lag, zonder dat er iemand was, die medelijden over hem had. Er was niemand om zich over hem te erbarmen. Zoo was Israël in het ontdekkend licht Gods als „geworpen op het vlakke des velds". En dat was zoo „om de walgelijkheid uwer ziel, ten dage, toen gij geboren waart." Zoo vindt God de menschheid van nature. Alzoo bestaat zij vanwege hare zonde en ongerechtigheid, afzichtelijk voor God, afschuwelijk om aan te zien.
In den tegenwoordigen tijd willen de menschen, ook vele, zeer vele kerksche menschen, die beeldspraak uit Ezechiël 16 niet hooren, want de natuurlijke, gecultiveerde mensch, die overigens in deze sexueel degenereerende wereld voor de grootste gruwelen niet terugdeinst, acht het weinig smaakvol, op zoo plastische wijze door Gods Woord bepaald te worden bij wat hij wezenlijk is als zondaar. Doch de zaak zelve verandert daarom niet. De zedelijke toestand, waarin de menschheid verkeert, is zoo gruwelijk, dat indien de Heere aan de uitleving der zonde geene grenzen had gesteld, die zij evenals de wateren der zee niet kan overschrijden, zelfs het menschelijk leven eene onmogelijkheid zou zijn. Hunne voeten zijn snel om bloed te vergieten en nimmer zou er van verzadiging sprake zijn, indien de Heere door den teugel Zijner gemeene gratie aan te leggen, niet zeide: tot hiertoe en niet verder. Immers daarvoor heeft Hij de overheid ingesteld, „opdat", zooals de Confessie zegt, „de ongebondenheid der menschen bedwongen worde". Daarom legde Hij in hare handen het zwaard om de boozen te treffen en de goeden te beschermen. Zoo heeft de Heere nog eene samenleving mogelijk gemaakt onder de menschen. Zonder overheid zou de menschheid ondergaan in eeuwigen, bloedigen, nooit te stillen kamp. Maar zoo is zij dan ook het bewijs voor den absoluten zondestaat, waarin de menschheid eigenlijk verkeert. En daaruit zou nimmer iets anders te wachten zijn dan dat langs dien weg des verderfs de menschheid naar haar eeuwigen ondergang voortschreed. En deze ondergang zou des te sneller over haar dalen, naarmate het in haar werkende zondeproces zijn einde naderde.
Zoo ligt dus de door den val ontwrichte wereld voor des Heeren aangezicht. Hij peilt de diepte van den afgrond, waarin zij verzonken ligt. En om ons het vreeselijke daarvan klaar voor oogen te stellen, spreekt Gods Woord dikwijls in beelden, die aan ons menschelijk zielelijden worden ontleend. Als de eerste wereld in hare goddeloosheid zal ondergaan en het gedichtsel van 's menschen hart te allen dage boos was, dan berouwt het den Heere, dat Hij den mensch gemaakt heeft en het smart Hem aan Zijn hart. Én als eeuwen later Israël, het uitverkoren volk, een levensbeeld vertoont, dat veel gelijkenis heeft met hetgeen in onze dagen de Christenheid te aanschouwen geeft, als de profeet belijden moet de veelheid der overtredingen, het liegen tegen den Heere, het achterwaarts wijken van onzen God, als er slechts sprake is van onderdrukking en afval, van het ontvangen en het dichten van valsche woorden uit het hart, als de gerechtigheid van verre staat, de waarheid op de straat struikelt en wat recht is er niet kan ingaan, als de waarheid ontbreekt en de man, die van het booze wijkt, zich tot een roof stelt, dan verschijnt ook die vreeselijke wereld in het eeuwig licht van Gods heilig Wezen en dan teekent de profeet ons al het ontroerende, gruwelijke van dezen verdorven staat door ons den Heere voor te stellen onder de diepe ontroering, zooals een mensch die kan ervaren, wanneer hij overstelpt wordt door het leed. „Het was kwaad", zegt Jesaja, „in Gods oogen, dat er geen recht was". En daaraan voegt hij dan toe: „Dewijl Hij zag, dat er niemand was, zoo ontzette Hij zich, omdat er geen voorbidder was." Zoo diep was dus Gods volk gezonken, dat er onder die allen niet één was, die de nooden en de zonden als een voorbidder bracht voor den troon der genade. Niemand had medelijden, niemand pleitte, niemand bad voor de redding. En dit is nu juist het treffende, het wondere, het schoone, waarin en waardoor het openbaar wordt, dat God liefde is, dat de Heere dan opstaat, dat Hij als de vrijmachtige, nu er geen enkele grond in het schepsel is, waardoor Hij bewogen zou kunnen worden om reddende daden te doen, de verlossing tot stand brengt. Vanwege den diepen val, vanwege de volstrekte verlorenheid, de volkomen afgesnedenheid der menschheid, staat Hij nu zelve op. Hij vindt in dezen absoluten zondestaat, die naar menschelijke rede alleen maar den eeuwigen dood baren kan, den grond tot uitredding. „Daarom", omdat de ellende zoo diep was, omdat er niemand meer bad, bidden kon of wilde, „daarom", zoo zegt Jesaja, „bracht Hem zijn arm heil aan en Zijne gerechtigheid ondersteunde Hem."
Zoo wordt het dus duidelijk, dat er in het schepsel geene gronden tot redding zijn overgebleven. Naar de wet der rede zou de gansche menschheid niet anders kunnen verwachten dan de gevolgen van hare eigene daden, dan de noodwendige resultaten van hare eigene, door haar zelve opgeroepen zedelijke ontwrichting. Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven. Zij heeft gegeten, doet dat tot nu toe nog op dezelfde wijze, dus blijft haar niet anders dan de dood, de zedelijke, eeuwige ontbinding, de steeds voortwoekerende versplintering van eigen innerlijk leven en daarmede de eeuwige dood onder doem en vloek. Doch daarmede zou nu niet slechts voor die menschheid, maar in en met haar voor geheel het kosmisch leven de ondergang, de mislukking, het verliezen der eindbestemming gemoeid zijn. Het goddelijk Wezen zelf in zijn eeuwig onveranderlijk goddelijk Zijn zou als dan door de schepselen, die Hij zelve in het aanzijn geroepen had, van Zijne goddelijke heerlijkheid worden beroofd. De eeuwige Schepper van de einden der aarde zou alsdan Zijne souvereine Majesteit afleggen voor de schepselen, die Hij voortgebracht heeft. Niet de Heere zou dan God zijn, maar de Satan en de hem toegevallen menschheid zouden in Gods tempel ingaan om er eeuwig te heerschen. De Heere God, die den hemel heeft gezet tot Zijnen troon en de aarde tot een voetbank Zijner voeten, zou dan van uit Zijne heerlijkheid moeten wijken voor de machten der duisternis, die opgekomen waren uit den moedwil Zijner schepselen.
Zoo is het dus met betrekking tot die gevallen menschheid alleen maar de vraag naar de handhaving van Gods Wezen, de vraag dus of God Zelve waarachtig, eeuwig de liefde is. En die vraag beantwoordt nu Jesaja in zijn „daarom". Omdat de val zoo diep was, de ellende zoo groot onder de heerschappij van den eeuwigen dood, „daarom bracht Hem Zijn arm heil aan". Het gaat dus in die reddende daad om de heerlijkheid van het goddelijk Wezen zelf, om God zeiven en niet om het schepsel. De vraag is alleen, of de Heere God is. En omdat Hij God is en niemand meer, daarom kan Hij ook Zijne eer aan geen ander geven en ook aan zijne schepselen, hoe hoog en verheven ook, niet laten. Het gaat in den ganschen kosmos slechts om de heerlijkheid van den Schepper, die Zich immers in Zijne schepping ten volle openbaren zal, die haar daarom opriep, opdat zij met de hemelen Zijne eere en met het uitspansel Zijner handen werk zal verkondigen. Maar bovenal schiep Hij engelen en menschen, opdat zij als de wezens, die Zijne aangezicht kennen zouden, redelijk bewust de heerlijkheid van Zijn wezen zouden uitjubelen als aller schepselen hoogste eer. En daarom, als dat engelenlied verstomt en de jubelzang uit het paradijs door Satan's streven tot eeuwig zwijgen is gebracht, dan ligt daar die gansche schepping in hare verlorenheid, in den nacht harer zonde, onder vloek en dood. Van uit het paradijs gaat dan de lach op, die den mensch nog naklinkt, als zijn voet het oord der verdoemenis betreden zal. En van deze aarde gaat sinds het hoongeroep op tot God almachtig, van Wiens heerschappij zij zich meent te hebben bevrijd, om onder het slavenjuk van Satan zich voort te sleepen naar het eeuwige einde, waarin duisternis en weening en knersing der tanden de beelden zijn, die het nameloos wee zullen teekenen, dat weggelegd is in het eeuwig verlies der eigen eindbestemming.
Doch de Heere is God. Geen creatuurlijke machten, hoe geweldig ook en groot, zijn bij machte Hem te bannen van uit den hemel Zijner heerlijkheid. Die gevallen schepping moge, als de zeeën, die hare golven verheffen en opbruischen tegen de rotsen, waartegen zij zich te pletter slaan, zich verheffen tegen den Almachtige, zij zal toch niet vermogen. Over al de stormen der zonde, die de Satan aanblaast, over al de vloeden der ongerechtigheid, die uit de gevallen menschheid zullen opborrelen, zal de Heere als de eeuwige God zitten over den watervloed, ja de Heere zit, Koning in eeuwigheid. „En omdat Hij in eeuwigheid Koning is, omdat Hij zeggen kan: Ik, Ik ben de Heere, Ik, de Heere, die de eerste ben en met de laatsten ben Ik dezelfde", daarom, als Hij zich ontzet, omdat Hij zag, dat er niemand was, bracht Hem Zijn arm heil aan. Dan volgt uit de heerlijkheid van Zijn eeuwig goddelijk Wezen, dat Hij die menschheid wederbaart en in haar den ganschen kosmos, dat Hij de werken des duivels verbreken zal en opstaande tot den strijd Zijne vijanden zal verstrooien, terwijl Hij in het hart der menschheid Zich eene nieuwe levenskern wederbaart, waarin en waardoor zij hare eindbestemming toch bereiken moet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 januari 1935

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Van de wedergeboorte. XV

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 januari 1935

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken