Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de wedergeboorte. XV

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de wedergeboorte. XV

9 minuten leestijd

Colossenzen 1 : 17 en 18. En Hij is voor alle dingen en alle dingen bestaan te zamen door Hem. En Hij is het hoofd des lichaams, namelijk der gemeente, Hij, die het begin is, de eerstgeborene uit de dooden, opdat Hij in alles de eerste zou zijn.

Zoo ligt dus de menschheid in haar val verloren, verstorven in hare zonde, in den nacht van haren geestelijken dood. Aan haar firmament licht geene ster der hope. Zij is van nature zonder kennisse Gods en daarom zonder waarachtig leven. Geschapen, opdat zij God, haren Schepper, recht zou kennen, om eeuwig Hem te lieven en te loven, werd zij blind voor Zijn Koninkrijk, ging zij op in de vergoding van het schepsel, van zichzelve allermeest. In stede van het God-verheerlijkend loflied, gaat van uit deze wereld de vervloeking op en de kreet van den opstand en het verzet, waardoor het wórdt uitgeroepen: ,,wij willen niet, dat Hij Koning over ons zijn zal". Indien het aan de gevallen menschheid lag, dan zou ook zij, als de Satan, die haar misleidde, voor eeuwig Gods souvereine Majesteit ontwrichten in de mislukking van het werk der schepping, in de verbreking van den Raad des Almachtigen. En daarom moet het ook van die menschheid gelden, dat zij, als de duivelen, voor eeuwig ondergaat onder de oordeelen van Gods recht. Ook van die tegen God opstandige menschheid geldt, dat de Heere Zijne eere aan geen ander en dus ook aan haar niet geven zal. Dus wacht ook haar, zooals zij daar ligt in hare zonde, slechts de dood, die eeuwig zij zal moeten sterven!
Doch hier is nu juist het onderscheid tusschen de duivelen en de menschheid. Zij bestaat niet uit menschen, geheel los naast elkander, als waren zij zandkorrels, die niets met elkander gemeen hebben, maar als de ééne menschheid, opgekomen uit het ééne, het eerste menschenpaar, uit één bloed gesproten, opdat zij als beelddrager Gods en als hoofd der schepping tevens de heerlijkheid van het goddelijke Wezen in het einde volkomen openbaren zal. De mensch was juist daarom drager van Gods beeld, opdat in hem de gansche schepping Gode lof en eere brengen zou en daarom ook de openbaring, die de Schepper van zijn eigen Wezen in de schepping geven zou, in den mensch tot hare vólle, rijkste ontplooiing komen zou. En daarom kan het scheppingsproces niet eindigen in den eeuwigen dood der gevallen menschheid. God zal Zijne scheppingsdoeleinden toch verwerkelijken en die menschheid zal Hem Zijne eere nochtans bereiden. En daarom, Hij wederbaart haar, want Hij geeft Zijne eere niet aan een ander, niet aan Satan, niet aan den uit moedwil tot zonde vervallen mensch.
En nu is ook hierbij geene sprake van eene herhaling van het scheppingswerk, maar van eene vernieuwing langs den weg van wederbaring. En zooals nu de eerste schepping gewrocht is van Gods heilig Drievuldig Wezen, van den eeuwigen Vader, van den eeuwigen Zoon en den Heiligen Geest, die eveneens waarachtig, eeuwig God is, zoo is nu ook die herscheppende, die wederbarende daad, een daad der heilige Drievuldigheid. Voor het eeuwig Wezen Gods, wien alle Zijne werken van eeuwigheid bekend zijn, die van eeuwigheid ook den hemel Zich scheppende heeft gedacht, is de val van Satan en zijne engelen, is ook de val des menschen geene verrassing. Als Hij dus den in Eden geplanten mensch zijn proefgebod geeft, dan is dat niet, omdat de uitslag van die proef Hem onbekend zou zijn, maar Hij geeft het proefgebod, opdat de mensch tot volkomen, zelfbewuste klaarheid gebracht over de edele gaven des geestes, hem in de schepping naar Gods beeld bereid, vrijwillig, uit eigen persoonlijken levensdrang, de zedelijke keuze zal doen, waarbij hij den Heere kiest als zijnen eeuwigen Koning. Die mensch valt uit eigen keuze, door moedwillige ongehoorzaamheid. En het was den Heere niet verborgen. Daarom zegt Jesaja: „Alzoo zegt de Heere, de Heilige Israëls en deszelfs Formeerder: Zij hebben Mij van toekomende dingen gevraagd, van mijne kinderen, zoudt gij Mij van het werk mijner handen bevel geven? Ik heb de aarde gemaakt en Ik heb den mensch daarop geschapen, Ik ben het. Mijne handen hebben de hemelen uitgebreid en Ik heb al hun heir bevel gegeven."
En daarom dat Hij van eeuwigheid Zijn scheppings-raad formeerde en dus ook van eeuwigheid doorgrondt wat worden zal, daarom is er ook in het heilig en Drievuldig goddelijk Wezen een eeuwige vrederaad. Van eeuwigheid lag die menschheid daar voor Hem, peilt Hij al de diepte harer ellende, al den gruwel van Satan's vijandschap, al den vreeselijken vloek harer zonde. Doch ook van eeuwigheid is Hij, Vader, Zoon en Heilige Geest, de God, die liefde is. En als er dan niemand is, die medelijden heeft, en voor die gevallen en vervloekte menschheid nergens meer redding dagen kan, dan is Hij God, dan is Hij liefde, die de Souvereine Majesteit van Zijn goddelijk Wezen handhaven zal. Die liefde is zijn eeuwig God zijn. En daarom is er in de huishouding Gods, in Zijn heilig, voor alle creatuur verborgen ondoorgrondelijk Wezen, dat een ontoegankelijk licht bewoont en zelve licht is, en geene duisternis in Hem, de eeuwige Vrederaad. De eeuwige Vader, die door het eeuwig Woord, dat bij God en God is, alle dingen schiep en door den Heiligen Geest, die waarachtig, eeuwig God is, al wat Hij heeft gesproken in dat eeuwig Woord tot eene geschapene werkelijkheid zet in onderscheiding van Zijn Wezen, die eeuwige Vader zendt nu ook datzelfde Woord, waardoor Hij schiep, opdat het zal herscheppen. En dat eeuwige Woord, de eeuwige Zoon des Vaders, aanvaardt het door den Vader Hem opgelegde ambt. Ja, Hij zal herscheppen, opdat Satans werken zullen worden verbroken en des Heeren doeleinde zal worden verwerkelijkt. En Hij stelt zich borg en Hij weet het, als nog geen schepsel roerde, nog geen vogel klapwiekt door de nachten, ja, als gansch de schepping, als hemel en aarde saam nog slapen in het niet-zijn, zoaals in één enkelen eikel gansch een eikenwoud slaapt, dan reeds kent ook de Zoon den afgrond van onzen val, en is het werk der wederbaring Hem bekend. Hij sprak reeds in de stilte der eeuwigheid, ziende den nood der zondaren: „Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer. Gij hebt Mij de ooren doorboord". Hij, die het geen roof behoefde te achten Gode evengelijk te zijn, was bereid. En daarom werd er van Hem geschreven in de rol des boeks en klonk het in het eeuwig goddelijk Wezen Zelf: „Zie, Ik kom". De Vader geeft eeuwig den Zoon het werk der wederbaring tot stand te brengen en de Zoon is eeuwig bereid den Raad des vredes te volbrengen. En daarmede stemt nu ook de Heilige Geest in, bereid om het door den Zoon gewrochte straks ook werkelijk te maken en dus die wederbaring te voltooien door Zijn arbeid der heiligmaking.
Die wederbarende daad heeft nu betrekking op het herstel der menschelijke natuur. En de Heere Jezus zelve heeft in zijn goddelijk onderwijs ons geleerd op welke wijze nu dat werk der vernieuwing door Hem tot stand wordt gebracht. Hij houdt het ons voor, hoe door Zijn genadewerk uit de gevallen menschheid een nieuwe menschheid opkomt en hoe dit werk der vernieuwing niet van doen heeft met wat in onze dagen de leer der algemeene verzoening daarvan maakt. In ons tekstwoord noemt de apostel Hem het hoofd des lichaams, namelijk der gemeente. En de Heere Jezus zelve noemt Zich in Johannes 15 de ware wijnstok. Wij hebben daarbij dus van doen met een beeldspraak, die ons laat zien, hoe uit den Heere Jezus Christus, die deze menschelijke natuur heeft aangenomen, een organische wezenheid, eene nieuwe menschheid opkomt als eene planting. En dat lichaam, waarvan Christus het hoofd is en die ware wijnstok, welks landman de Vader is, ontwikkelt zich dus als een organisme, dat niet elk individu, hoofd voor hoofd, omvat, al betrekt dit lichaam zijne samenstellende grondcellen of ook de ware wijnstok zijne levenssappen en grondstof uit de menschheid, zooals zij daar neerligt in hare zonde. Niet elk mensch is een cel in Christus' lichaam, niet elk mensch eene rank, die waarlijk eeuwig in den wijnstok blijft. Daarom zegt de Heere Jezus: „Alle rank, die in Mij geene vrucht draagt, die neemt Hij weg". Er zijn ranken, die in Hem blijven, en er zijn er, die in Hem niet blijven, zooals er in den wijnstok wilde ranken zijn, die worden afgesnoeid, die verdorren, die vergaderd worden, ,,en men werpt ze in het vuur en ze worden verbrand". Ja, ook deze ranken, hoe weelderig zij misschien in hunne wildheid groeien, waren wel uit den wijnstok der menschelijke natuur, maar tusschen Christus, den waren wijnstok en hen was er niet dat blijvende levenscontact. Zij brachten in Hem geene vruchten voort en dus zij werden weggenomen, daar zij de vruchtbaarheid van den waren wijnstok slechts schade berokkenden.
Zoo verschijnt dus de Heere Jezus Christus als het Hoofd Zijne lichaams, als Hoofd Zijner uitverkoren Kerk en laat Gods Woord ons Christus' werk zien in het licht der eeuwige verkiezing Gods. De wederbarende daad, die in de menschheid voltrokken wordt, strekt zich dus uit tot Hem, die Zich de ware wijnstok noemt en tot alle rank, die in Hem blijft, die uit Hem leeft, uit Hem zijne vruchtdragende kracht betrekt, omdat er tusschen Hem en die rank, tusschen Hem en dien mensch een blijvende levensband werd gelegd. Daarom kan Hij zeggen: „Al wat de Vader Mij geeft, dat zal tot Mij komen en al wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen." De Vader heeft ze Hem gegeven in den eeuwigen Raad des vredes en de Zoon heeft Zich verbonden die gegevenen te verlossen in het werk der wederbaring, dat Hij alleen voltrekken zal.
De wederbaring van den kosmos vangt dus aan in het centrum, in het menschheidsleven. Met den val des menschen werd beslist over den kosmos, met de wederbaring wordt over het kosmische zijn beslist, wordt het wederom aan zijne waarachtige eindbestemming dienstbaar. De Heere schept zich daardoor eenen nieuwen hemel en eene nieuwe aarde, waarin de gerechtigheid woont. Die wederbaring is dan ook niet te beschouwen als eene tooverdaad, die plotseling het nieuwe te voorschijn roept, maar als eene procesmatige ontwikkeling, waarin de Heere het leven van het kosmisch worden, weder onderwerpt aan Zijne ordinantie, waaraan de machten der duisternis en de mensch der zonde tracht het voor eeuwig te onttrekken. Daarom wederbaart Hij, opdat het gif der zonde, dat zijne ontbindende werking in de vernietiging van Gods Raadsplan ten toppunt voert, zal worden te niet gedaan door de opkomst eener nieuwe menschheid, die Gods beeld in onverdonkerde heerlijkheid dragen zal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 februari 1935

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Van de wedergeboorte. XV

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 februari 1935

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken