Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Oecumenisch streven IV

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Oecumenisch streven IV

10 minuten leestijd

In de eerste eeuwen der Christelijke aera is dus met het ontwikkelen der Roomsche Kerk het oecumenisch wezen der kerk geheel omgezet in een hiërarchische organisatie, die er in eene tot de uiterste consequentie van eenvormigheid doorgezet kerkelijk leven, uitdrukking aan meende te kunnen geven. Dat hiermede het levensprincipe der ééne heilige algemeene Christelijke kerk in een voor het leven der plaatselijke kerken dood formalisme was ondergegaan, ligt voor de hand, daar de hierarchie zelve voor de levensuiting der enkele gemeente in de plaats was getreden. De hierarchie was het sociale orgaan geworden, dat in de plaats der gemeente optrad. Zij werd hoe langer hoe meer eene zich zelve aanvullende grootmacht, die ten laatste in den pauselijken stoel haar alles beheerschend hoofd ontving. Er was een kerkregeering geboren, die in hooger licht moest worden gezien en regeerde over de gemeenten en zonder deze. Daarmede was het oecumenisch ideaal zichtbaar en dus formeel belichaamd.
Met deze hiërarchisch oecumenische bestuursinrichting, die hare heerschappij uitbreidde over het Romeinsche rijk en die door de Caesaren-politiek gebruikt werd voor de bereiking hunner doeleinden, ging de kerk de middeleeuwen in. Doch nu kwam ook de tijd, waarin dat Romeinsche rijk, innerlijk verzwakt door zijn eigen grootte en door het verval van den .geestelijken bodem, waarop het stond, als een kolos met leemen voet, tot zijn ondergang kwam. De onderscheidene volkeren, die onder den skepter der Caesaren zich gebogen hadden, kwamen tot rijper cultureele ontwikkeling, zoodat de Europeesche natiën geboren werden. Het in de hierarchie belichaamde oecumenische ideaal werd toen door de Roomsche Kerk een uitwendig kenmerk van de waarheid der kerk.
En het kan niet worden voorbijgezien, dat deze idealen een grond hebben in het wezen der kerk en in hare belijdenis, die in de 12 Artikelen uitgedrukt werd. In die belijdenis verschijnt de kerk als de plaatsvervanger van Christus op aarde, waarin ook na Zijn heengaan de eenheid van het goddelijke en menschelijke werkelijk moet worden. Deze eenheid is echter slechts mogelijk, als de vrucht eener genadewerking.
Men stelde zich voor, dat er in den patristischen tijd zulk eene levende eenheid inderdaad geweest was. En daarvoor werd dan nadruk gelegd op het feit, dat er oecumenische concilies waren gehouden, die de belijdenissen als onveranderlijke normen der leer hadden vastgelegd. Zoo verscheen in de voorstelling der latere eeuwen de kerk als eene glorierijke geestelijke eenheidsmacht te midden eener volkerenwereld, die bezig was zich in eene veelheid van natiën te verdeelen, die onder den druk van het eigenbelang als een tegenbeeld was van de eenheid, die het Romeinsche rijk had gegrond.
En dit gloriebeeld der ééne, allen omvattende katholieke kerk stak luisterrijk af tegenover de kettersche sectarische groepen met hare alles versplinterende partijformaties, die, zonder eenig vaste en onveranderlijke belijdenis verschenen.
Te midden dier chaotische verwarring verscheen de ééne kerk met hare hiërarchische heerlijkheid als een verborgenheid, waarin de eenheid zich openbaarde, gegrond op eene goddelijke autoriteit. Goddelijk gezag is aan het Christendom inwonend. Het kan niet zonder dit. Het geloofsleven behoeft voor zijn gezondhouding een gezag, opdat het zijne zuiverheid bewaren zal. En dat gezag is Gods Woord en men ging er van uit, dat het Woord den stedehouder van Christus als een onfeilbaren scheidsrechter stelde, zoodra er leergeschillen ontstonden. Langs dien weg werd dus de zaligmakende waarheid, die de vrucht der openbaring is en door de menschelijke rede zelve niet ontdekt was geworden, door de ééne kerk gemeengoed voor alle menschen. Zoo werd er dus een algemeen geldende leerstandaard door en in de ééne kerk, waartegenover alle afwijking niet meer waarde heeft dan een subjectief oordeel. Zelfs wanneer eene afwijkende sectarische beweging kwam met de leer van Christus en de apostelen zeiven, dan zou er toch altijd nog dit onderscheid zijn, dat zulk eene zich afscheidende groep van kerken de onafhankelijkheid van de autoriteit als uitgangspunt heeft, die door de kerk gehandhaafd wordt. Zoo is dus de kerk getreden in de plaats van het Woord Gods, welks uitlegster en oordeelaarster zij werd door hare hierarchie. En daarmede wordt zelfs elke beweging, die uit en naar het Woord is, tot eene van de Christelijke kerk afgevallene, tot eene kettersche beweging, tot eene van Christus zeiven afgevallene. Zoo werd er dus eene leer tot heerschappij gebracht, die duidelijk uitsprak, dat het niet genoeg is op Gods waarachtigheid in Zijn Woord te steunen. Maar in de plaats daarvan trad de waarheid, die slechts door de eene autoriteit der kerk als alleen te gelooven kon worden voorgesteld. Zoo lag het dus voor de hand, dat de leer-autoriteit der kerk gesteld werd in het eene kerkelijk zichtbaar geworden eenheidsmoment, dat in de hiërarchische bestuursorganisatie verscheen. En deze hiërarchische organisatie bereikte haar zichtbaar hoogtepunt in den pauselijken stoel. De heilige stoel werd alzoo de hoogste rechter over de leer. Elke afwijking van den standaard der door de hierarchie vastgestelde normen werd dus een afval van Christus en Zijne Kerk, alle uit het leven zelf opkomende verscheidenheid werd schismatiek van aard en gaat dus wezenlijk gepaard met eene feitelijke afsnijding van de kerk als heilsinstituut. Want dit was de kerk op deze wijze geworden. Zij was niet meer in de eerste plaats het lichaam van Christus, maar een instituut geworden, waardoor het heil alleen kon worden verkregen. De kerk werd tot een machtig instument om aan de wereld het hare te geven.
Zonder en buiten deze ééne kerk was er dus nergens meer heil. De kerk werd de uitdeelster der genadegaven, waarover zij, natuurlijk van Godswege, de beschikking had gekregen. In deze eene kerk lag zoo aller heil en dus moest men wel tot haar als de eenig zaligmakende kerk behooren.
Het behoeft geen nader betoog, dat de Roomsche kerk de eeuwen door van zulk eene kerkelijke eenheid de overtuigde profetes is. Voor haar is er geene andere kerk mogelijk dan deze. In hare uitwendige verschijning, in hare hiërarchische organisatie, in hare liturgische en cultische vormen en bovenal in het primaat van Rome, in de praal der pauselijke autoriteit, treedt zij als de eene en eenige kerk op. Wat bovendien van zelf spreekt; in alles wat zij doet, in alles wat zij besluit, in hare ceremonieën en plechtigheden, zoowel als in hare leerstellingen, gaat het er om deze ,,Una sancta", deze ééne heilige algemeene kerk voor zichzelve op te eischen en deze haar alleen toekomende eenheid te bevestigen. Hare cathedralen, haar eeredienst, al het aesthetisch schoone, dat haar kenmerkt, heeft de strekking haar in die eenheid en eenigheid aan de wereld voor te stellen. Zoo heeft zij zich in de middeleeuwen ontwikkeld en zoo staat zij nog heden ten dage. Hoeveel er overigens ook gewijzigd moge zijn in de wereld, toch staat Rome met eene eenvormigheid, die van ware eenheid wezenlijk onderscheiden is. Deze eenheid in den vorm is hare kracht en hare zwakheid tevens. Ook hier toch gaapt er een kloof tusschen werkelijkheid en ideaal.
Reeds in de middeleeuwen was er tusschen het ideaal der ,,Una sancta", der ééne algemeene Christelijke kerk en de werkelijkheid van haar innerlijk leven, met de vele met elkander contrasteerende. elkander uitsluitende levens- en wereldbeschouwingen, geene harmonie. De werkelijke geschiedenis beantwoordde ook toen zelfs niet aan het eenheids- ideaal, dat in de hiërarchische kerkregeering belichaamd scheen. Onder het hul dier ééne hierarchie tierde welig de rijke verscheidenheid, die het leven voortbrengt. Indien er inderdaad eene levende eenheid bestaan had, dan zou er geene reformatie zijn opgekomen, omdat zij dan geen wortel had kunnen schieten. Het feit, dat de middeleeuwsche kerk niet bij machte is gebleken het innerlijk werkelijke aan het uitwendig hiërarchische systeem te doen beantwoorden, is op zichzelf reeds het bewijs, dat de kerk ook in haren strikt Roomschen vorm nimmer die waarachtige levende eenheid geweest is, die de hierarchie den schijn aannam te vertegenwoordingen. Zij heeft die, door op zichzelve te wijzen, als ware de regeering de kerk zelve, eenvoudig als werkelijkheid afgekondigd.
Onder het schild eener schijnbare onveranderlijkheid houdt de Roomsche kerk tot op dezen dag haar dogma aangaande de eene heilige algemeene kerk staande, zoodat het Vaticaansche Concilie in de „Constitutiones dogmaticae" de stelling verwerpt, dat de eenheid der algemeene kerk zou gegrond zijn in de samensmelting, ontstaan door vele particuliere kerken. Het Vaticaansch concilie decreteerde, dat de katholieke kerk alleen de ware kerk is en dat „de conventikels der ketters de ware kerk niet zijn, maar eene synagoge des Satans".
Het is dus duidelijk, dat Rome alle Protestantsch Christelijke kerkformaties voor synagogen van den Satan verklaart. En waar het nu alzoo is, daar was het apriori te verwachten, dat elke poging om Rome te bewegen tot deelname in het streven der moderne Protestantsche bewegingen naar eene hernieuwde openbaarwording der ééne heilige algemeene kerk, wel ijdel blijven moest. Rome kan geen anderen weg erkennen dan den weg, die naar Rome voert. Het is dwaas en volkomen ongegrond van Rome iets anders te verwachten dan de botte afwijzing van medewerking met wat zij noemt conventikels, die een synagoge van Satan zijn. En wie er over nadenkt moet aan de Roomsche kerk wel de eere geven, dat zij meer besef van haar wezen toont te bezitten en meer karakter bewijst dan alle die Protestantsche bewegingen onzer dagen, die de openbaring der ééne heilige algemeene kerk willen trachten te verwezenlijken bij voorkeur met Rome in bond, maar ook desnoods zonder haar en zonder eenigen anderen grond dan aan een luchtkasteel toekomt.
Er is te Utrecht dezer dagen opgericht eene vereeniging, die den naam draagt van „Oecumenische Raad van Kerken in Nederland". Niet zonder eenige luidruchtige en grootsche gebaren werd bij gelegenheid der oprichting een zoogenaamden „oecumenischen dienst" gehouden in de Domkerk. Deze samenkomst was vrij goed bezocht, zoo meldden de bladen.
De klacht, dat gelet op de beteekenis van dit samenzijn het nog veel voller had moeten zijn, wijst er op, dat onder deze weidsche opzet, met zoovele de aandacht trekkende sprekers, geen waarachtige teelbodem ligt. Heel deze beweging kwam niet op uit den boezem van het geloovig Protestantsche volk.
Zij is gemaakt en niet gegroeid. Eenige idealisten kwamen samen om te beproeven, of we hier in Nederland kunnen streven naar eene internationale vereeniging van kerken van allerlei slag, die dan oecumenisch heeten moet, alleen omdat er ook in andere landen eenige idealisten worden aangetroffen, die naar de verwerkelijking van een oecumenisch ideaal beweren te streven en die dan met de Nederlandsche „oecumenen" in contact treden. Het ligt echter voor de hand, dat zulke vereenigingen, hoe grootsch zij zich ook aandienen, met het wezenlijk oecumenisch ideaal niets gemeen hebben. Een werkelijk oecumenisch leven der kerken is alleen mogelijk bij levenseenheid. Op Protestantsch terrein althans is er van eenige samenleving internationaal geene sprake, indien de gemeenschap des geloofs ontbreekt. En als er iets gebleken is, dan zeker wel, dat daarvan niets te speuren is. Daarom is alles wat er op dit terrein tot nu toe gebeurd is, gebleven aan den buitenkant en beperkte het zich tot hetgeen ligt op uitsluitend practisch gebied. Dat geldt zelfs van die zoogenaamde oecumenische diensten, waarin bedienaren van allerlei kerken, daaronder vooral ethische en „gereformeerde" predikanten naast geestelijken van Engelsche en oud-Roomsche kerkformaties, samen optreden in eene godsdienstoefening, als waren zij inderdaad en wezenlijk één. Er blijkt uit dit alles, hoe uiterst oppervlakkig deze vraagstukken worden gekend en beschouwd en hoe men zich tevreden stelt met vormen, die een schijn van eenheid moeten geven aan een gezelschap, dat hoe sympathiek overigens ook om het naïeve idealisme, waarvan zij blijk geven, toch werkelijk bestaat uit vogels soms van zeer diverse pluimage, waaronder er zeker zijn, die het uiterst interessant vinden, mee te doen aan eene beweging, die door de groote liberale bladen gefêteerd wordt om haar internationalisme, dat heden ten dage meer belangstelling trekt dan het eigen nationale, ook al is dit dieper gefundeerd in het Woord van God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 juni 1935

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Oecumenisch streven IV

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 juni 1935

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken