Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De theologie van Dr. Karl Barth XIV

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De theologie van Dr. Karl Barth XIV

9 minuten leestijd

God de Openbaarder, het openbaren en het geopenbaarde, zoo wil Prof. B. verdedigen om daaruit vervolgens een trimiteitsleer (leer der goddelijke Drieëenigheid) te ontwikkelen (vgl. blz. 140).
Vervangen wij het woord openbaren door spreken, dan kan wellicht duidelijker worden, wat met een en ander bedoeld wordt. God spreekt, er is dus een spreken Gods en een gesproken woord. Het spreken Gods is een goddelijke werkzaamheid. God de Spreker is God en het gesproken woord is ook God. Het spreken, de spreker, het gesprokene, het is alles tezamen God en goddelijk. Uit het kleine zinnetje: God spreekt, wil Prof. B. dus de leer der Drieëenigheid afleiden. Van daar dus de onderscheiding in: Spreker, gesprokene en het spreken en de nadruk op de goddelijkheid van deze drieërlei wijze.
Als hij dat zoo stelt en aan de goddelijke drieëenheid denkt, is het niet geheel zonder grond en derhalve ook niet zonder beteekenis. Er is inderdaad een moment van waarheid in. hetwelk wij in de theologische gedachtewereld weder terug vinden.
Inderdaad wijst de H. Schrift op een goddelijk overleg, dat, om het zoo uit te drukken, besloten blijft binnen het goddelijk wezen. „Laat ons menschen maken." Dat woord stelt zulk een goddelijke sprake, waarin de raad Gods zich uitdrukt en meerdere personen vindt tegenover den spreker in God. Het mag nog wel eens gezegd, dat bij het gebruik van het woord spreken niet al te zeer aan een woorden en zinnen voortbrengen met onze denk- en spreekorganen moet worden vastgehouden. Het is een beeld en ook als beeld moge het een dieperen zin hebben dan een louter symbolische, het is toch een beeld. De mensch is mensch en geen God. Het menschelijk denken en spreken is menschelijk en niet goddelijk. De hulpmiddelen, die een mensch noodig heeft om te spreken, heeft God niet noodig.
Daar staat echter tegenover, dat God den mensch naar Zijn beeld heeft geschapen en dat beduidt dus dat ook in het menschelijk spreken en denken een beeld van het goddelijk denken en spreken is gegeven. Hoezeer daarvan onderscheiden en hoe geheel anders ook in wezen, er is toch een grond van vergelijking gegeven in de schepping naar Gods beeld.
Met deze dingen rekening houdend, kunnen wij iets meer benaderen, wat Prof. B. hier bedoelt. In God is alles goddelijk. God is God. Hij is een licht en er is gansch geen duisternis in Hem. Daarom is de spreker, het spreken en het gesprokene in God alles goddelijk. W i j zeggen in God en maken dus een onderscheiding. In God is alles God, maar als God sprak dat woord, waardoor alle dingen in het aanzijn werden geroepen, dan werd de wereld door het gesproken woord. De wereld kwam voort niet uit het Goddelijk spreken, maar op het Goddelijk spreken. De Schrift maakt onderscheid tusschen het eeuwige Woord, dat is bij God en God is en tusschen de wereld, die op de sprake Gods in het bestaan werd geroepen. Daarmede is dan ook een onderscheiding van tweeërlei gesproken Woord gegeven. Het eeuwige Woord is de Zoon Gods, die bij God is en God is, maar de wereld is ook een vrucht van het spreken Gods.
Prof. B. zegt, dat wij eigenlijk over God niet kunnen spreken op een wijze, die aan Zijn wezen beantwoordt. Als wij dus over God spreken, spreken wij over wat anders. Eigenaardig, dat Prof. B. zooveel over God spreekt. Zelfs spreekt hij in dit verband op een zeer abstracte wijze over God. Het kan toch niet anders worden opgenomen, dan zoo, dat alleen wanneer men van God op en voor zich zelf wil spreken, er één goddelijke Wezensgelijkheid is tusschen God als Spreker, als gesprokene en als het spreken. Nog eens: in God is alles God.
Doch nu kan men op het standpunt van Prof. B. allerminst praten over God op zich zelf en over de innerlijke wezengelijkheid van Gods als Spreker en als het gesproken Woord en het spreken. Niemand zou ook ooit op de gedachte gekomen zijn, als God niet zelf geopenbaard had, dat Hij in de eeuwigheid Zijns Wezens onderscheiden is als Vader, Zoon en Heilige Geest. Prof. B. kan alleen op grond van de geopenbaarde kennis zeggen, dat het spreken Gods de wortel van de leer der triniteit is. Geheel in orde is dit ook niet, want de wortel van de leer der triniteit is de Godsopenbaring zelf. In het bewustzijn, dat door de religie der Schriften is verlicht, wordt God ervaren in Zijn drievuldige openbaringswerkzaamheid, zooals ook door de H. Schrift wordt geleerd.
W i j hebben boven het woord openbaren door spreken vervangen en het kan gebleken zijn, dat in God op en voor zich zelf beschouwd, voor zoover wij daarvan zouden mogen gewagen, van een goddelijke sprake als innerlijke beweging van Zijn wezen en personen kan worden gerept. Nadrukkelijk werd daarbij gezegd, dat in God alles goddelijk is.
Het woord openbaren echter wil wat anders dan spreken. Het is ook spreken, maar het spreken voor een hoorend oor buiten den Spreker. Als God zich openbaart, blijft Zijn spreken niet binnen de persoon besloten, maar treedt het naar buiten. De eerste daad van openbaring is een spreken Gods, waarbij nu juist de vrucht van het spreken niet God is, maar een wereld. Een volgend moment is, dat in die wereld een oog is om te zien, een oor om op te merken en een hart om te verstaan de sprake Gods.
Prof. B. wil telkens doen, wat hij naar zijn critisch uitgangspunt niet kan. Hij wil over God spreken. De H. Schrift leert ons over Gods openbaring spreken. En zij stelt ons voor de verborgenheid der schepping, een leven van wondere verscheidenheid en heerlijkheid op zijn woord te voorschijn geroepen, goddelijk van oorsprong en schoonheid, maar toch van God wezenlijk onderscheiden.
Ten aanzien van het uitgaande Woord der schepping kan nu juist niet worden gezegd, dat de goddelijke spreker en het door Zijn woord geroepen leven God is, of in God is besloten. Het wonder der schepping is juist, dat de wereld zonder God niet zijn kan, dat wij in Hem ons bewegen, zijn en leven en dat wij toch niet God zijn, maar van Hem wezenlijk onderscheiden. Het verstand staat daarbij stil, maar het religieus bewustzijn zegt, dat het zoo is. Nu wordt aan dat verstand niet tegemoet gekomen, als wij de wereld negeeren als een niet-zijn, omdat zij niet God is en verscheiden van Zijn wezen.
W a t Prof. B. nu verder omtrent de leer der Drieëenheid Gods zegt, willen wij later beschouwen. Hier dient nog te worden opgemerkt, dat 'het openbaringswerk, indien het zooals Prof. B. wil, in God besloten blijft, van zijn karakter wordt beroofd. Wat toch kan de beteekenis zijn van de openbaring, indien Openbaarder het openbaren en het geopenbaarde God en niet anders dan God is. Waarom zou God zich aan God openbaren. W a t wij van een innerlijk spreken in God dus kunnen zeggen, betreft de goddelijke zelfkennis. De Heilige Schrift leert God kennen als een in zich zelf genoegzaam en zelfbewust Wezen. Heel wat anders is een naar buiten openbaren. Om dat onderscheid te laten zien voerden wij het woord spreken in. Een openbaring als door Prof. B. voorgesteld is een goddelijke alleenspraak in God, maar wat de H. Schrift door openbaring verstaat, is een mededeelen uit de goddelijke Zelfkennis en in een ander bewustzijn, dat niet God is, verwekken van kennisse Gods en wetenschap van goddelijke zaken.
Prof. B. wil dat ook in den mensch God tegelijkertijd openbaarmaker en geopenbaarde is. Hoe kan ik mij dat voorstellen anders dan dat de goddelijke alleenspraak als een onbegrepen adem langs, ja door mij heengaat?
Hier raken wij aan een der zeer gevaarlijke voorwerpelijkheid der openbaring en van het geopenbaarde. Zij staat niet in levend contact met ons bewustzijn en ons bewustzijn wordt niet aangeraakt door de openbarende werkzaamheid. De levensstroom der openbaring gaat door ons heen zonder ons iets te doen. W i j zijn als een geïsoleerde kabel, waardoor de electrische kracht zich verplaatst, ja als het isolement van den kabel, waarlangs de onbegrepen kracht wordt voortgedreven.
Het doet aan het Roomsche geloof denken, maar met het levende frissche geloof der reformatoren heeft het niets gemeen dan namen en woorden.
Als de Godsopenbaring in en door ons menschelijk leven God tot subject en object heeft, hoe is het mogelijk dat er onder ons menschen nog over God wordt gesproken? Hoe kan het mogelijk zijn, dat wij nog eenig besef hebben van wat zoo geheel in God is en in God opgaat?
Hier brengt het ons niet verder van een mogelijke onmogelijkheid te gewagen. Het maakt de dingen noodeloos ingewikkeld en moeilijk te verstaan. Ook de schriftuurlijke geloovige weet, dat God in zijn ziel de Spreker en parakleet is, die Zich openbaart en hem overtuigt, hij weet, dat God is de Openbaarmaker van Zichzelf, maar hij weet ook, dat zijn zieleoog schouwt en zijn oor hoort en zijn hart gaat verstaan de dingen, welke de H. Geest openbaart. Gods kind staat niet voor den voorhang van een heiligdom, waarachter het ongekende leven zich laat vermoeden, niet een openbaring Gods in een onbekenden Bijbel, niet een geestelijk leven onder den mantel der priesterschap, schoon persoonlijk onbekend, niet een schat door de kerkelijke macht bewaard en beheerd, niet een openbaring, waardoor men persoonlijk de levende werkelijkheid niet ervaart, maar Gods inwonende genade in het binnenste, is de kracht en de werkelijkheid des geloofs.
In die werkelijkheid des geloofs weet Gods kind zich als schepsel onderscheiden van den eeuwigen Schepper en nochtans aan Hem verbonden door een mystieke gemeenschap en gedragen door Zijn eeuwige liefde. (Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 juli 1935

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

De theologie van Dr. Karl Barth XIV

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 juli 1935

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken