Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De theologie van Dr. Karl Barth XXIII

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De theologie van Dr. Karl Barth XXIII

7 minuten leestijd

Ontvangen door den H. Geest, geboren uit de maagd Maria.
Dit gedeelte der belijdenis wordt door Prof. B. aan een nadere beschouwing onderworpen. Dit „bericht", zoo merkt hij op, aangaande de geboorte van Christus en „den ingang der openbaring in den tijd, in de geschiedenis, kenmerkt deze geschiedenis en daarmede de openbaring als oergeschiedenis, als Wonder (272). Wij willen niet in herhaling treden door er andermaal op te wijzen, dat de woorden, de ingang der openbaring „in den tijd", openbaring als oergeschiedenis, op begrippen wijzen, die ondanks den nevel, in welken zij zijn gehuld, duidelijk genoeg een opvatting afteekenen, die niet zonder bedenking is. Het begrip openbaring wordt wijsgeerig aangemerkt en verkrijgt een anderen zin dan dat der confessie. Wij hebben daarop reeds eerder de aandacht gevestigd.
Niettemin aanvaardt ook de kerk de gebeurtenis van den Kerstnacht als een wonder. Inderdaad schouwt de kerk hierin een onmiddellijke daad Gods, die van geheel eigenen en buitengewonen aard in de historie der menschheid staat.
Niet zonder grond neemt Prof. B. de belijdenis: ,,ten derden dage wederom opgestaan uit de dooden" daarbij. Geboorte en opstanding zijn aanvang en einde van dit menschenleven in de geschiedenis. Prof. B. ziet daarin dat de Godmensch de objectieve mogelijkheid der openbaring is. Ook over deze stelling hebben wij reeds eerder gesproken.
Ook de oude theologen hebben over de wondere geboorte getheologiseerd. Sommigen hebben het „wonder" in twijfel getrokken, en dat geslacht is nog niet uitgestorven. Prof. B. wijst er op, dat de oude dogmatici verschillende gronden hebben aangewezen voor de geboorte uit de maagd Maria. Vooreerst dat de Zoon geen deel zou hebben aan de erfzonde. Hij moest de historische menschheid doorbreken (275) en moest de door den val verbroken continuïteit van de door God geschapen menschheid wederom in vrede met God „herstellen" (276). Dat is openbaring en verzoening (276). Waarom werd de man uitgesloten? (277). Het antwoord meent Prof. B. te vinden in de verschillende positie van man en vrouw. De geschiedenis is meerendeels geschiedenis van mannen, de kenmerkende daden van alle tijden en culturen zijn mannendaden. Door Adam kwam de zonde in de wereld (278). Inderdaad is den man beschoren de leidende en verwerkelijkende daad toegewezen in de historie en de Schrift stelt hem ook verantwoordelijk voor de zonde, hoewel de vrouw niet allen daarin, maar in heel het leven mede betrokken is. De vrouw is de moeder der menschelijke creatuurlijkheid, de draagster der menschheid. Daarom moest de tweede Adam een andere zijn, van den hemel komen om de menschheid te vernieuwen. De vrouw is de mogelijkheid des menschen voor de werkelijkheid van het Woord Gods (280). Door de geboorte uit de maagd kan het vleeschgeworden Woord het evenbeeld Gods zijn, evenals Adam voor den val (275). Met dit laatste is een positieve grond voor de geboorte uit de maagd aangegeven. Het wonder der geboorte is echter daarmede niet uitgedrukt. Prof. B. zegt met nadruk en zeer terecht, dat het wonder ligt in de daad Gods: ontvangen door den H. Geest. Daarmede is dus de uitwerkende oorzaak aangeduid, de overschaduwing van den Heiligen Geest. De Heilige Geest is niet de Vader van Christus. De Zoon des menschen heeft slechts één Vader, n.1. God, de Vader. Het is in dit opzicht juist, als Prof. B. alle vergelijking met mythologische voorstellingen, die van relaties van goden en dochteren der menschen handelen, van de hand wijst. Het wonder des H. Geestes onttrekt zich aan iedere verklaring, welke de menschelijke rede zou willen geven (282—283).
Een gewichtige zijde van het wonder heeft men steeds gezien in de heiliging der menschelijke natuur, welke het vleeschgeworden Woord heeft aangenomen. De H. Schrift spreekt van het Heilige, dat uit u zal geboren worden. Ook daarop vestigt Prof. B. de aandacht. De werking des Heiligen Geestes is een heiligende werking. Door het genadeoordeel werd aan de menschelijke natuur, bedoeld is van den Zoon, de zonde Adams niet toegerekend (283). Heidegger zocht een andere verklaring, wanneer hij de menschelijke natuur van Christus als reeds voorbestemd in Adam wil zien, die niet zou gezondigd hebben, toen Adam zondigde. Deze verklaringspoging berust op een onderstelling, welke onhoudbaar is. Levi heeft in Adam tienden gebracht aan Melchizedek, doch Levi was in het menschelijk geslacht als een lid des geheels begrepen. Men kan echter de menschelijke natuur van den Zone Gods, die eeuwig bij den Vader was, niet als in Adam voorbestemd denken. Prof. B. vindt de onderstelling, van Heidegger dan ook rijkelijk stout (283). De Schrift getuigt overigens niet, dat God den Christus de zonde niet heeft toegerekend, maar dat Hij hem tot zonde heeft gemaakt, hoewel Hij geen zonde heeft gekend noch gedaan.
De subjectieve openbaring.
Onder subjectieve openbaring verstaat men de openbaring van den individueelen mensch. In de gemeente spreekt men van het onderwerpelijke. Een voorwerpelijke en een onderwerpelijke prediking. Het voorwerpelijke ziet op hetgeen op zich zelf en buiten ons om waarheid en werkelijkheid is. Het onderwerpelijke heeft betrekking op de werkzaamheid in het binnenste. Prof. B. heeft daarom aanleiding om te spreken over de subjectieve mogelijkheid der openbaring. Hoe is het mogelijk, dat de openbaring in den individueelen mensch werkzaam is. Hoe is het mogelijk, dat een mensch over de geopenbaarde dingen Gods spreken kan? Dan toch moet er wat in hem zijn, moet er kennis zijn van die dingen. Prof. B. drukt zich wat anders uit: Hoe is het mogelijk, dat het Woord Gods door een mensch wordt gehoord? Hij antwoordt reeds onmiddellijk in het opschrift van dit onderdeel zijner behandeling: Door de uitstorting van den Heiligen Geest (284). Doch hoe hij dat verstaat wordt nader uitgewerkt. Hij spreekt van een ontmoeting Gods. Indien de mensch God ontmoet, zooals God in Jezus Christus hem ontmoet. Wanneer wij voor God bestaan, zooals Hij in Jezus Christus voor ons daar is (285).
Hoe kan de mensch, zonder op te houden mensch te zijn, een ontvanger der openbaring zijn? (285) Hierbij haalt Prof. B. Calvijn's woorden aan (Inst. I 1. 1, en III 2. 34.), waarbij Calvijn wijst op den blinden staat, waarin wij menschen van nature verkeeren en op de verlichting door den Heiligen Geest, zonder welke wij de dingen, die des Geestes Gods zijn, niet verstaan. Prof. B. omschrijft met vele woorden onze vervreemding van God: de waarheid als goddelijke mogelijkheid in onze schepping gegeven om met God in gemeenschap te leven, maar het conflict, waarin wij met die waarheid leven. Er is geen menschelijk orgaan voor deze openbaring. Daarom is de mensch, aan wien God zich openbaart, de mensch, voor wien God niet openbaar worden kan (287). De mensch moet zich zelf als niet existeerend (bestaand) denken om het tot hem gekomene Godswoord te begrijpen (287).
Vergeefs poogt Prof. B. dit klaar te maken door een beroep op Jesaja 6, waar de profeet een „wee mij, want ik verga", uitroept, als hij voor God staat. De zondemensch kan niet voor God bestaan, zoo belijdt de gemeente. Dat is echter heel wat anders dan zich als mensch als niet existeerend begrijpen. Hij zou misschien wenschen niet te existeeren, maar het feit, dat hij bestaat, zooals hij bestaat voor God, is zijn grootste smart.
Hierboven zien wij, dat Prof. B. van de goddelijke mogelijkheid in onze schepping gegeven om met God in gemeenschap te leven en van die goddelijke mogelijkheid als waarheid spreekt. In verband met de andere uitspraak: er is geen menschelijk orgaan voor deze openbaring, doet dat vreemd aan. Bedoelt hij, dat de mensch als mensch, dus ook in zijn oorspronkelijke reinheid geen orgaan voor de Godsopenbaring had, zoodat de mogelijkheid om met God in gemeenschap te leven, alleen bij God waarheid was? Indien ja, dan is deze voorstelling zeer in strijd met de gegevens der openbaring. Immers, zij stelt ons den mensch voor, existeerende op aarde en zoo, dat hij Gods stem verneemt en zich tot God begeeft en Hem ook ontmoet om vervulling te erlangen van wat hij als gemis ontdekt. Men denke aan de schepping der vrouw. De goddelijke mogelijkheid van Godskennis en Godsgemeenschap der menschen wordt derhalve ook als werkelijkheid in het leven van den mensch geteekend. De H. Schrift geeft ons den eersten mensch te zien als een schepsel, dat toegerust is met de gaven om in rechtheid voor zijn God te leven. Dat er geen orgaan van de Godsopenbaring zou zijn, d.i. een orgaan om het kennelijke Gods te kennen, is een gedachte, die daarmede niet overeenkomt.
(Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 oktober 1935

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

De theologie van Dr. Karl Barth XXIII

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 oktober 1935

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken