Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De theologie van Dr. Karl Barth XXV

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De theologie van Dr. Karl Barth XXV

9 minuten leestijd

De uitstorting van den Heiligen Geest. Wat dat voor Prof. B. beteekent, hoe hij dit meent te kunnen verstaan, hebben wij in het vorige artikel uiteengezet. Evenals in de schepping en de vleeschwording des Woords hebben wij hier met een wonder Gods te doen (290). Dat is ongetwijfeld zoo, maar juist daarom kan het menschelijke denken deze dingen niet doorgronden. Wie meent daaromtrent eenig begrip te kunnen vormen en van de mogelijkheid der Godsopenbaring spreekt, verraadt daarmede, dat hij van een beschouwing uitgaat, die het wonder ten slotte toch niet als wonder neemt.
De uiteenzetting van Prof. B. kan daarom geen duidelijkheid aanbrengen. Hij wil dan nog een schrede voortgaan en de mogelijkheid der Godsopenbaring nog wat nader bezien. De subjectieve gesteldheid, waaronder God den mensch openbaar kan zijn, wil hij nog wat nauwer bepalen. Hoe kan de mensch, die voor God niet staan kan, toch werkelijk en juist zóó voor God staan?
Prof. B. wil op vier punten de aandacht vestigen (291): a. De mensch moet gezien worden en gezien blijven, zooals hij in zichzelf nu eenmaal is, arm, ellendig, naakt en louter in betrekking tot God, zoo merkt hij op. Niet geschikt om den Oneindige te vatten, zoo omschrijft hij dit verder, en bedoelt dat dan niet in wijsgeerigen zin, maar omdat hij juist in het licht der openbaring zoo is. Zijn „zijn", zijn „in God begrepen zijn", mag hem in geen geval voorwendsel zijn, zijn karakter als mensch, als deze mensch, vergoddelijkt voor te stellen (291).
Op deze wijze gaat Prof. B. protest aanteekenen tegen de gevolgen, die zijn redeneering logisch onbetwistbaar insluit. De mensch, aan wien God zich openbaart, is eigenlijk wel in God en vergoddelijkt, maar hij mag het zoo niet zeggen. Daar kunnen religieuse ervaringen zijn, die den indruk wekken, alsof er een verandering bij den mensch heeft plaats gevonden, maar de mensch verbeelde zich niet, dat hij zelf de ontvanger van de openbaring is. Hij stelle zich niet voor, dat hij God in zich zelf ontdekke, maar andersom, dat hij zichzelf in God ontdekt.
De Heilige Geest leert volgens Prof. B., dat de mensch aan wien God zich openbaart, een mensch is, aan wien God zich niet openbaren kan (292). Hij wil daarmede zeggen, dat de mensch het Woord Gods door den Heiligen Geest ontvangen kan, maar zonder dezen niet. De bevinding der genade acht hij voorts een gebeurtenis, die zielkundig even weinig is te vatten als die van de vleeschwording des Woords historisch kan worden verstaan . Deze bevinding ligt volgens hem niet in het gebied onzer gewone levenservaringen. Gelooven en gehoorzamen als het werk des H. Geestes bestaat nu juist daarin, dat men grijpt, wat men niet beleven kan en daardoor komt men eerst recht in de armoede. Hij besluit deze redeneering met een beroep op Col. 3 : 3: „ons leven is met Christus verborgen bij God." (293).
Men kan lichtelijk inzien, dat Prof. B. hier te velde trekt tegen, wat in de gemeente van Christus bevinding heet. Wanneer hij den strijd aanbindt tegen een valsche mystiek, zouden wij hem daarin prijzen. Daar is zeker een prediking en een vroomheid, die het ware Christendom meent te bewaren in een mysticisme, dat als ongeestelijk en onschriftuurlijk een caricatuur maakt van de waarachtige godsvrucht. Er is een Schriftprediking, die de leer der godzaligheid meent te dienen door een vergeestelijking, die dikwijls heel vindingrijk aandoet, maar geenszins den heiligen Dienst des Woords eert. Onder den schijn van zulk een geestelijkheid wordt niet zelden de armoede bedekt van den prediker, die de kudde des Heeren waarlijk wel wat meer voedsel zou kunnen voorzetten, indien hij met meer ijver het leven der Kerk mocht onderzoeken, gelijk dat door de Heilige Schrift wordt geleerd.
De gemeente heeft in onze dagen meer dan ooit behoefte aan een gezonde geestelijke leiding, die naar de Schriften is. Het ontbreekt door Gods genade nog niet aan een volk, dat den Heere vreest, maar hoe weinig schittert de glans der genade uit om een licht te zijn in de wereld. En wij zijn er verre vandaan om met een enkel woord het mystieke volkje te veroordeelen, alsof er geen sprank van leven zou worden gevonden. Doch een iegelijk zij gedachtig, dat slechts de waarheid in het binnenste den vuurproef zal kunnen doorstaan.
Prof. B. treedt echter niet op tegen valsche vroomheid en valsche bevindelijkheid, welke den wortel der zaak missen en aan de leiding van den Heiligen Geest vreemd zijn, maar hij gaat tekeer tegen alle bevinding, zooals men kan opmerken uit zijn betoog. Niet een valsche mystiek, maar alle mystiek wordt door hem genegeerd. Dat is te meer merkwaardig. omdat men moeilijk zal kunnen ontFënnëh, dat ook zijn redeneeringen gedragen worden door gevoelsmomenten, die mystiek van karakter zijn. Van geloofsbevinding wil hij echter niet weten. Immers die ligt als het werk des Geestes buiten het terrein onzer gewone levenservaringen. Voor den verborgen omgang, waarin Gods kinderen zich verheugen, biedt zijn theologie geen plaats. Hij maakt van het werk des Heiligen Geestes iets, dat buiten den mensch omgaat en door hem niet kan worden ervaren. Immers de mensch mag niet meenen, dat hij de ontvanger der openbaring is. Geen inwoning van God den Heiligen Geest in den mensch, maar een zijn van den mensch in God. Doch als een mensch zich in God zijnde ontdekt, dan mag hij dit wederom zoo niet nemen, want hij moet zich voor oogen stellen, dat God zich aan hem niet kan openbaren.
De Heilige Schrift spreekt van de inwoning des Heiligen Geestes. Wij zullen bij hem woning maken. De Christus zegt dat Hij is in de Zijnen en de Zijnen in hem (Joh. 17 : 21—26). Derhalve kan men zoomin eenzijdig beweren, dat Gods kinderen in God zijn, als dat God in Zijne kinderen is. Zij wijst op een geheel nieuwe levensbetrekking in Christus Jezus, waarvan de deelgenooten kennis dragen door de bevinding des geloofs. Maar juist daardoor weten zij, dat zij het leven niet in zichzelven hebben, zoomin als zij ook het z.g. natuurlijke leven in zichzelven dragen.
Wat gewoonlijk het natuurlijke leven wordt genoemd is het leven, dat ons toevloeit uit de scheppende heerlijkheid Gods. Het is uit Hem en door Hem en tot Hem. En hoewel dit zoo is, zou het toch een ongerijmdheid zijn te willen beweren, dat de mensch niet zou mogen zeggen ik leef, ik ervaar, ik gevoel, ik hoor en ik zie. De gewone natuurlijke ervaringen noemen wij de onzen, wij houden ons zelf voor het onderwerp dier ervaringen. Dat doet toch Prof. B. ook. En toch is het leven niet ons leven. Zoo stelt dit natuurlijke leven ons voor een geheel overeenkomstige werkelijkheid als het geestelijke. Ook dit is niet van ons, maar wordt toch ervaren door de genade Gods, zoodat wij van die ervaring het onderwerp zijn.
Ongetwijfeld is deze bevinding des geloofs van anderen aard dan het natuurlijke ervaren, maar daarom is het niet onhistorisch, ongebeurlijk en zonder werkelijkheid in de ziel van den mensch. Ons natuurlijke leven is evenzeer als het geestelijke een verborgenheid. Ook daarvan mag worden gezegd, dat het verborgen is bij God, maar wij weten dat niet, zoo de genade Gods ons aan de Waarheid niet ontdekt. Eerst als het eeuwigheidslicht over ons aardsche leven opgaat, gaat ons oog daarvoor open.
In den grond der zaak maakt Prof. B. dan ook een geheel valsche onderscheiding tusschen het natuurlijke en het geestelijke. Het natuurlijke wordt van de heerlijkheid beroofd, welke daarin als Gods schepping is. Het natuurlijke wordt in zijn oog iets minderwaardigs en ongoddelijks, alsof het niet van oogenblik tot oogenblik door Gods kracht en voorzienigheid werd gedragen. Hoe kan de psalmdichter het loflied der schepping beluisteren, als zij niet spreekt van Zijn heerlijkheid? Hoe kan de profeet de Godssprake vernemen, die hemel en aarde tot getuigen roept, als Hij Zijn oordeelen en beloften bekend maakt, zoo niet hemel en aarde door den Geest van 's Heeren mond waren gemaakt en als de werken Gods Zijn majesteit vertolkten?
Ons dreigt het gevaar maar al te zeer in die geringschatting van het natuurlijke meegesleept te worden. De oorzaak daarvan ligt in onze eigene onnatuur. Wijl wij een verdorven geslacht zijn en de stem Gods niet opmerken, die uit alle schepsel opklinkt, achten wij alle natuur als iets, dat boos en ongoddelijk zou zijn. Ook daarin rechtvaardigen wij het oordeel Gods over ons, dat wij zelf aan den schepselmatigen eerbied voor de werken Zijner handen te kort doen. Zondaar zijn beteekent niet creatuur zijn, maar blind zijn voor onze eigene nietigheid en Gods grootmachtig Wezen.
Zoodra echter Gods licht over ons leven opgaat, zien wij alle dingen zoo geheel anders en verstaan wij, dat ook ons aardsche leven in Zijn hand is. Hoezeer er dan ook grond mag zijn om de geestelijke dingen van de aardsche te onderscheiden, zooals Prof. B. dat voorstelt, wordt het zelfs ongerijmd en leidt tot beschouwingen, die niet alleen de geestelijke, maar ook de aardsche dingen scheef trekken.
Het wonder der schepping is toch niet geringer dan de bovengenoemde wonderen Gods. En als Prof. B. alle dingen in God wil zien, kan hij zijn redeneering over de Godsopenbaring en het menschelijk bevinden reeds beginnen bij de aardsche verschijnselen. Ook het gewone ondermaansche denken, gevoelen en handelen, zou hij dan op een doen Gods moeten terugbrengen, waarbij de mensch als denkend, gevoelend en handelend ik wordt genegeerd.
Doch omgekeerd geldt dan evenzeer, dat evenals de alomtegenwoordige kracht Gods alle dingen onderhoudt en alzoo regeert, dat zonder den wil des hemelschen Vaders geen haar van ons hoofd vallen kan, de mensch naar Gods wil als een gevoelend, denkend en handelend schepsel bestaat, zoo ook de geestelijke mensch bestaat, schoon het de Heilige Geest Gods is, die in hem werkt het willen en het volbrengen.
(Wordt voortgezet.) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 november 1935

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

De theologie van Dr. Karl Barth XXV

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 november 1935

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken