Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De theologie van Dr. Karl Barth XXVIII

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De theologie van Dr. Karl Barth XXVIII

7 minuten leestijd

Nog eenige beschouwingen over Schleiermacher brengt Barth onder de aandacht. Zooals wij gezien hebben, verwerpt hij het standpunt van Schleiermacher, als zou de mensch, zij het dan ook verschillend in graad, het goddelijke hebben. Wanneer dat religie heet, speelt dat in een andere wereld dan de openbaring. Met de subjectieve mogelijkheid der openbaring heeft dat niets te doen, zoo merkt hij op (308).
Inderdaad heeft hij daarin recht. Wanneer men aan den mensch iets goddelijks toeschrijft, is er geen plaats voor religie meer. De mensch, die zich zelf voor goddelijk houdt, behoeft geen gebed, vindt geen roeping in den dienst van een verheven God, want boven hem is zulk een God niet.
Toch zijn dergelijke gedachten zeer verbreid en kan men die veelvuldig aantreffen. Daarin manifesteert zich de zonde van ons geslacht. De mensch wil gaarne Gode gelijk zijn en is haastelijk geneigd zich Gode gelijk te maken. Zoo diep schuilt die zonde in het gemoed, dat velen die spreken van het goddelijke, of van een goddelijke vonk in den mensch, zich geenszins bewust zijn van de beteekenis van zulk een beweren en de ernstige dwaling, welke daarin schuilt. Het is dan ook een verdienste van Barth, dat hij met alle kracht tegen zulk een pantheïstische opvatting opkomt. Ontkend mag niet, dat hij dat doet met een eenzijdigheid, welke weer tekort schiet aan den anderen kant en geen ruimte laat voor de schriftuurlijke religie, welke uit de gemeenschap met den heiligen God wordt geboren en een mystieke unie met Christus kent.
W i j hebben reeds eerder aangetoond, dat hij — gelijk dat zoo dikwijls geschiedt — gevaar loopt in de fouten te vervallen, die hij meent te bestrijden. De tegenstander van de zuivere mystiek is hier zelf van mystiek niet vrij en de wijze, waarop hij zijn openbaringsleer tracht te construeeren, kan zich van gedachten, die tot het pantheïsme neigen, niet vrij houden. Het pogen echter om tegen de pantheïstische conceptie der wijsgeerige systemen te strijden, is op zichzelf prijzenswaardig. De machtigste positie tegen dergelijke gevaren ligt in het leven der religie zelf, welke krachtens zijn a a r d het bewustzijn der persoonlijkheid sterkt.
Openbaring, daarin heeft Prof. Barth gelijk, stelt van meet af onderscheiding tusschen God en niet-God. Wanneer de mensch God is, kan van openbaring geen sprake meer zijn. Valt die onderscheiding weg, dan kan men ook niet meer spreken van de uitstorting van den Heiligen Geest.
Met grooten nadruk legt Prof. Barth de pantheïstische grondgedachte van Schleiermacher bloot (308—309). Dat is daarom van belang, omdat zijn leeringen niet zonder invloed zijn gebleven op de theologische en kerkelijke richtingen. De ethische richting heeft in hem haar vader te begroeten en velen, die zich onder de ethischen scharen, zouden zich waarschijnlijk verwonderen over de grondbeginselen en de strekking, welke daaruit voortvloeit, indien zij zich daarvan klaar bewust waren.
„Religie is een product van de menschelijke natuur, gefundeerd in eene harer noodwendige wijzen van handelen of drijfkrachten, of zooals men dat noemen wil", zoo citeert Prof. B. van Schleiermacher en verder: „Wie een onderscheid maakt tusschen deze en gene wereld, bedriegt zich zelf, alleen, die tenminste religie hebben, gelooven slechts aan eene (wereld)". Nog een andere uitspraak: „Een religie zonder God, kan beter zijn dan een andere met God" (309).
Deze en dergelijke uitspraken getuigen voor zich zelf. Het allereerste en meest sprekende in de religie der H. Schrift is toch zeker de onderscheiding van God en de goddelijke dingen van dit ons ondermaansche bestaan. En welke Schrifttheoloog zal een religie zonder God in beschouwing nemen, zoo toch buiten God geen kennis, noch van den mensch, noch van zijn bestemming en heil mogelijk is.
Wij hebben hier van doen met een verklaring van de religieuse verschijnselen, die in het gemoed des menschen zich voordoen, welke op een natuurlijk gevoelen worden teruggebracht. Feitelijk is dat gevoelen het .goddelijke zelf in deze leer. W a t Schleiermacher hier op het oog heeft is in den grond der zaak niet anders dan de roering van het algemeen menschelijk bewustzijn, dat in het licht onzer vergankelijkheid, wordt getroffen door de beklemmende vraag naar den oorsprong van ons leven. Dit gevoelen is ook aan geen der philosophen vreemd geweest en heeft hen aangespoord om te pogen iets meer van dat leven te verstaan. Het ligt voor de hand, dat religieuse gevoelens zich daarin mengen, zooals dit ook uit de geschiedenis der wijsbegeerte kan blijken. De religie gaat in zulk een natuurgevoelen echter niet op en kan daaruit ook niet tot haar ontplooiing komen. Karakteristiek is dat gevoelen in het Buddhisme, hetwelk daardoor wel een religie zonder God wordt genoemd. Het behoeft niet gezegd, dat zulk een spreekwijze geen aanbeveling verdient. De religie is geen zaak van het gevoel, noch van het verstand, noch van den wil. Religie is een centrale levenskracht, welke over het gansche leven van den mensch haar invloed doet uitgaan, en in denken, willen, gevoelen en handelen stuwkracht en richting geeft.
In de beschouwingen van Schleiermacher, zoo deelt Prof. B. mede, gaat ook de Christelijke religie en heel de geloofswereld op in het gevoel. Geloofsleer is niet anders dan redelijke conceptie van wat uit het vroom gemoed opwelt, van vrome gemoedstoestanden dus. Als Prof. B. dan verder gaat en opmerkt: de religie van Schleiermacher heeft geen God tegenover zich (311), treft hij haar daarmede in het hart. Zoodra de zuivere religie aan het woord komt, staat God tegenover den mensch in Zijn heerlijkheid en gerechtigheid. In deze ontdekking leert de mensch ook zichzelf kennen als een onwaardig en gevallen schepsel. Hij weet zich onderscheiden van God en ontwaart, dat God is de Verhevene, Rechter der gansche aarde. In het licht, dat door den H. Geest wordt ontstoken, leert de mensch God en zichzelven kennen.
Daarom kon Calvijn zeggen, dat er geen Godskennis buiten de religie is. Eerst uit de werkelijkheid der religie komt de kennis van God en derhalve ook de theologie op.
Ondanks verschillende punten van Barth's critiek op de beschouwingen van Schleiermacher, waarmede wij instemmen, kunnen wij toch slechts een eindweegs met hem gaan. Niet, wijl wij voor een deel de principiën van Schleiermacher in bescherming willen nemen. Als Schleiermacher op algemeene verschijnselen wijst, verdienen die evenzeer belangstelling als wanneer een andere onderzoeker of denker daarop opmerkzaam maakt. Daarover kan geen kwestie zijn, maar het gaat om de beginselen, om het uitgangspunt, de grondgedachten en de kern van het systeem, waarin men die zet. En dan is genoegzaam gebleken, dat Schleiermacher onze man niet kan zijn. Wanneer Schleiermacher de Godsgemeenschap immers als een zekere natuurlijke gesteldheid beschouwt, welke naar omstandigheden en in onderscheidenen graad aan het bewustzijn treedt, wordt daarmede de religie krachteloos gemaakt, maar als Prof. Barth daarentegen alle gemeenschap met God uitsluit, kan er evenmin sprake van echte religie zijn.
Van de schepping uit is een betrekking, een levensrelatie van God en mensch niet te loochenen. Zulk een betrekking is er niet alleen tot den mensch, maar ook tot het redelooze schepsel. Hoe anders zouden zij bestaan? Die levensbetrekking wordt ons voor zooveel den mensch aangaat, ook door de H. Schrift geteekend als een gekende. God spreekt met Adam en Adam weet dat. Het besef daarvan, hoezeer ook verduisterd, wordt ook door de zonde niet ganschelijk uitgeroeid, wijl God het in stand houdt. Door de genadedaad Gods nu wordt deze levensbetrekking vernieuwd, verhelderd, geheiligd, tot kennis en geloof, tot liefde en vernieuwing des gemoeds, zoodat de waarachtige vreeze Gods wordt geboren. Op die daad Gods naar zijn verkiezende genade zich richtende van Persoon tot persoon, moet alle nadruk vallen. Maar dan is er een mystieke gemeenschap van Gods kind met den hemelschen Vader in den Heere Jezus Christus.
Deze dingen nu zal Prof. B. niet toegeven, omdat hij die niet verstaat naar den regel des geloofs, zooals de gemeente van Christus dien vindt en belijdt in Gods Woord.
(Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 december 1935

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

De theologie van Dr. Karl Barth XXVIII

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 december 1935

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken