Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van art. 36 der Ned. Geloofsbelijdenis IX

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van art. 36 der Ned. Geloofsbelijdenis IX

12 minuten leestijd

De loop der geschiedenis heeft geleerd, dat het beslag, dat er door de beginselen der Reformatie over ons volk werd gelegd, allengskens verslapte met name door den invloed der opkomende nieuwe philosophische scholen. Het is een merkwaardig, in de geschiedenis vaak opvallend verschijnsel. dat als eene geestelijke beweging een hoogtepunt bereikt heeft, waarop zij tot triumph scheen te komen, zij daarmede ook over haar grootste kracht heen is. De Dordtsche Synode kan het ons leeren. Op die Synode werd het Remonstrantisme door de Kerk veroordeeld en daarmede vangt de tijd aan, waarin wijsgeeren opstaan, die in het volksleven en daarmede ook in de Kerk een grooten invloed verwierven en leeringen indroegen, die aan het Remonstrantisme, dat veroordeeld was, een eeuw later de hoofdleiding in handen geven. In Dordt behaalde het Gereformeerde beginsel de overwinning, maar de eeuwen, die op Dordt volgden, triumpheerde eerst buiten, daarna ook in de Kerk datzelfde eens veroordeelde beginsel. Inderdaad, er zijn wel mannen opgestaan, die zich daartegen te weer stelden, profetische figuren die optraden onder hoon en smaad en laster vaak van de priesters der afvalligheid, doch zij waren als de stemmen des roependen in de woestijn. Heden ten dage worden onze beste oude schrijvers nog gelezen en geëerd, doch zij hebben den voortgaanden afval niet kunnen keeren.
Uit den aard der zaak heeft deze ontwikkelingsgang, die in liberalisme en modernisme uitliep, ook voor de houding der regeering beteekenis gehad. Zij weigerde de samenroeping eener Synode tot beslechting van allerlei geschillen, tot orde stellen op de leer en hare handhaving. En zij verhinderde de Kerk zelve te doen wat zij noodig achtte. Zoo ontstond er een toestand, waarin art. 36 reeds vele tientallen jaren onder de oude republiek een doode letter werd. De Staat was innerlijk reeds in zijn oude vormen vermolmd, toen de revolutie uitbrak. En alle verzet, dat er van principieele mannen was uitgegaan, bleef ijdel.
Welnu, in de brochure heb ik op deze historische ontwikkeling gewezen, nadruk gelegd op de beteekenis dezer wijsbegeerte voor de in steeds breeder kring opkomende idee van den neutralen staat, blz. 28. Ik wees er op, dat de Staat daardoor ontheven werd van „zijne roeping om op te komen voor de geboden der eerste tafel '. Hem bleef slechts handhaving van die der tweede tafel. Ontzettend groot is de invloed dezer wijsbegeerte geweest, want in haar teeken staat feitelijk onze tegenwoordige „neutrale Staatsidee ". Ik heb dus in die brochure in een paar groote trekken het historisch verloop geteekend, dat ons gebracht heeft tot den modernen, liberalen staat der revolutie. Maar ik liet het daarbij niet, doch toonde, dat met het steeds meer in verscheidenheid van richtingen en stroomingen op geestelijk gebied uiteengaande volksleven, ten laatste ook de tweede tafel der Wet in het gedrang geraakte. Ook de zedelijke normen en idealen zijn bij zulk een diepgaande verscheidenheid in het geestelijk leven niet meer behoed tegen opkomende geheel verschillende zedelijke waardeering. En ik wees op de groote zedelijke verschillen, die socialistische en anarchistische bewegingen begonnen te vertoonen. Deze erkennen niet meer de geldigheid der zedewet. „En", zoo voegde ik er aan toe, „daardoor wordt de Staat zelve bedreigd".
Deze dingen heb ik in die oude brochure in het licht gesteld. En ik kan nu nog niet anders zien, dan dat ik destijds met juistheid heb geschreven. Ik zou heden ten dage nog precies hetzelfde kunnen zeggen. En het doet mij leed, dat men in de kringen der A.R. Partij, waarvan de leiding uitging en uitgaat, daarvan geen nota heeft genomen. De Heer Colijn heeft, naar mijne meening op practische gronden, in het geschrift Saevis tranquillus in undis de neutrale Staatsidee, die ik in die brochure in haren philosophischen oorsprong had geteekend, eenvoudig overgenomen. Ook hij wil de staatstaak tot de tweede tafel der Wet beperken. Zelfs meent hij, dat de apostel Paulus ook al in die richting wees. Toch ligt het voor de hand, dat met de eerste tafel der Wet Gods ook de tweede valt. Gods Wet is één. De Schrift leert het, „want wie de geheele Wet zal houden en in een zal struikelen, die is schuldig geworden aan allen. Want die gezegd heeft: gij zult geen overspel doen, die heeft ook gezegd: gij zult niet dooden." Dat is toch daarom zóó, omdat de Wet Gods Wet is. En al maken wij onderscheiding tusschen de geboden, zooals trouwens ook de Schrift zelve doet, dan beteekent deze niet, dat Gods Wet geene eenheid zou zijn. En de ervaring leert in het leven der enkelingen, zoowel als in de historie der volken, dat de verwaarloozing en lichtachting der eerste tafel ook gevolgd wordt door de losweeking op het gebied der tweede tafel. En daarmede is dus inderdaad gemoeid het gezag der regeering zelve.
Tegenover zulk eene ontkerstende neutrale Staatsidee heb ik mij ook in de brochure uit 1905 nadrukkelijk verzet, zooals ik het nog doe. En indien de heer Colijn zich grondig van het vraagstuk rekenschap gegeven had, dan zou hij met hetgeen ik op blz. 28 dienaangaande had opgemerkt, óf grondig hebben moeten afrekenen door de onjuistheid ervan aan te toonen, óf zich er door hebben moeten laten leiden bij zijne beschouwingen aangaande den Staat in zijne verhouding tot het religieuse leven des volks. Ik heb toch aldus geschreven: „Bij het vraagstuk, dat Art. X X X V I stelt, is eenerzijds beslist vast te houden, dat gelijk alle creatuurlijk leven ook het Staatsleven zal strekken tot verheerlijking Gods, maar anderzijds te onderzoeken hoever in deze de Staatstaak zich mag uitstrekken krachtens het wezen van den Staat. Ik heb het dus duidelijk als een punt van onderzoek gesteld. En daarom stelde ik het als een vraagstuk, omdat de sociale structuur van het maatschappelijk leven gewijzigd is. „Vroeger eeuwen", zoo zeide ik, „meende men, dat uniformiteit der burgers inzake de religie noodzakelijk was." Dat is toch onmiskenbaar juist. Zelfs in de dagen der Reformatie werden geheele bevolkingen eenvoudig religieus veranderd verklaard met de verandering, die de vorst des lands onderging. Het „imperium en de „religio" hingen met elkander saam. Dat is toch heden ten dage niet meer zoo. En blijkt daaruit niet, dat de macht van den Staat teruggedrongen is, niet meer zoo diep in het sociale leven ingrijpt? W i e kan dat ontkennen? En wie kan meenen, dat hij dezen feitelijken toestand ongedaan kan maken, of meenen, dat deze voor den Staat in de uitoefening zijner taak niets beteekent? O p dat feit heb ik nadruk gelegd en gezegd: „toch heeft de Staat God te verheerlijken en is het dus een vraagstuk, dat onderzoek eischt, hoe de Staat bij deze omstandigheden zijne Godverheerlijkende roeping kan volbrengen". Welnu, is dit niet juist? Maar als ik die vraag stel, dan kan toch niemand daaruit afleiden, dat ik de amputatie op art. 36 door de Synode toegepast in 1905 verdedig of goedkeur. Integendeel, ik heb er juist op gewezen, dat er een zeer groot gevaar ligt in de beperking van de taak van den Staat tot de tweede tafel der Wet, want zoo schreef ik: „er is één gevaar namelijk dit, dat hetzelfde differentiatieproces. dat den gekerstenden Staat heeft overvleugeld, ook den ongekerstenden Staat boven het hoofd zal groeien. Als dat geschiedt, dan slaat het proces om in zijn tegenhanger: de volstrekte socialisatie van den Staat, waarbij in naam van het Staatsbelang vooral de Christelijke religie om hare handhaving der persoonlijkheid het zal moeten ontgelden. Daarom het vraagstuk moet onderzocht. De Kerk heeft over het probleem, waarvoor deze tijd haar stelt, zich te verklaren" (blz. 28, 29).
Het is nu meer dan dertig jaren geleden, dat ik deze woorden heb geschreven. En is niet de juistheid ervan door de geschiedenis bevestigd? Zie naar de zoogenaamde fascistische, socialistische, nationaal-socialistische en communistisch -Marxistische landen. Daar is het proces omgeslagen in zijn tegendeel en daar moest de Christelijke religie het ontgelden „in naam van het Staatsbelang". Het is niet noodig te wijzen op wat er in Rusland geworden is van de religie in het algemeen, van de Christelijke in het bijzonder. Als zij er nog bestaansvormen heeft, dan toch onder eene Staatscontrole, die hare vrije ontplooiing onmogelijk maakt. En de Roomsche Kerk onder het regime van Mussolini heeft een bestaansrecht, doch onderworpen aan de macht van den Staat, dien zij heeft te dienen en te gehoorzamen als een instrument, dat de fascistische Staat gebruikt tot zijne doeleinden. En de moeilijkheden, die de Duitsche kerkformaties, de Roomsche kerk incluis, ondervinden, wijzen ook zij niet uit, dat de Christelijke religie ook daar in naam van het Staatsbelang in de kluisters van den Staat wordt geslagen? En zoo zou ik kunnen wijzen op het lot, dat zelfs de Roomsche kerk in Spanje en in Mexico, dus in zuiver Roomsche landen, dreigt te overkomen. Dit alles is het noodzakelijk gevolg van een socialistisch staatswezen, dat maatschappij en individueel leven absorbeert in de politieke macht. En zulk een staatsvorm is het logisch gevolg van de ontkerstening van den Staat eerst door hem zijne plichten met betrekking tot de eerste tafel der Wet te ontnemen, want daarmede is in beginsel ook beslecht over die der tweede tafel.
Daarop heb ik in die oude brochure gewezen en den eisch gesteld het vraagstuk in onderzoek te nemen. ,,De Kerk", zoo zeide ik, „heeft over het probleem, waarvoor deze tijd haar stelt, zich te verklaren." En zoo voegde ik er aan toe, ..dit heeft zij niet slechts te doen om voor de wereld te belijden, wat zij is en wil, „maar om door die belijdenis gunstig in te werken op het proces". Het lag toch voor de hand, dat een uitspraak der Kerk voor de richting ook op politiek gebied een leidende factor zou moeten zijn. Doch juist, omdat het vraagstuk zelf door de tijdsomstandigheden in het midden der belangstelling werd geplaatst, heb ik er aan toegevoegd: „Voor de oplossing echter kan de amputatie der gewraakte woorden van Art. X X X V I niet baten, veeleer zal zij daaraan schaden" (blz. 29). Juist op grond der historische beteekenis stelde ik mij tegen de door de Adviseurs bepleite schrapping en wees ik er op, dat het verre de voorkeur verdiende andere tijden af te wachten, waarin het vraagstuk tot klaarheid zou zijn gekomen en ook het kerkelijk en maatschappelijk en politiek leven beter geschikt zou zijn om eene principieele oplossing tot stand te brengen.
Het behoeft dus geene nadere verdediging mijnerzijds om aan te toonen, hoe geheel ten onrechte men dacht en denkt een beroep te doen op hetgeen ik voor 30 jaren ruim geleden geschreven heb. Maar wat van zelf spreekt, ik heb geen oogenblik ontkend en ontken ook geen oogenblik, dat art. 36 ons voor een vraagstuk stelt. Alleen hij kan dit ontkennen, die niet op de hoogte is van de historische omstandigheden in het verleden en het groot en diepgaand verschil tusschen de toestanden, waarin wij verkeeren. Juist daarom is het niet aannemelijk klakkeloos wat in het verre verleden was te willen overbrengen in onzen tijd en te doen als ware er tusschen het heden en het verleden van meer dan drie eeuwen geen onderscheid. En eveneens is het verwerpelijk beginselen, die God geopenbaard heeft en dien ten gevolge door Gods Kerk worden beleden en moeten beleden worden op straffe van haren ondergang, onder den sleur van de periode, die sinds de revolutie verloopen is, eenvoudig zonder meer uit te wisselen voor revolutionaire theorieën. Ook met betrekking tot den Staat heeft God in zijn Woord een licht doen opgaan, dat de Kerk des Heeren niet mag verdonkeren. Zij heeft midden in de wereld, ook in deze wereld, hoe verre deze ook is afgeweken van de paden der Waarheid, het licht Gods op den kandelaar te laten schijnen, opdat de wereld weten zal, welke de weg Gods is. En de politieke partij, die pretendeert naar het licht van Gods openbaring te vragen en zich bij haren strijd om den invloed op regeering, wetgeving en bestuur zich te willen laten leiden door „de eeuwige beginselen, die ons in Gods Woord geopenbaard zijn", zooals de A.R. Partij beweert te doen in Art. 3 van haar program van beginselen, die kan niet straffeloos eene staatsleer daaronder schuiven, die ontleend is aan de wijsgeerige stroomingen, die ons volk hebben ontkerstend. Ik breng daarom de woorden in herinnering door Groen van Prinsterer geschreven in Le Parti Anti-revolutionaire et confessionel dans 1' Eglise réformée des Pays-Bas, Amsterdam 1860, p. 48: „Wanneer een weg klaarblijkelijk maar twee uitgangen heeft: de anarchie of de tyrannie, dan is het moeilijk zich wijs te maken, dat het de goede weg is. En met een beroep op Guizot zegt hij: Er zijn tijden, waarin God, door het geweldige der gebeurtenissen, die Zijne lessen zijn, over de menschen zulk een stroom van licht uitgiet, dat, indien onze gemakzuchtige zorgeloosheid en onze hoogmoedige hardnekkigheid het niet verhinderden, alle geesten er door verlicht en bedwongen zouden worden. Wij hebben geleefd en wij leven in een van deze plechtige tijden." Inderdaad, zulke tijden hebben wij ook gezien in de laatste halve eeuw. En het is van belang daarom ook aan dat andere woord van Groen te denken in datzelfde geschrift, pag. 75: „Het antirevolutionaire beginsel is slechts het Christelijk beginsel, beginsel der Reformatie, het is niet anders dan het geloof in den levenden God. Het religieuse vraagstuk is het voornaamste, het aan alles voorafgaande vraagstuk, dat de politieke kwestie beheerscht en in zich sluit. Het komt er op aan terug te keeren tot de eeuwige waarheden. Niets meer en niets minder." Welnu, laat de revolutionaire partij aan dit woord van haren stichter gehoor geven, dan zal er mogelijkheid zijn met haar te spreken. Dan ook alleen, als zij de religie den haar toekomenden invloed wedergeeft door Gods souvereiniteit weder uit te roepen en de gehoorzaamheid aan Zijn Woord.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 14 maart 1936

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Van art. 36 der Ned. Geloofsbelijdenis IX

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 14 maart 1936

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken