Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Federatie van Ned. Herv. Bonden en vereenigingen op G.G.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Federatie van Ned. Herv. Bonden en vereenigingen op G.G.

10 minuten leestijd

Hieronder volgt het openingswoord van den Voorzitter, Prof. Dr. H. Visscher, gehouden op de 2e Algemeene Jaarvergadering te Utrecht.
Na ontvangst van het referaat ,,De Kerk" door Ds. J. H. v. d. Wal, zal ook dit afgedrukt worden.
M. H. H.

Het is mij een genoegen U allen op deze tweede vergadering onzer Federatie een hartelijk welkom te mogen toeroepen. Er is reden tot dankbaarheid, want de Heere heeft ons niet gedaan naar onze zonden, hield nog bemoeienis der genade met ons. Het is een oorzaak tot dankbaarheid, dat wij nog mogen samenzijn. Want hoeveel gebrekkigs ons en onzen arbeid aankleven moge, het is toch een bloem, die de Heere deed ontluiken aan de planting Zijner genade in dit oude land der Reformatie. Als Federatie vertoonen wij hier een beeld van de geestelijke werkzaamheid, die de Heere nog onder ons in onze Kerk heeft gewekt, gedragen en gezegend tot op dit oogenblik. En als wi'j dan merken op de wereld rondom ons, op de volken, in wier midden ook het onze leeft, dan zal het ons een wonder van genade zijn, dat wij nog mogen werken, nog mogen uitdragen Gods getuigenis en nog mogen roepen tot dat hooger geestelijk leven, dat met de godzaligheid de belofte baart voor dit en voor het toekomende leven beide aan de kinderen onzer Kerk, aan onze jeugd, aan de toekomende geslachten.
De tijden zijn donker. Nog steeds woedt een afschuwelijke menschenslachting, vloeit het bloed van duizenden, die weerloos zijn tegenover de vernielingswerktuigen der moderne techniek en de gruwelijke werking der giftige gassen, die de Chemie heeft voortgebracht. En nog klinken de geruchten van oorlogen en zijn er de voorboden van een naderende vreedie een ons onbekende toekomst doen geboren worden, die daarom vrees aanjaagt, omdat zij in nevelen is gehuld. Zoo zien wij bij de volken rondom, hoe de grondvesten schudden, waarop hun levensgebouw werd gevestigd en de heimelijke vreeze sluipt rond. dat te eeniger tijd ook tot ons volk de kwade dag genaken zal.selijke ontknooping. Europa's cultuur wordt bedreigd in hare grondslagen, dank zij den geesten van een heidendom, die uit het graf der eeuwen herrezen. En de geschiedenis van den dag leert, hoe de volken nieuwe levensvormen zoeken om zich te redden uit den afgrond hunner nooden. En ook dat bij anderen het geloof in eigen toekomst wankelt. Het gevoel leeft, dat wij als in de barensweeën verkeeren En daarvoor is oorzaak, want als wij de vraag herhalen niet alleen met betrekking tot onszelven persoonlijk, maar in verband ook met ons volk, door Jacobus eenmaal ons voorgelegd: „want hoedanig is uw leven?" Wat kunnen wij dan anders antwoorden, dan dat ook onder ons de teekenen er zijn, die spreken van ondergang en verval.
Ons kerkelijk leven vertoont een beeld van verwarring, van steeds verder voortkankerende versnippering en verwording, die herinnert aan de zware tijden van de laatste dagen, die de apostel ons teekent. De dagen, die wij beleven, zijn zoo somber, dat Gods kinderen het bang te moede kan worden, ziende op de oordeelen, die langzaam nader rukken.
In zulke tijden is het noodig te denken aan het woord van Johannes: „Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn." Doch daar staat nu ook tegenover, dat de donkerheid dezes tijds Gods volk niet mag doen aflaten van de roeping om toch, onder alles heen, het Woord des Heeren te doen weerklinken. Hoe zullen zij gelooven, indien niemand hun predikt? Wij hebben een God, die wonderen doet. Zijn eeuwig Woord gaat uit van den hemel als een bazuingeschal des levens. En wij hebben Paschen gevierd, dat ons leerde, hoe zelfs de dooden hooren zullen de stem van den Levensvorst. Indien wij het van ons zeiven verwachtten, dan zouden wij als de wereld zonder hope zijn. Maar wij hebben niet een dood woord, maar een levenden Heiland, Wiens getuigenis gedragen wordt door den onwederstandelijken Geest onzes Gods. En Hij is het, die door kleine krachten groote dingen doen kan. Hij heeft onder ons tal van kleine vereenigingen opgewekt om het levenswoord te brengen tot de kinderen, tot de jeugd onzer Kerk. En wij zijn hier samen in eene Federatie. De vraag kan gesteld en wordt misschien wel eens gesteld: Waartoe eene Federatie, kunnen wij niet werken, elk op zichzelf en ieder op zijne wijze? Wie zal dit ontkennen? Ja, dat kan, maar het kan beter in gemeenschap, want wij hebben allen een geestelijke roeping, vervullen die ook ieder op zichzelve, als wij zonder verband leven. Maar ook van deze levensopenbaring geldt: Geestelijk leven kan alleen in gemeenschap tot gezonde ontwikkeling komen. En wanneer wij bezielende kracht zullen uitdragen, dan zal dit slechts mogelijk zijn, wanneer wij in levensgemeenschap met elkander verkeeren. De individu, zooals wij elk op zichzelf zijn, komt immers ook slechts voort als lid eener geestelijke grootheid, waaruit wij zijn gegroeid en waaruit wij onze eerste levenskracht hebben geput en de geestelijke goederen ontvingen, die wij als individuen bezitten als onzen schat des levens. Gemeenschap is de voorwaarde voor het verbondmatig werken Gods. Uit dien zelfden wortel ontspringen nu ook de betrekkingen, waarin wij staan tot onze omgeving, komt nu ook de roeping, die wij hebben voor onze omgeving. Daarin is een sociaal goed van God ons bereid, waardoor wij zeiven levenssappen ontvangen niet alleen, maar ook energie putten om zegenrijk in te werken door het Woord, dat God ons heeft gegeven. Alle groote actie in het gemeenschapsleven kwam uit den wortel dier gemeenschap zeiven op. En dit sociale goed is een gave Gods, ons bereid niet slechts in de schepping naar Zijn beeld, maar ook in de levensdaad, die Hij voltrekt aan Zijne Kerk, opdat zij de drager zal zijn van licht en leven. En daarom, wij hebben elkander noodig. Wij kunnen en moeten voor elkander iets zijn. Wij hebben elkander wat te geven, elkander op te voeden voor de volbrenging der taak, die ieder onzer vereenigingen heeft op zich genomen. Dus hebben wij ook van elkander te ontvangen.
®f wij dit dan reeds doen? Als ik die vraag hier neerleg, dan is het om te doen verstaan, dat het nog weinig is, dat wij aan het begin staan, dat wij eerst dan het do.el zullen benaderd hebben, wanneer week aan week wij elkander voorlichten met de lamp des Woords op het pad. dat wij hebben te volgen. De samenstellende vereenigingen der F e d e r a t i e zullen in de e e r s t e p l a a t s leven moeten uit één z e l f d e beginsel, dat ons n e e r g e l e g d is in onze Belijdenis. I n d i e n onze v e r e e n i g i n g e n g e e s t e l i j k één zijn, dan alleen zullen zij n a s t r e v e n één doel en b e z i e l e n d e k r a c h t e n ontv a n g e n uit d e n z e l f d e n wortel. D a n alleen zullen wij voor e l k a n d e r wat kunnen zijn en ook willen zijn. D a n draagt ons één ideaal: de K e r k der V a d e r e n.
L a a t ons dit wel v e r s t a a n : indien het G e r e f o r m e e r d e Prot e s t a n t i s m e eene t o e k o m s t nog h e b b e n zal, dan kan dit a l l e en m o g e l i j k zijn door herstel der Kerk. En dat herstel kan s l e c h t s komen door h e r s t e l niet v a n buiten, m a a r v a n binnen. Z i j zal weder tot de l e v e n d e eenheid des geloofs moeten g e b r a c h t worden. Z o n d e r deze eenheid b e t e e k e n t al wat a a n de b u i t e n z i j d e ligt niets. E e n boom kan a l l e e n leven uit z i jn w o r t e l , de K e r k a l l e e n uit Hem, in W i e n zij is v e r k o r e n. V a n de reuke der w a t e r e n Z i j n s G e e s t e s kan zij opleven.
Of wij d a a r i n eene v e r w a c h t i n g zien? G o d werkt door Z i j n e n G e e s t nog in de K e r k . O p Hem a l l e e n zij onze hope. E n hoeveel er ook moge zijn, dat kan o n t m o e d i g e n , Gods d a d e n w e k k e n altijd hope. Hij kan m e e r d e r e genade geven. De g r o n d d a a r v o o r ligt in wat Hij h e e f t g e g e v e n . Hoe klein wij samen, a l l e onze v e r e e n i g i n g e n zijn, w a n n e e r onze oogen z i e n op de d o n k e r h e i d des tijds, op den afval des volks, op de v e r s c h e u r d h e i d der b e l i j d e r s , op de v e r d e e l d h e i d zelfs in e i g e n kleinen kring, ja, dan moeten wij onze kleinheid b e l i j d e n , maar t o c h in dat k l e i n e zien G o d s daad, G o d s werk. dat Hij doet in onze K e r k . D a n leert Hij ons g e l o o v e n tegen hope op hope, dat zij een b l i j v e n d e roeping heeft voor ons v o l k en in ons volk. D a n zullen wij niet buiten haar. maar bij alle onze a c t i e het licht zoeken in h a a r , zooals G o d het h e e f t o n t s t o k e n door Z i j n W o o r d en G e e s t . En hiermede v e r k l a a r ik de v e r g a d e r i n g geopend.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1936

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Federatie van Ned. Herv. Bonden en vereenigingen op G.G.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1936

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken