Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Tweeèrlei kinderen des Verbonds II

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Tweeèrlei kinderen des Verbonds II

De openbaring van het Verbond der genade in de historie.

15 minuten leestijd

Dit genadeverbond nu wordt bekend gemaakt, toegepast in den boezem der Kerk, die opkomt door de verkiezende daad Gods. Het is Gods verbond nademaal het van Hem uitvloeit, maar ook het verbond der Kerk, omdat het ten gunste der Kerk is gesloten en als in haren boezem is neergelegd. (Calv. in Zach. 9 : 1 1 ).
God en Zijn volk kunnen niet worden gescheiden in het verbond. De verbondsgod gaat in met Zijn verbond in de Kerk, die er ook uit opkomt. Verbond en Kerk hangen dan ook ten nauwste met elkander samen. Doch die Kerk is in hare zichtbare gestalte op aarde gemengd van karakter.
De Heilige Schrift leert ons uitdrukkelijk, dat in de zichtbare Kerk op aarde velen zijn, die in wezen niet van de Kerk zijn. Zij behooren wel tot het lichaam, maar niet tot de ziel der Kerk. Het wezen der Kerk echter wordt bepaald door de ware christgeloovigen. Nu is echter die groep van historische belijders, zonder zaligmakend geloof, waarlijk niet klein te achten, zooals de Schrift eveneens uitdrukkelijk leert. Het gaat niet slechts om enkele hypocrieten, menschen dus, die zich christenen rekenen, maar het niet zijn, geveinsden, die voorwenden wat ze niet bezitten. Neen, de breede schare van het kerkvolk kan niet in den gewonen zin onder de geveinsden worden gerekend, ook al woont de geveinsdheid in ieder natuurlijk hart. Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren, zegt de mond der waarheid. Die roeping geschiedt toch voor een goed deel in den kring der kerkmenschen. die dus als onbekeerd door het Woord worden aangemerkt. Ja, de Schrift leert ons zelfs, dat zij ook onbekeerd zullen blijven; dat zij zullen volharden in hun ongeloof en boosheid, ook al is hun de genade aangeboden, al zijn ze vriendelijk genoodigd tot den maaltijd des evangelies. Ook zegt Jezus, aangegrepen door diepe ontroering, als met de hand ten hemel wijzend, vol ontzetting: ,,0, wat is de weg breed, wat is de poort wijd, die tot het verderf leidt en wat zijn er velen, die door dezelve ingaan. W a t is de weg nauw en de poort eng, die tot het leven leidt en wat zijn er weinigen, die denzelven vinden. Gaat in door de enge poort.
Velen zullen zoeken in te gaan en niet kunnen. Dat werd gesproken tot het volk van Israël, het bondsvolk. — ,.Want dat geheele volk. waarbij de leer van Christus niet zeer in tel was, ja, dat haar zelfs eendrachtig verwierp, had God aangenomen als erfgenaam des levens. (Calv. in Matth. 7 : 14).
In het vervolg zullen we op deze uitspraken des Heeren nog moeten terug komen, doch hier reeds moesten een paar genoemd om het spoor te teekenen, dat de Schrift ons wijst om te komen tot een juist inzicht van ons onderwerp. Die woorden des Heeren zijn geen ver-onderstellingen, maar stellingen, die in ons uitgangspunt opgenomen moeten zijn, willen wij het schriftuurlijke spoor niet bijster raken. In de Kerk zijn dus velen . die onbekeerd zijn en waarvan de meesten het ook zullen blijven, naar Gods eigen getuigenis. Omdat God het zegt, is ons dat waarheid.
Nu hangt de werking van het verbond der genade uit den aard der zaak met dit feit samen. Dit is niet per ongeluk zoo, maar naar den Raad des Heeren. Met die werkelijkheid hebben we te rekenen om Gods bedoelingen daarmede na te speuren. Zoo heeft God gewild, dat de Kerk op aarde zou bestaan. Indien de Kerk slechts handelt en wandelt in gehoorzaamheid des geloofs, dient zij den Heere ook temidden van de velen, die wel in haar. doch in wezen niet van haar zijn. De zaak is dus deze. De verkiezing is waarborg, of liever, de verkiezende God waarborgt, dat er immer eene Kerk zal zijn op aarde. Het verbond waarborgt de continuïteit, de regelmatige opvolging in het midden der wereld, in de lijn der geslachten. Beide, verkiezing en verbond, hangen samen met Christus. Zonder Hem waren beide onbestaanbaar. Het verbond toch, dat is neergelegd in den boezem der Kerk, wordt opgericht met Gods verkorenen en hun zaad. Zoo ging het bij Abraham. Aldus gaat het verbond in de historie in. Voor het verbond, zooals het de geslachten samenbindt, geldt hetzelfde als van het verbond, gelijk het den enkele aan God bindt. Het geloof in den God des verbonds is onmisbaar. „De Kerk moet niet zijn als de wildernis, die het niet gevoelt wanneer het goede komt, maar als een bewaterde hof, welks bloemen het aangezicht der zon zoeken en die hare kelk ontsluiten om de droppels van Gods genaderegen op te vangen. Het geloof is als eene moeder, dewijl het uit kracht der Goddelijke genade en der beloftenis zonen en dochteren baart, voedt en zegent. (Dr. G. Vos. De Verbondsleer in de Geref. Theol., blz. 50).
De verkiezing liet op zichzelve de mogelijkheid nog open, dat de verkorenen, elk op zichzelf, zonder samenhang met elkander en de geslachten sprongsgewijze werden toegebrach. t Uit het menschelijke geslacht werden uitgenomen, herboren en in den hemel overgebracht. Het verbond der genade leert ons, dat de verkiezing verbondsmatig wordt gerealiseerd. Het organisme der menschheid wordt gered in Christus. Daarom zet zich het verbond organisch en historisch voort. ,,Het verbond doorloopt eene geschiedenis en heeft verschillende bedeelingen. Het schikt zich naar de verscheidene tijden en gelegenheden door den Vader als Schepper en Onderhouder bepaald. Het wordt nooit alleen met één enkel persoon gesloten, maar tegelijk met zijn zaad tot in verre geslachten. Het verbond der genade sluit zich aan bij de scheppingsorde, grijpt in deze als terug heel de schepping qualitatief en intensief in zich opnemende en is organisatie der nieuwe menschheid onder Christus als haar Hoofd. (Dr. H. Bavinck. Dogm. III, blz. 242).
Wanneer wij aldus naar schriftuurlijke orde de dingen zien, dan is apriori te verwachten, dat er van tweeërlei kinderen des verbonds zal sprake zijn. Het spreekt vanzelf, dat het verbond, dat is neergelegd in den boezem der Kerk, die uit kaf en koren bestaat, tijdelijk in deze aardsche bedeeling ook zulken in zich opneemt, die innerlijk ongeloovig blijven en de geestelijke weldaden niet deelachtig zijn. (Aldus ook Dr. Bavinck Dogm. III, blz. 241).
Zoo bleek ons, vanuit het geheel der waarheid gezien, dat wij op tweeërlei kinderen des verbonds moeten rekenen. Doch de Schrift zelf zal ons het nu voorloopig aangewezen beginsel als onbetwistbaar zeker feit daarstellen.
De Schrift leert ons zien. dat de Kerk, waarin het verbond een functie verricht en in wier boezem het is neergelegd, in hare zichtbare openbaring mede uit dezulken bestaat, die in den diepen zin des woords niet of nog niet van de Kerk zijn. niet tot het lichaam van Christus behooren door inlijving.
Er is een discipelschap in uitwendigen zin; er zijn menschen, die zich uitwendig lieten vergaderen, daardoor van de wereld onderscheiden, hoewel niet gescheiden aijn zooals Gods kinderen, die als vreemdelingen in dit aardsche Mesech reizen naar hun vaderland. Behoorden zij in geen enkelen zin tot de Kerk en het Verbond, dan moesten zij, worden afgesneden door de tucht, ook al ware er op leer en zedelijk leven niets aan te merken. Dit geschiedt niet en moet ook niet geschieden. Er is, zoo zal ons blijken, een behooren tot het verbond in tweeërlei zin; er zijn tweeërlei kinderen des verbonds. Wij leeren dit ook uit het feit, dat de Schrift de woorden: broeder, discipelen, maagden, geloovigen, in meer dan één zin gebruikt; spreekt van tweeërlei ranken aan den wijnstok, gelijk ook het woord heilig en heiligen een dubbelen zin heeft. Zeker bestaat de ware Kerk in haar wezen uit de ware christgeloovigen, die hunne zaligheid alleen in Christus zoeken, doch tot haar behooren ook in hare zichtbare verschijning op aarde vele anderen. Ook het zaad der Kerk in de geslachten behoort tot het verbond. Er is een breede zoom van menschen. die in haar zijn ingelijfd door den Doop en te wier opzichte het verbond een functie moet verrichten naar goddelijk bestel. Maar indien dan het verbond in den boezem der Kerk die functie heeft, moet er omgekeerd een relatie bestaan tot het verbond, voor degenen, te wier opzichte deze functie geldt. Moeten zij, in welken zin dan ook, behooren tot het verbond. Welke die relatie is moet nader worden onderzocht. Niet wij, maar het Woord heeft daarover te beslissen.
Nu heeft die breede zoom, die door de tucht niet wordt getroffen wegens onheiligen wandel of valsche leer, ook eene beteekenis voor de Kerk en voor het verbond naar de interne zijde, al was het alleen maar hierin, dat uit dien zoom de Kerk voortdurend wordt gerecruteerd, omdat daaronder ook de uitverkorenen schuilen, die door Woord en Geest worden geroepen, krachtdadig, zoodat zij leeren vragen: wat wilt Gij, dat wij doen zullen en hooren: Geloof in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden.
Door het volk Gods wordt het wezen der Kerk bepaald. Luther bindt de genadekracht aan Woord en sacrament om de voortzetting der Kerk te waarborgen. Waar dus Woord en sacrament zijn, daar is de Kerk. Wij zeggen: waar Gods volk is, daar is de Kerk, gebonden aan Woord en sacrament Zoo richt de prediking zich tot Gods Kerk als centrum, als wezen der gemeente. Zij behoort zich echter ook uit te strekken tot dien breeden kring van bondelingen, historisch geloovigen en hypocrieten. Indien zij het bloed des Nieuwen Testaments onrein blijven achten, de aangebodene verlossing verwerpen, dan zal hun oordeel verzwaard worden. Nu kan het zijn, dat de zaak vanuit de kern van de wezenlijke bondelingen zóó wordt gezien, dat de zoom als wegvalt voor het gezicht. Dit is het geval meermalen in den aanhef der brieven (1 Cor. 1; 2 Cor. 1; 2 Thess. 1, enz.). Dat evenwel ook anderen worden aanwezig geacht, blijkt uit den inhoud der brieven. Zoo lezen we: opdat wij mogen verlost worden van de ongeschikte en booze menschen, want het geloof is niet aller, 2 Thess. 3 : 2.
Laat ik, om het karakter van deze tweeërlei kinderen des verbonds nader te bepalen, alvorens met het eigenlijke schriftonderzoek een aanvang te maken, den lezer voorleggen hetgeen Calvijn opmerkt over Gen. 17 : 7. En ik zal mijn verbond oprichten tusschen Mij en tusschen u en tusschen uwen zade na u, in hunne geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God en uwen zade na u. Hij zegt:
Het lijdt geen twijfel, of de Heere onderscheidt Abrahams geslacht van het overige deel der wereld. Thans hebben wij na te gaan welk volk Hij bedoelt. Zij, die meenen dat alléén de uitverkorenen hier bedoeld worden en dat alle geloovigen zonder onderscheid hier worden omvat, van welk volk zij naar het vleesch ook afstammen, hebben het mis. Want de Schrift spreekt herhaaldelijk uit, dat Abrahams geslacht, dat uit hem is voortgekomen, bijzonder door God ten eigendom is aangenomen. Ook is de leer van Paulus duidelijk aangaande Abrahams natuurlijke kinderen, dat zij heilige takken zijn, omdat zij uit den heiligen wortel zijn voortgekomen. Rom. 11:16.
En, opdat niemand dit zou beperken tot de schaduwen der wet, of als zinnebeeld zou uitleggen, zegt hij elders duidelijk, Rom. 1 5 : 8 , dat Christus is gekomen, opdat Hij een dienaar der besnijdenis zou zijn. En daarom is niets zekerder, dan dat God zijn verbond sluit met Abrahams kinderen, die van nature uit hem zouden voortkomen. Misschien werpt iemand mij tegen, dat dit volstrekt niet past bij het voorafgaande gevoelen, waarin ik gezegd heb, dat zij door God als wettige kinderen Abrahams gerekend worden, die door het geloof in zijn lichaam ingeplant, één huisgezin met hem uitmaken. De oplossing is echter gemakkelijk, zoo wij slechts eenige onderscheiden trappen van de aanneming tot kinderen stellen, welke men uit onderscheidene Schriftuurplaatsen kan opmaken.
Vroeger, vóór dit verbond, was de staat der geheele wereld overal dezelfde. Zoodra echter gezegd werd: Ik zal uw God zijn en de God van uw zaad na u, is de Kerk van de overige volken afgesneden, evenals bij de schepping der wereld het licht uit de duisternis te voorschijn trad. Toen is het volk Israël als de kudde Gods in Zijne eigene schaapskooi opgenomen, en hebben de overige volken als wilde dieren over bergen en wouden of woestijnen rondgedwaald. Waar deze waardigheid, waardoor Abrahams kinderen boven de volken hebben uitgemunt, alleen van het Woord Gods afhing, strekte de vrijmachtige aanneming Gods zich over allen gemeenschappelijk uit. Want als Paulus de volken buiten God en het eeuwige leven stelt, omdat zij vreemdelingen van het verbond waren, Eph. 4 : 1 8 , zoo volgt daaruit, dat alle Israëlieten leden der Kerk, en kinderen Gods en erfgenamen des eeuwigen levens geweest zijn. Zij muntten echter alléén door Gods genade en niet van nature boven de heidenen uit, want de erfenis van het Rijk Gods was hun uit de belofte en niet uit het vleesch geschonken.
Toch worden zij nu en dan gezegd van nature te verschillen van de overige wereld. Gal. 2 • 15; en elders noemt Paulus hen van nature heiligen, omdat God niet in onafgebroken volgorde aan het geheele zaad Zijne genade wilde bewijzen. In dezen zin worden de ongeloovigen onder de Joden door Christus kinderen van het Koninkrijk der hemelen genoemd, Matth. 8 : 1 1 . Hiermee is niet in strijd wat Paulus zegt, dat niet allen, die uit Abraham zijn als wettige kinderen worden beschouwd, omdat zij geen kinderen der belofte zijn, maar alleen des vleesches, Rom. 9 : 8.
Want, daar wordt de belofte niet in het algemeen genomen voor het uitwendige Woord, waardoor God Zijne genade zoowel aan verworpenen als aan uitverkorenen toezegt, maar dit woord moet beperkt worden tot de krachtdadige roeping, die Hij inwendig bezegelt door Zijnen Geest. En dat de zaak zóó gelegen is, wordt zonder eenige moeite bewezen. Voor allen gemeenschappelijk was de belofte, waardoor de Heere hen tot kinderen had aangenomen. Het kan niet ontkend worden, of daarin wordt de eeuwige zaligheid aan allen aangeboden. Wat beteekent het dan anders, dat Paulus ontkent, dat enkelen met recht als kinderen der belofte worden beschouwd, dan dat hij niet meer redeneert over de uitwendige aangebodene genade, maar over die, welke de uitverkorenen alleen krachtdadig ontvangen?
Hier ontstaat dus eene dubbele reeks van kinderen in de Kerk. Omdat het geheele lichaam des volks door een en hetzelfde woord tot de schaapskooi Gods wordt geroepen, worden in dit opzicht allen zonder uitzondering als kinderen beschouwd, en slaat de naam van Kerk op allen gemeenschappelijk. Ten opzichte van het verborgen heiligdom Gods worden geene anderen als kinderen Gods beschouwd, dan zij, in wien de belofte door het geloof verwerkelijkt is.
Toch vloeit dit onderscheid uit de bron der vrijmachtige verkiezing voort, waaruit ook het geloof zelf ontstaat. Maar, omdat Gods Raad op zichzelf voor ons verborgen is. onderscheiden wij door het teeken van geloof en ongeloof de ware van de onechte kinderen. Deze bedeeling heeft geduurd tot de verbreiding van het evangelie, toen is de middelmuur des afscheidsels verbroken, en heeft God de heidenen met de natuurlijke zonen van Abraham gelijk gemaakt. Eph. 2 : 14.
Dit was die vernieuwing, waardoor zij. die tevoren vreemdelingen geweest waren, voor het eerst kinderen genaamd werden. Zoo dikwijls echter eene vergelijking gemaakt wordt tusschen Joden en heidenen, wordt de erfenis des levens genen als hun wettig eigendom toegekend, dezen echter als een bijkomend goed. Intusschen wordt deze Godsspraak vervuld, waarin God Abraham beloofde, dat hij een vader zou zijn van vele volken. Want, terwijl tevoren in onafgebroken reeks de nakomelingen Abrahams door hunne natuurlijke kinderen werden opgevolgd, en de zegening, die bij hem begonnen was, op de natuurlijke nakomelingen overging, heeft de komst van Christus terug gegrepen in de volgorde, en diegenen in zijn Huisgezin ingelijfd, die tevoren van Zijn zaad afgescheiden waren. Eindelijk zijn de Joden buitengeworpen, behalve dat bij heil het verborgen zaad der uitverkiezing blijft, opdat de overblijfselen behouden worden. Dit alles moest over het zaad Abrahams hier eens gezegd worden om het volgende meer verstaanbaar te maken. — Tot zoover Calvijn over Gen. 17:7.
Om de beteekenis van deze uiteenzetting van Calvijn op de juiste waarde te schatten, merken we nog op, dat de laatste druk van zijn commentaar op Genesis 31 Juli 1563 gereed was en hij Zaterdag 27 Mei 1564 stierf. Het is een zeer rijpe vrucht van zijn genialen godvruchtigen geest, die leeft uit de Schrift.
Wanneer we een en ander goed in acht nemen kan het ons duidelijk zijn, dat men krachtens deze onderscheiding in tweeërlei kinderen des verbonds, in de Schrift tegelijk kind Gods, volk Gods, heilig kan heeten en... geen volk, onbesneden van hart en dus onheilig. Het is van het hoogste gewicht hierop te letten.
Doch voordat wij hierop nader ingaan, willen we eerst dit feit in verband zien met de verkiezende genade Gods. In deze verkiezing toch moeten we verschillende graden onderscheiden. Calvijn b.v. onderscheidt soms vier, soms drie graden in de verkiezende daad Gods.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 1 August 1936

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

Tweeèrlei kinderen des Verbonds II

Bekijk de hele uitgave van Saturday 1 August 1936

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken