Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van den Woorde Gods (6e serie)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van den Woorde Gods (6e serie)

Uit het ongeschreven Woord II

10 minuten leestijd

Genesis 9 : 1 en 2. En God zegende Noach en zijne zonen en Hij zeide tot hen: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de aarde. En uwe vrees en uwe verschrikking zij over al het gedierte der aarde en over al het gevogelte des hemels: in al wat zich op den aardbodem roert en in alle visschen der zee. Zij zijn in uwe hand overgegeven.

Zoo heeft dus de Heere na den zondvloed opnieuw een openbaring geschonken, waaruit duidelijk wordt, dat er een weg der openbaring wordt gevolgd, dat Hij in zijne openbaring een plan tot ontwikkeling brengt, waarin Zijne scheppende gedachte wordt verwerkelijkt. Daarom, zoodra de mensch geschapen was, openbaart hem de Heere, dat hij den immanenten drang tot vermenigvuldiging in zich draagt en dat de aarde door de menschheid moet worden vervuld. Zij is geschapen om eene door menschen bevolkte, bewoonde aarde te zijn. Dus heerscht er in den mensch de levensdrang tot vermenigvuldiging en de Heere geeft in zijne openbaring een licht over het menschelijk bewustzijn, opdat de mensch dit zal weten. En dit weten is niet slechts daarom van beteekenis voor den mensch, om daardoor zijne natuurkennis te verrijken, maar opdat hij het zedelijk karakter dier geslachtsvermeerdering zal kennen. In het leven zelf is de drang, de aandrift tot vermenigvuldiging gegrond. En wij zien dan ook, dat al wat leeft, door die aandrift wordt beheerscht. De drang tot vermenigvuldiging gaat dan ook bij vrijwel alle schepselen buiten alle bewustzijn om, is vrucht van louter natuurdrang. Zoo zien ^vij, dat in de wereld der planten zich eene wondere vruchtbaarheid openbaart, zoodat de soorten schijnen te worstelen om zich te handhaven niet alleen, maar zich ook uit te breiden zelfs ten koste der bestaansvoorwaarden van anderen. En wat van de plantenwereld geldt, is ook van de dieren waarheid. Zij worden bewogen door een ontembaren drang tot vermenigvuldiging. Zij gehoorzamen onbewust aan de driften huns levens en alle hunne levens-aspiraties gaan uit naar onbeperkte vermeerdering van hunne geslachten. Eigenlijk staat het zelfs zóó, dat doel huns levens die vermeerdering des geslachts is. Daarop zijn zij aangelegd en dit is het hoogtepunt van hun leven, de spil, waarom hunne levensuitingen zich bewegen. Doch hoe centraal de voortbrengingsbehoefte ook moge zijn, toch wordt het al beheerscht door eene onbewuste, spontane natuurdrift. Het dier mist de rede en zijn bewustzijn is dus geheel anders georganiseerd, eveneens onderworpen aan doelmatig bepaalde, doch onbewust werkende krachten, geboren uit behoeften, die een weerschijn werpen over het natuurproces, dat zij doorleven.
Bij den mensch echter is het geheel anders, omdat hij een ander wezen is, omdat hij, naar den beelde Gods geschapen, een leven deelachtig werd, waarbij het natuurlijke wordt opgeheven in redelicht, zoodat het wordt onderkend, de mensch zichzelven er van bewust wordt. Van den Zone Gods, van het eeuwig Woord, dat bij God was en God was, staat geschreven: ,,In hetzelve was het leven". De Vader heeft den Zoon gegeven het leven te hebben in zichzelven. En daarvan zegt nu de Schrift: ,,en het leven was het licht der menschen". In den mensch woont dus een leven, dat licht is. In dit licht is zijne rede, waardoor hij in staat is zijnen God te kennen in onderscheiding van zichzelven, ook zijne medemenschen te kennen als zijns gelijken, maar toch als van hen onderscheiden, en de wereld te kennen als een wereld, die zich in den wonderen rijkdom harer verschijnselen stelt voor zijn bewustzijn, voor zijne ikheid, die wezenheid deelachtig is in onderscheiding van alle andere schepselen. Daarom is die naar Gods beeld geschapen mensch ontvankelijk voor eene openbaring Gods, kan hij de wereld schouwen in eeuwig licht, maar moet hij daarin ook zichzelven zien. En het noodzakelijk gevolg daarvan moet wel zijn, dat ook 's menschen eigen natuurlijk leven, hoeveel het ook gemeen moge hebben met het onbewust natuurlijke, toch anders moet ervaren. Ook de natuurlijke aandriften treden op voor hem in dat hoogere licht, zoodat zij niet meer als reine, spontaan verloopende natuurprocessen worden gewaardeerd. maar in een zedelijk-redelijk licht verschijnen. De mensch wordt dus niet geleefd als het dier, maar leeft en handelt en wordt ook in de natuurlijke levensdriften geleid door de hoogere zedelijke beginselen, die hem beheerschen moeten.
En daarom wordt dan ook aan den mensch terstond na zijne schepping geopenbaard: „Weest vruchtbaar, vermenigvuldigt en vervult de aarde". Door die openbarende daad klaart God den mensch op over zichzelven, over de levensdriften, die hij bij zich waarneemt, over de levensdoeleinden, die hem gesteld zijn. W a t bij de dieren spontaan verloopt, de drang, dien zij als automatisch volgen, het natuurproces, wordt bij den mensch tot eene daad, eene zelfbewuste daad, dus tot een zedelijk feit. Daarom verschijnt dan ook de vruchtbaarheid en de voortbrenging als eene met verantwoordelijkheid bekleede handeling, welker gevolgen hij niet slechts heeft te aanvaarden, maar waarvoor hij ook aansprakelijk is. Er komt alzoo in zijn natuurdrang en in het volgen zijner natuurdrift eene roeping Gods op den voorgrond, waardoor het natuurlijke ophoudt alleen natuur te zijn, maar het karakter eener wilsdaad verkrijgt, waarbij de vermenigvuldiging bewust wordt nagestreefd in gehoorzaamheid aan eene ordinantie Gods in de schepselen, in dit geval dan in den mensch ingelegd.
En zooals dit nu eenmaal onmiddellijk na des menschen schepping aan het menschelijk bewustzijn werd verklaard, opdat die mensch door Gods openbaring licht zal ontvangen over hetgeen in zijn eigen bewustzijn verschijnende was, zoo wordt nu ook, als de menschheid, die de oude wereld bewoonde, om hare zonde verdelgd was, na den vloed aan Noach en zijne zonen opnieuw geopenbaard, hoe zij eene goddelijke roeping hadden met betrekking tot de toekomst der menschheid, die de drooggeworden aarde zou bewonen. Daarom herhaalt de Heere hetgeen Hij eenmaal aan den eersten mensch geopenbaard had en zegt Hij tot Noach en zijne zonen: „Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de aarde". In deze woorden wordt ons dus gezegd, dat de Heere andermaal het licht Zijner openbaring liet opgaan over de ziel van Noach en die der zijnen, opdat zij hunne innerlijke, verborgene levensaandrift zullen onderkennen als eene ordinantie Gods, die zij hebben te volgen en te gehoorzamen in de zekerheid, dat zij daarmede aan Gods doeleinden dienstbaar zijn. En zoo blijkt hier dan ook, hoe diep de tegenstelling is tusschen Gods geopenbaarde Woord en de levenspractijk der moderne menschheid, die spot met het vruchtbaar zijn en zich vermenigvuldigen, en die in den dwazen waan verkeert, dat de aarde reeds gevuld is, dat er geen menschen meer bij kunnen, dat er geene bestaansmogelijkheden overblijven, hoewel de vruchtbaarheid der aarde onbegrensd rijk blijkt te zijn. Doch als de Heere dit openbaart en de vermenigvuldiging als eene ordinantie ons voorstelt, dan beteekent dit niet, dat daarmede de gemakzucht en weeldedrang ruimte wordt gemaakt. Zooals de Heere Jezus ons geleerd heeft te bidden slechts om ons dagelijksch brood, wordt ook den mensch in zijne vermenigvuldiging en vervulling der aarde slechts het dagelijksch brood gewaarborgd en in het uitzicht gesteld. Als de Heere toch den drang tot vermenigvuldiging den menschen inlegt, vervulling der aarde als een levensdoeleinde hun voor oogen stelt, dan ligt daaronder de vervulde voorwaarde gewaarborgd, dat de menschen ook zullen kunnen leven en bestaan.
Doch dit is iets geheel anders dan de weeldezucht en drang naar genot, waardoor de materialistisch gezinde moderne menschheid wordt geleid, wanneer zij, zooals bij de Westersche volken, steeds meer den toon aangeeft, weigert zich te vermenigvuldigen en den drang tot vruchtbaarheid aan zijne bestemming onttrekt door een kunstmatige beperking der geboorten in te voeren, die in den diepsten grond de uitmoording des geslachts beteekent.
En daarbij komt nu nog bovendien, dat Gods openbaring de vruchtbaarheid en de vermenigvuldiging in verband brengt met de komst van het Koninkrijk Gods. Onze Vaderen hebben daarop dan ook een klaar licht laten vallen, zoodat dan ook in ons huwelijksformulier er nadruk op gelegd wordt, dat de huwelijke staat werd ingezet, opdat de kinderen, die zij krijgen zullen, in de waarachtige kennisse en vreeze Gods Hem ter eere zullen worden opgevoed. En zoo wordt dan ook in het dankgebed gesproken van de stichting der gemeente Gods en de verbreiding van het heilig Evangelie. Gods huis moet vol worden. En daarmede verschijnt het huwelijk in het eeuwig licht van Gods genadeverbond.
Het ligt dus voor de hand, dat de tegenwoordige practijken, waarbij de wetenschap wordt misbruikt om de vermenigvuldiging des geslachts te onderdrukken, een gruwel is in Gods oogen en dat de volkeren daardoor zich Zijne oordeelen op den hals halen, die dan wel niet met een zondvloed van wateren, maar met een zondvloed van ziekten naar lichaam en ziel worden gestraft. Een geslacht wordt op deze wijze geboren, dat ontzenuwd is naar den geest en met verborgen ziekten bezocht, die voor de toekomst der volkeren vreeselijke gevolgen met zich brengen. Gods ordinantie laat zich niet onderdrukken door de wetenschap der menschen. Die in den hemel zit, zal lachen om hunne dwaasheid, hoe wijs zij zichzelven ook achten.
En de Heere ontvouwt voor het bewustzijn van Noach en de zijnen, die de gereinigde aarde zullen bewonen, opnieuw de roeping, die gegrond is in de natuurdrift des menschen tot vermenigvuldiging als een goddelijke ordinantie. En daarmede wordt hun een uitzicht geopend op een toekomst, waarin de mensch zich op deze aarde de plaats zal verwerven, die hem, dank zij zijne schepping naar Gods beeld, en de geestelijke gaven, daarin gegrond, zal toekomen. Hij ontvangt als t ware een prikkel om medearbeider Gods te zijn, opdat Zijn wereldplan wordt verwerkelijkt en de vervulling van zijn Godsrijk zal naderen met spoed. En zoo ook laat de Heere aan deze geredden uit den vloed zien, welke plaats den mensch toekomt te midden der wereld, met de veelheid harer schepselen. De Heere toont hun, hoe de mensch, tot heerschappij geroepen, eene koninklijke majesteit zijn zal op deze aarde. De vermenigvuldiging en de vervulling der aarde zal gepaard gaan met de positie van den heerscher. En daarmede wordt hun de cultureele taak in het uitzicht gesteld, die zij zullen hebben te volbrengen en die na hen de menschheid door haren arbeid bereiken zal.
Zoo zijn er dus in dit woord diepe profetische perspectieven, die hun licht uitzenden ver in de toekomende eeuwen en aan de menschheid beelden en ook idealen onthult, welker verwerkelijking aan den modernen tijd zijn voorbehouden geworden op een schier ongedachte, onverwachte en wonderbare wijze. Aan onze eeuw toch was eene overwinning over de natuurmacht beschoren, die alle voorgaande perioden der geschiedenis zich niet hebben kunnen droomen. En deze triumphen zijn der menschheid bereid, opdat zij daardoor God verheerlijken zou, terwijl zij, daar het gedichtsel haars harten boos is van den beginne, met al hare cultuur-triumphen geëindigd is in eene zelfvergoding, die den strijd tusschen het zaad der slang en het zaad der vrouw tot een hoogtepunt opvoert, dat andermaal getuigt van de wereldcatastrophe die hare voleinding zal vinden in de overwinning van Hem, die den Satan als een bliksem uit den hemel vallen zag.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 augustus 1936

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

Van den Woorde Gods (6e serie)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 augustus 1936

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken