Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van den Woorde Gods (6e serie)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van den Woorde Gods (6e serie)

Uit het ongeschreven Woord IV

10 minuten leestijd

Genesis 9 : 2 en 3. En uwe vrees en uwe verschrikking zij over al het gedierte der aarde en over al het gevogelte des hemels, in al wat zich op den aardbodem roert en in alle visschen der zee. Zij zijn in uwe hand overgegeven. Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze. Ik heb het u al gegeven, gelijk het groene kruid.

De Heere zendt dus Noach en de zijnen niet in de nieuwe levensroeping op de droog geworden aarde zonder hem het licht Zijner openbaring te doen opgaan over de toekomst, die hem wacht, zonder hem de vertroosting te bereiden, dat het hem aan den zegen des Almachtigen niet zal ontbreken. Het menschelijk geslacht moest zich opnieuw vermenigvuldigen en zooals hier duidelijk blijkt, het uitgangspunt is daarbij het monogame huwelijk, het huwelijk tusschen man en vrouw. Zooals eeuwen later de Heere Jezus verwijst naar de scheppingsordinantie Gods, die man en vrouw schiep en in die ordinantie het huwelijk heeft geheiligd, zoo gaat in overeenstemming daarmede ook hier de Schrift uit van de vier menschen-paren, die door den Heere worden gezegend. God zelf legt door dien zegen hun den levensdrang in tot vruchtbaar zijn en zich vermenigvuldigen, opdat de aarde zal worden vervuld. Zoo is het dus eene schoone vertroosting voor hen, dat zij mogen uitgaan tot hunne nieuwe levenstaak in de wetenschap, dat de Heere met hen zal zijn, de zegen des Almachtigen hen zal overschaduwen. Toen zich de onmetelijke, eenzame landouwen voor hunne oogen uitstrekten, en er dus oorzake was tot twijfel, dan was er de belofte des Heeren, opdat zij niet zouden wanhopen. Zoo gingen zij uit en droegen dat woord over op de komende geslachten. Doch het blijkt, dat ook de ordinantie Gods aangaande het monogame huwelijk hun niet onbekend was en dat dus alle latere afwijking daarvan evenals in de dagen der oude wereld, een vrucht was van de voortwoekering der zonde, die ook in Noach's geslacht zich machtig openbaarde. Doch dit doet niet af aan den zegen, dien de Heere gesproken heeft over de geredden uit den vloed. Ook daaruit blijkt, dat Hij getrouw is ook als wij ontrouw zijn. En zoo heeft zich het geslacht van Noach vermenigvuldigd en de aarde vervuld.
En om dien zegen nu ook aan het menschelijk bewustzijn in klaarheid voor te stellen, geeft de Heere hun als eene bevestiging de opklaring over des menschen plaats te midden dezer wereld van levende wezens. Hij ontdekt hen voor de heerschappij, die de mensch zal oefenen over het gedierte der aarde, het gevogelte des hemels, over al wat leeft, zelfs zijn de visschen der zee in des menschen hand gegeven. Inderdaad, er heerscht tusschen de dieren en de menschen een verhouding, waarin de geheime vreeze van het dier, ook van het roofdier, „dat niets in het woên ontziet", tegenover den mensch blijkt. Het voelt instinctmatig de verborgene redekracht des menschen, het overwicht, dat van den mensch uitgaat. En de Heere openbaart het hier den mensch ten tweeden male, omdat met Noach en de zijnen een nieuw begin in de geschiedenis der menschheid zich ontsluit. Noach en de zijnen worden ontdekt voor de koninklijke plaats, die zij zullen innemen, opdat zij hunne roeping zullen verstaan, de verantwoordelijkheden ook zullen kennen, waarmede deze bevoorrechte plaats gepaard gaat, de plichten zullen weten, waartoe de mensch geroepen is ook tegenover de schepselen van lagere orde. En mede wordt hun daardoor de cultuurarbeid duidelijk, dien de mensch zal hebben te volbrengen. Immers, de heerschappij over de dieren, over het gevogelte, over wat zich op den aardbodem roert en zelfs over de visschen der zee, het leert den mensch ook, dat alle deze natuurwezens een plaats innemen in den arbeid des menschen. Het wild gedierte zal hem vreezen, zal dus teruggedrongen worden voor den cultuur-arbeid des menschen. En de ervaring leert, dat zulks inderdaad het geval is, want waar de mensch den voet zet, zich woning maakt, vermenigvudigt, daar wijken ook de wilde dieren terug naar hunne verborgene schuilhoeken en sterven zij zelfs uit als om plaats te maken voor den mensch. En daar verschijnt ook het huisdier en alle dier, dat nuttig is voor de instandhouding van het menschelijk leven. Daar treedt een bedrijfswezen op, waardoor de mensch zich niet alleen het volstrekt noodige, maar ook rijkdom en weelde verwerven kan. Zelfs vischvangst wordt onder die heerschersmacht begrepen. Daarom toch worden de visschen der zee genoemd en in 's menschen hand gegeven, opdat Noach en de zijnen van meet af een geopend oog zullen hebben voor de cultureele taak, die wacht op deze gereinigde aarde. En met die cultureele taak, die hier hun wordt in het uitzicht gesteld, hangt nu ook samen eene bijzondere verklaring aangaande eene verandering, die na den zondvloed en na de ingrijpende wijziging in het klimaat der aarde, in de levensvoorwaarden der menschheid zijn ingetreden. Het is zeker niet zonder bijzondere bedoeling, dat ons hier wordt medegedeeld, dat ook het dier eene spijze mag zijn voor den mensch. De vraag is dan ook gerezen of voor den zondvloed de mensch het gebruik van vleesch was ontzegd, zoodat slechts plantaardig voedsel toegestaan was. En velen der ouden waren dan ook van meening, dat in de eeuwen na het paradijs er slechts van groenten werd geleefd, omdat in Genesis 1 : 29: „God zeide: Ziet, Ik heb ulieden al het zaadzaaiende kruid gegeven, dat op de gansche aarde is en alle geboomte in hetwelk zaadzaaiende boomvrucht is. Het zij u tot spijze." Dat er ook dierlijk voedsel toegestaan werd, is daarin niet vermeld. Als dus na den zondvloed voor het eerst met nadruk dierlijk voedsel genoemd wordt als ook van God geoorloofd en gegeven, dan lag het voor de hand daaruit te besluiten, dat voor den vloed slechts plantaardig voedsel gebruikt werd.
Er zijn in de oude kerk leeraars geweest, die het toestaan, hier van dierlijk voedsel verklaarden als geoorloofd om de hardigheid des harten op dezelfde wijze als Mozes' scheidbrief bij te niet gaan van het huwelijk door Jezus verklaard werd uit de hardnekkigheid des volks. Zoo zou dus ook de vleeschvoeding zijn toegestaan als een soort concessie aan de verzondigdheid van 's menschen hart, doch van den beginne zou het alzoo niet geweest zijn. Zoo zou dus eigenlijk eene uitsluitend plantaardige voeding de oorspronkelijke ordinantie Gods zijn. Het ligt echter voor de hand, dat deze beschouwing in den tekst zeiven geen grond vindt. De bedoeling toch is duidelijk, dat door bijzondere openbaring den mensch het licht opgaat over de geoorloofdheid van het dierlijk voedsel. En zoo zijn er anderen geweest, die van oordeel waren, dat wel voor den zondvloed de menschen vleesch hadden gegeten, maar dat zulks geschiedde, hoewel het niet geoorloofd was. Het vleeschgebruik voor den zondvloed zou dus eene overtreding zijn geweest van de ordinantie Gods, zooals zij in den oorsprong was geweest en den mensch ook was geopenbaard onmiddellijk na zijne schepping. En weer anderen zijn er, die het vleeschgebruik voor den zondvloed niet ongeoorloofd achten, omdat het dooden van dieren terstond na den val door God zeiven den mensch is onderwezen. Er staat immers geschreven in Genesis 3 : 31: ,,En de Heere God maakte voor Adam en zijne vrouw rokken van vellen en toog ze hun aan." Nog voordat de mensch uit het paradijs verdreven was, is er dus sprake van gebruik van vellen, dat het dooden van dieren veronderstelt, terwijl dan ook het gebruik van vleesch niet wordt verboden. Trouwens, de Schrift leert, dat Habel bracht van de eerstgeborenen zijner schapen en van hun vet. En de Heere zag Habel en zijn offer aan. En de offeranden gingen gepaard met offermaaltijden, waarvan hij, die het offer bracht, genoot als eene sacramenteele gemeenschapsoefening met de Godheid.
Zoo blijkt dus wel, dat ook voor den zondvloed dierlijk voedsel is gebezigd, dieren zijn geslacht en dieren zijn geofferd. En als dus hier onmiddellijk na den zondvloed aan Noach en zijne zonen God met nadruk dierlijk voedsel toekent, dan is dit geen nieuw gebod, maar eene verheldering van het licht der openbaring, dus voortgang in de openbaring, waardoor aan den mensch bij de volbrenging der geweldige cultureele taak, die hem als eene levensroeping voorgesteld wordt, ook een verhelderend licht opgaat over zijne levensvoorwaarden. ,,A1 wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze", zegt God.
Het is merkwaardig, dat in allerlei sectarische bewegingen ook het vleeschgebruik vaak wordt afgekeurd en als zondig verboden. Met name in onzen tijd doet het „vegetarisme" in sommige kringen opgeld. Dat vegetarisme is zelfs tot eene levensbeschouwing geworden. De naam hangt samen met een Latijnsch werkwoord, dat de beteekenis heeft van „opwekken, leven geven, bezielen", want deze levensbeschouwing zou de gezondheid van lichaam en ziel bevorderen en dus een levensgenieting baren, zonder daarbij gebruik te maken van de prikkeling der genotmiddelen. En deze levensgenieting zou dan de vrucht zijn van een leven onder strenge opvolging van de wetten der natuur. En tot de schadelijke genotmiddelen rekent dan dit vegetarisme in de eerste plaats het vleesch. Daaruit is dan ook verklaarbaar, dat de weigering van vleeschspijzen een der meest in het oogvallende kenmerken is der ook hier te lande niet onbekende vegetarische beweging met haar vegetarische hotels. Toch moet hierbij wel in het oog worden gehouden, dat deze onthoudingen van vleeschspijze niet het wezenlijke is in deze beweging, maar slechts een op den voorgrond tredend verschijnsel. Vleeschspijze wordt door het vegetarisme verworpen niet slechts op hygiënische gronden, dus niet slechts als voor de gezondheid schadelijk, maar ook uit zedelijke en algemeene economische gronden.
Het ligt voor de hand, dat dit vegetarisme niet slechts van medische zijde bestreden en soms ook aanbevolen werd, maar dat we hier van doen hebben met eene levensbeschouwing, die in den diepsten grond zich met de Christelijke religie niet verdraagt. Er verbond zich mede een in het algemeen asketisch streven, dat heinnert aan de vermaning des apostels: Indien gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, gelijk of gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast? namelijk raak niet en smaak niet en roer niet aan. Welke dingen alle verderven door het gebruik, ingevoerd naar de geboden en leeringen der menschen. Er verbond zich met dit vegetarisme een verbod van allerlei genotmiddelen, van inenting tegen besmettelijke ziekten, van vivisectie, terwijl allerlei in de richting van sociale strevingen gaande bewegingen werden gesteund, als socialisatie van den bodem, het stichten van coöperatieve genootschappen en dergelijke, die leiden moeten tot de idee van de oude Stoïcijnen, die in het leven en naar de natuur het ideaal zich dachten verwerkelijkt. Het doet denken aan de leuze van een Rousseau. die ook predikte terugkeer tot de natuur en het leven der natuurvolken als een ideaal zich droomde.
Dit echter blijkt ongetwijfeld duidelijk, dat wij in dergelijke bewegingen, ook al hullen zij zich in asketisch Christelijk schijnende vormen, wij van doen hebben met de openbaringen van een principieel niet uit den wortel der Christelijke religie opgekomen beweging. Er liggen niet-Christelijke ideeën aan ten grondslag. Zij zijn dan ook met Gods Woord in strijd. De Heere toch leert het hier duidelijk: „Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze." Na den zondvloed heeft Gods openbaring daarover het licht doen opgaan. En al is het waar, dat in den loop der tijden allerlei stroomingen opkwamen, die zich stelden tegenover hetgeen Gods Woord als het normale ons leert kennen, toch heeft ook diezelfde Geest, die na den zondvloed het vleeschgebruik veroorloofde, in den loop der eeuwen getuigt, dat in de laatste tijden er afval zal zijn, dat er verleidende geesten zullen rondwaren, dat er leeringen der duivelen worden gebracht, die verbieden te huwelijken en gebieden van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft tot nuttiging met dankzegging voor de geloovigen en die de waarheid hebben bekend.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 15 August 1936

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Van den Woorde Gods (6e serie)

Bekijk de hele uitgave van Saturday 15 August 1936

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken