Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het roepingsvisioen van Ezechiël II

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het roepingsvisioen van Ezechiël II

21 minuten leestijd

Ezechiël 1:4—14a. Toen zag ik en zie, een stormwind kwam uit het Noorden af, een groote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de kleur van Hasmal, uit het midden des vuurs. En uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier dieren; en dit was hunne gedaante, zij hadden de gelijkenis van een mensch, en elkeen had vier aangezichten, insgelijks had elkeen van hen vier vleugelen; en hunne voeten waren rechte voeten, en hunne voetplanten waren gelijk de voetplanten eens kalfs en glinsterden gelijk de kleur van glad koper; en menschenhanden waren onder hunne vleugelen, aan hunne vier zijden; en die vier hadden hunne aangezichten en hunne vleugelen. Hunne vleugelen waren samengevoegd, de eene aan den anderen; zij keerden zich niet om als zij gingen; zij gingen elkeen rechtuit voor zijn aangezicht henen. De gelijkenis nu van hun aangezicht was het aangezicht eens menschen, en het aangezicht eens leeuws hadden die vier aan de rechterzijde, en ter linkerzijde hadden die vier eens ossen aangezicht, ook hadden die vier eens arends aangezicht. Ook waren hunne aangezichten en hunne vleugelen opwaarts verdeeld; elkeen had er twee samengevoegd aan de andere, en twee bedekten hunne lichamen. En zij gingen elkeen rechtuit voor zijn aangezicht henen; waarhenen de geest was om te gaan, gingen zij; zij keerden zich niet om als zij gingen. Aangaande de gelijkenis der dieren, hunne gedaante was als brandende kolen des vuurs, als de gedaante der fakkelen; dat vuur ging steeds tusschen die dieren, en het vuur had een glans, en uit het vuur kwam een bliksem voort. De dieren nu liepen en keerden weder als de gedaante van een weerlicht.

Een stormwind kwam uit het Noorden af, een groote wolk en vuur slingerde er zich doorheen en de glans was rondom die wolk en uit het midden daarvan was als de kleur Hasmal, uit het midden des vuurs...
Het was een aangrijpend gezicht, dat aan Ezechiël werd vertoond. De oogen zijner ziel werden gericht op een bovenaardsche werkelijkheid, vertoond in een visioen. De Geest ontsloot zijn ziel om aldus te schouwen de wondere voorzienigheid des Heeren. En in aansluiting bij dit visioen zal zijne roeping volgen tot profeet. Daarom hangt het met deze roeping ten nauwste samen, gelijk het er ook van de grootste beteekenis voor is. Hij zag dus eene wolk, en die wolk kwam aangesuisd uit het Noorden. In die wolk was als vuur. En temidden van die wolk zag hij vier wezens en op de hoeken der wolk vier raderen, vol van oogen op de velgen.
Een groote wolk met zich daar doorheen slingerende vuurvlammen, omgeven van vuurgloed. De profeet ziet die wolk komen aansuizen, voortgedreven door een stormwind. Ze komt uit het Noorden . Dus vanuit Babel gezien, waar Ezechiël was, komt ze uit noordelijke richting aangestormd. Men heeft gedacht, dat hiermede werd beduid, dat de Heere was weggegaan uit den tempel te Jeruzalem; dat zijn troonwagen zich verplaatste naar elders. Doch dit kan toch niet juist zijn, want in hoofdstuk 11 wordt de troonwagen van des Heeren heerlijkheid gedacht als nog in den tempel van Jeruzalem verblijf houdend. En dan gaat deze niet naar het Noorden, maar naar het Oosten (vs. 23). En later komt hij weer van het Oosten Jeruzalem binnen ( 4 3 : 2 ).
Maar zou het dan niet beter zijn dit komen uit het Noorden in verband te brengen met de godsspraken van Jeremia, die ook gedurig spreekt van het Noorden, als hij de gerichten aankondigt, die Jeruzalem en het heilige land zullen treffen door de komst der Babyloniërs uit het Noorden. Maar men moet niet vergeten, dat Jeremia in Jeruzalem woonde en dus inderdaad uit het Noorden de vijanden verwachtte. Doch Ezechiël leefde in Babel. Wanneer hij dan ook die wolk ziet komen uit het Noorden, van uit Kanaan. dan wijst ons dit op de richtende voorzienigheid Gods, op Zijn wereldbestier vanuit Jeruzalem. De ontsluiting van Gods oordeel en heerlijkheid komt van Jeruzalem. Het oordeel begint van het Huis Gods. Want, het is de tijd dat het oordeel beginne van het Huis Gods; en indien het eerst van ons begint, welk zal het einde zijn dergenen, die het Evangelie Gods ongehoorzaam zijn?
En indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddelooze en zondaar verschijnen? Het oordeel ter zuivering van zijn dorschvloer is daar telkens weer. Dan stormt de wind het kaf weg en zuivert het graan. Des Heeren gemeente moet worden gelouterd door het gericht des Allerhoogsten. In de eeuwigheid zal er voor hen geenerlei oordeel meer zijn om het lijden en verzoeningsoffer van Christus. In dit tijdelijke, aardsche leven maakt de Heere hen rijp voor de schuur des hemels. Het is de tarwe van Zijn dorschvloer, die Hij van kaf zuivert, want Hij heeft ook de wan in Zijne hand. Dat die wolk van Gods troonwagen dus komt uit het Noorden wijst er ons op, dat het oordeel begint, uitgaat en wordt beheerscht door Jeruzalem, dat in het middelpunt ligt van Gods oordeels- en heilsgedachten.
Gods kinderen kunnen niet vrijgesteld worden van benauwing en druk, tot hun heil. Maar hoe vreeselijk zal dan het oordeel zijn dergenen, die de heilsboodschap Gods en Zijnen Christus en diens zoenoffer verwerpen? Ter nauwernood wordt de rechtvaardige zalig. Dat wil zeggen: niet zonder smartelijke, scherpe loutering door het vuur van beproeving en benauwing. Waar zal dan de goddelooze en zondaar verschijnen? Het bondsvolk wordt door zwaarder oordeel getroffen.
De profeet moet dus verstaan, dat het richtende oordeel over de ballingen ter verdelging en ter loutering wordt beschikt van uit Jeruzalem. Het is niet Babels koning, die regeert, maar Isrels God. In de ballingschap heerscht de God van Israël. Zie, hoe heerlijk deze God is, hoe onkreukbaar rechtvaardig Hij wezen mag, hoewel Zijne ontzagwekkende majesteit ons moge doen beven, toch mogen de geslagen kinderen Sions opzien en stamelen met eerbiedigen schroom en nederige hulde aan dien heerlijken God: Kastijdt ons met mate, gelijk een vader doet. Want Zijn toorn is teniet gedaan in het offer van Jezus, wiens ziele moest vergaan in de kolken Zijner gramschap, die nu door de kracht van Zijn bloed is gebluscht.
Kom, zie weer op die merkwaardige wolk, welke daar komt aansuizen uit het Noorden, met vuurvlammen, die er zich doorheen slingeren, omgeven van vuurgloed. De Heere wil Ezechiël brengen onder den indruk Zijner majesteit en heerlijkheid.
Ziet men in de vlakte «en wolk door den stormwind voortgedreven, dan is dat een zandwolk met donker getinte randen. Hier ziet Ezechiël precies het tegenovergestelde. Vuurvlammen slingeren er zich doorheen, vuurgloed omringt de wolk en daar midden in als glanzend metaal, midden uit het vuur. Die vuurvlammen spreken van onafgebroken bliksemflitsen. Vuur, wat den indruk geeft van een onweder. Toch is het geen onweder. Immers de kern van een onweder is donkerzwart, lichtflitsen komen er uit voort, maar de kern blijft zwart. Hier is het anders. Hier is juist het centrum lichtend. Het lijkt daar van binnen op glanzend metaal. Als Hasmal. Dit woord komt nog slechts tweemaal voor. En dan alleen bij Ezechiël (vs. 27 en 8 : 2). Wat het woord precies beduidt weten wij niet. De oude vertalingen denken aan electron, een mengsel van goud en zilver. Anderen denken aan barnsteen. W e weten het niet zeker, maar het moet in ieder geval iets zijn, dat zeldzamen glans van zich geeft.
Die glans, midden in die wolk, die schittering, moet tot uitdrukking brengen de zuiverheid en reinheid van de goddelijke heerlijkhed. Want reken er op — zoo hoor ik een ontslapene weer zeggen, — want reken er op, dat God een heerlijk wezen is, vol van majesteit! Ja, zoo is het. Zoo leeren al Gods kinderen Hem kennen. Hij bedekt zich met het licht als een gewaad. De serafs bedekken hunne aangezichten en roepen: heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen.
Wij zouden allen verteerd zijn geworden door die majesteit, ware het niet, dat Immanuël zich in dat vuur hadde geworpen. En... als rechter der levenden en der dooden is Hij vol ontzagwekkende majesteit. Ja, vol ontzetting zullen de onbekeerden roepen in den doorluchten dag, den dag der dagen, als Hij verschijnt op de wolken des hemels en in die wolk de lichtende gestalte van den Zoon des menschen: Hij komt. Zelfs Johannes op Patmos viel als dood aan Zijne voeten, toen Hij Hem zag in zijn blinkend gewaad, zijne oogen als eene vlamme vuurs en zijne voeten als gloeiend koper. Maar dan legt Hij de hand op hem en spreekt: vreest niet, Ik ben de Eerste en de Laatste en zie, Ik ben dood geweest en leef tot in alle eeuwigheid. Ja, Hij leeft en wij zullen leven met Hem en met Hem heerschen. Maar om die heerlijkheid te kunnen aanschouwen in al haar luister, moet ik eerst ter ruste gaan om juichend op te staan. De heerlijkheid Gods in Christus.
De heerlijkheid des Heeren is in de werken Zijner handen. Alle schepselen zijn in de hand des Allerhoogsten. Hij is werkzaam, vergaderend en verstrooiend. God is Richter, Hij vernedert dezen en verhoogt genen. Want in de hand des Heeren is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling en Hij schenkt daaruit.
De Heere prent den Zijnen een diep besef in van Zijne heerlijkheid, van den roem Zijner deugden. Ook Christus verschijnt hun in dat bijzondere licht van de opluistering van Gods deugden. Vooral ook moet Ezechiël een diepen indruk hebben van de reinheid en vlekkelooze majesteit Gods, omdat Hij het gericht moet aankondigen over zijn zondig volk, doch niet alleen over zijn eigen volk, maar ook over de natiën der aarde Tegen Ammon, Edom en de Filistijnen, Tyrus en Sidon en Egypte, zal de godsspraak uitgaan.
De apostel Paulus, de rijk begenadigde gezant van Koning Jezus, zegt: Wij dan, wetende den schrik des Heeren, bewegen de menschen alom tot het geloof. Want het zal vreeselijk zijn te vallen in de handen des levenden Gods. Laat die majesteit ons verschrikken en doen buigen aan de planten Zijner voeten. De gezant kenne en eerbiedige zijn Koning. Zoo leeren wij een genadigen God in Christus kennen, die toch heilig en heerlijk blijft, al mogen wij zeer gemeenzaam tot Hem naderen. Hij heeft Zijn eer niet verdonkerd, noch Zijne majesteit ontluisterd. Hij blijft een heerlijk, luisterrijk God. Maar is dan kennis aan deze deugden Gods zoo noodzakelijk?
We moeten toch niet staan naar naarheid, maar naar klaarheid! Gaarne stemmen wij dat toe en hebben het waarachtig waar bevonden. Maar is veler klaarheid geen loutere naarheid? En sommiger naarheid klaarheid, zooals bij den tollenaar, die op zijn borst sloeg en uitriep: 0 God, wees mij, zondaar, genadig. Dat was klare naarheid, maar geen nare klaarheid. Hij ging af gerechtvaardigd naar zijn huis. Hij had iets gezien van de donkerheid en de bliksemflitsen dier wolk, die van binnen was als Hasmal! Vol van schittering. Die klaarheid van den tollenaar in uwe naarheid, bidden wij u toe. Deze klaarheid in deze en gene te mogen opmerken is eene verkwikking onzer ziel. Klaarheid ook in den honger en dorst naar Immanuël. Zoo komen wij tot de klaarheid, waarvan Paulus juicht: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, die rechtvaardig maakt, wie is het die verdoemt? Christus is het, die gestorven is, ja wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter rechterhand Gods zit, die ook voor ons bidt.
Ook die Paulus had een diepen blik mogen slaan in de majesteit Gods. Maar ieder Zijner kinderen leert daarvan het noodige. Zwijg en weet dat Ik God ben!
Zie, dan leeren wij buigen en bukken voor God en hebben Hem lief in Zijne heerlijkheid. Ja, laat ons tot klaarheid mogen komen over de wegen Gods in Zijn oordeel en in Zijne ontferming. Klaarheid, waardoor wij voor veel naarheid worden bewaard. Want ach, wat wordt er veel geredeneerd over Gods wegen, over het zondaar zijn, over genade, terwijl het een al even troebel is als het ander. Neen, daar kan de ziel, die met den levenden God te doenkreeg, het niet bij stellen.
Wij hebben met een groot en heerlijk God te doen. Zie die wolk, in zijn glans en bliksemgloed, komende uit Jeruzalem, de stad Gods. Hoor ook eens naar een andere profeet. Als ik uwe oordeelen gehoord heb, zoo heb ik gevreesd, er kwam verrotting in mijne beenderen... maar dan mag hij zich opheffen tot den God der goden, mag hij inzien in het verbondswezen van Jehova en... in geloofsroem breekt hij uit.
Wat had Habakuk dan gezien? God kwam van Teman, en de Heilige van den berg Paran. Sela. Zijne heerlijkheid bedekt de hemelen en het aardrijk was vol van Zijnen lof. En daar was een glans als des lichts... voor Zijn aangezicht ging de pestilentie en de vurige kool ging voor Zijne voeten henen. Hij stond en mat het land. Hij zag toe en maakte de heidenen los en de aloude bergen zijn verstrooid geworden en de heuvelen der eeuwigheid hebben zich gebogen; de gangen der eeuw zijn Zijne.
Dan teekent de profeet den gerichtsgang der Eeuwigen vol van majesteit. En in het diepe besef, dat de gangen der eeuw Godes zijn, had hij gezegd: Zie, is het niet vanden Heere der heirscharen, dat de volkeren arbeiden ten vure,en de lieden zich tevergeefs vermoeien? Want de aarde zal vervuld worden, vervuld met den glans des gerichts, dat zij de heerlijkheid des Heeren zal bekennen, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.
Ja, dan teekent de profeet den gerichtsgang Gods: met gramschap traadt Gij daar het land, met toorn dorschtet Gij de heidenen... Doch temidden van Gods oordeelen ziet Hij de verbondstrouw des Heeren als hij laat volgen. Gij toogt uit tot verlossing uws volks, met Uwen Gezalfde...
Wel werd de profeet eerst beroerd, doch nu herstelt hij zich en als opgenomen in de bescherming van Jehova, beschaduwd door de wolkkolom, kan hij zeggen: Zekerlijk, ik zal rusten ten dage der benauwdheid... En dan zingt hij het triumphlied des geloofs: Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal en geen rund in de stallingen wezen zal... zoo zal ik nochtans in den Heere van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils... De Heere Heere is mijne sterkte!
O, kenden wij slechts meer van die klaarheid van Gods deugden, van de reinheid van Zijn wezen, aanbiddende Zijne oordeelen... Slechts te dieper wikkelen wij ons dan in den mantel van Christus' gerechtigheid. Hier is klaarheid en... waarheid; temidden van groote naarheid! W e haalden hier reeds aan hetgeen den profeet Habakuk te beurt viel, om tevens het roepingsvisioen van Ezechiël toe te lichten.
De Heere laat hem Zijn heerlijkheid zien, opdat hij wete, in wiens dienst hij is aangenomen. Maar ook wilde de Heere hem aldus aangorden met moed en kracht, wetende met welk een God hij van doen had. Doch, dit visioen had niet alleen beteekenis voor den profeet bij zijne roeping, maar ook voor het volk. Ja, voor alle eeuwen, omdat het een stuk is der Godsopenbaring, ons in het Woord Gods geboekstaafd. We kunnen niet nalaten, zeggen Petrus en Johannes, te getuigen van de dingen, die wij gezien en gehoord hebben. Hebben wij Gods heerlijkheid gezien? Gods heerlijkheid in Zijnen Eeniggeborene? Dan pas kunnen we roepen: Kom, Heere Jezus, ja, kom haastelijk!
Een stormwind, een wolk, vuur, glans! Gods wereldbestuur is een voortgaand gericht, hoewel niet het eindgericht. Toch gericht en verlossing voor de Zijnen. Een afgevallen menschheid keert zich tegen Hem. Een stoppel stelt zich in slagorde tegen het vuur. Maar de Heere regeert. Deze storm- en onweerswolk begon te waaien na den val. Deze wolk kwam aansuizen uit het Noorden. Zoo zag het de priester Ezechiël.
De dampen stijgen op van de aarde en vormen de wolken. Vergelijkend zoudt ge kunnen zeggen: de pestwalm der zonde stijgt op en de wolken der zonde worden geladen met gramschap des Almachtigen. In den toorn Gods toch is het zondeoordeel. In dit wereldgericht is Gods majesteit. In de wolken is water, hagel, vuur! Gods macht verbreekt den arm der goddeloozen, terwijl Zijn hand rechtvaardigen geleidt.
Alle natuurelementen staan in des Heeren macht. Storm en onweder, vuur en damp, engelen en starrenheir is gehoorzaam op Zijn wenken. Zoo mogen wij heden zien het wereldgebeuren. Stormt het niet? Bliksemt het vuur niet in de wolk? Zie de gangen mijns Gods en mijns Konings. Hij trekt uit als een Held. Zijn gewaad is met bloed besprengd. de Heere is een krijgsman. Laat de winden blazen, de stormen razen, de wervelwind van Gods gerichten schept de verwarring, opdat Gods orde zal schitteren. Zoo ziet het geloof de majesteit Gods. Ach, dat Gods Kerk van dezen dag meer leefde bij de deugden Gods, zich meer bezig hield met de vraag: hoe zal ik Hem welbehagelijk zijn? Hem dienen met eerbied en godvruchtigheid, want onze God is een verterend vuur. De Heere heeft recht gedaan, de goddelooze is verstrikt in het werk zijner handen. In die wolk met zijn slingerende voorvlammen, met zijn Hasmal van binnen, toont de Heere Zijne majesteit. Gods rechterhand wordt verheerlijkt in macht.
Zoo wordt van de toekomst van den Zoon des menschen gezegd, dat zij zal zijn als wanneer de bliksem schijnt van het eene »inde des hemels tot aan het andere einde. Dat zal de laatste en de heerlijkste openbaring zijn van de majesteit Gods. Zal die toekomst u niet in vlam zetten, of moogt gij Hem kennen, die gezegd heeft: Vreest niet, gij klein kuddeke, want het is des Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven. Zie dan in die wolk, hoe de heerlijkheid Gods het middelpunt is van Zijn regiment. Deze lijn vindt ge de gansche Schrift door, tot in het laatste profetische Boek der Openbaringen. De Geest en de Bruid zeggen: komt! en die het hoort, zegge: komt!
De profeet zal tolk zijn van dezen God en deze God is onze God, door tijd noch eeuwigheid te scheiden. De God der heerlijkheid, de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, Wiens heerlijkheid wij hebben aanschouwd, eene heerlijkheid als des eeniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid.
Daarbij spreekt ons die wervelwind van het geweldige en het plotselinge van Gods gerichten. Een stormwind zal het deel huns bekers zijn. Des Heeren weg is in wervelwind. Maar door dien wervelwind stuift Hij ook het kaf van den dorschvloer weg. En die sterke wind blaast het vuur aan. Hij zal den goddelooze verdoen door den adem zijns monds. Gelukkig echter, dat Hij ook, omdat Christus in de wolk is, overwinningen maakt ten leven als Hij neerwerpt ten doode.

En uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier dieren . . .
Zoo gaan we spreken over de vier levende wezens, die Ezechiël zag in die wolk temidden van het vuur. Een vuurwolk en temidden daarvan vier levende wezens.
Het waren geen dieren, maar het geleek er wel wat op. Slechts bij benadering kan de profeet zeggen, wat hij heeft gezien. Het waren eigenlijk levende wezens, wezens vol van leven.
In hoofdstuk 10 zegt hij ons, dat het cherubs waren. En nu weten wij, dat de cherubs dragers en bewakers zijn van de goddelijke heerlijkheid. Als Johannes in Openbaringen 5 ons het gezicht teekent van den troon der goddelijke majesteit, spreekt hij ook van vier levende wezens. (Onze Statenvertaling spreekt van dieren.) De cherub verschijnt als drager en bewaker van Gods heiligheid en heerlijkheid al aanstonds na den val. Immers een cherub met een uitgetrokken zwaard bewaakt den toegang tot den boom des levens. De cherubs echter stonden ook boven het verzoendeksel der ark met uitgespreide vleugelen, die elkaar raakten. Zij blikten neer op de ark, als begeerig om in te zien. Want het was geen beletsel voor Gods heiligheid, dat Hij woonde temidden van een onrein volk, dat Hij aanzag in de verdiensten Zijns Zoons. De Heere regeert: dat de volken beven; Hij zit tusschen cherubs, de aarde bewege zich. De Heere is groot in Sion en Hij is hoog boven alle volken. Cherubs waren geborduurd op het voorhangsel vóór het heilige der heiligen, om hen te teekenen als wachters der Kerk, betrokken in het regiment van Christus. Hij vergadert bijeen, alles wat in den hemel en op de aarde is.
Een viertal van deze wezens wijst ons op de vier windstreken. Zoo lezen we in Jeremia 49 vers 36: En Ik zal de vier winden uit de vier hoeken des hemels over Elam aanbrengen, en zal ze in alle die winden verstrooien. Maar ook van de Kerk lezen we, dat de stad Jeruzalem vierkant lag, om te beduiden, dat de Heere zegt tot het Noorden: geef; en tot het Zuiden: houd niet terug, breng mijne zonen van verre en mijne dochters van het einde der aarde. Wanneer dus in dit visioen gesproken wordt van de vier wezens als troondragers des Heeren, wil de Heere ons leeren, dat Hij de eenige wereldbeheerscher is. En dat wereldbestuur is een gesloten eenheid.
Men heeft wel eens in deze vier wezens de aartsengelen Michaël, Gabriël, Uriël en Rafaël willen zien. Ten onrechte. Want Uriël en Rafaël komen in de Schrift nooit voor als namen van cherubs, doch van menschen. Pas in de latere Joodsche engelenleer worden zij daaronder opgenomen.
Verder worden nu die wezens geteekend naar hun bijzondere verschijning in het visioen. Daarbij treedt allereerst weer het getal vier op den voorgrond. Vier gezichten, vier vleugels en vier handen. Verder treft onze aandacht dat zij stonden op één been. Zoodoende behoefden zij zich niet om te keeren, in welke richting zij ook gingen. Hoewel van oude tijden, reeds van de dagen van Ireneüs (eind 2e eeuw) deze vier aangezichten betrokken zijn op de vier evangelisten, is daarvoor toch geen enkele schriftuurlijke grond aan te wijzen. Mattheüs wordt dan geteekend als de mensch. Marcus als de leeuw, Lucas als het rund en Johannes als de adelaar.
De orde wisselt dan nog naar de volgorde, waarin de vier evangeliën in de handschriften voorkomen.
Ook kan niet worden aanvaard, dat in het viertal gezichten goddelijke eigenschappen afgebeeld zouden zijn. Als: verstand, majesteit, kracht en snelheid of alwetendheid.
Maar de profeet onderscheidt scherp tusschen God en deze wezens, daarom zullen we de oplossing wel in andere richting moeten zoeken. De levensvolheid dier wezens is zóó groot, dat alléén de samenvatting eenigermate die kan vertolken van de zielegrootheid van een mensch, onverschrokken dapperheid van den koning der dieren, de ongebroken kracht van den stier en het opstrevend vermogen van den arend. Zij hebben vleugels, zij bewegen zich volkomen vrij. Van die vier vleugels gebruiken zij er twee om den troonzetel des Almachtigen te dragen, terwijl altijd de rechtervleugel van het eene wezen den linker van het andere raakt. Zoo was dit ook het geval in den tempel van Salomo. Deze dieren, levende wezens, cherubs, hebben trekken van overeenkomst met de serafs bij Jezaia. De serafim zijn als de edelen onder de opperste engelen, de cherubs zijn de krachtigen onder de engelen, zij waken over de heiligheid Gods. De serafs bedienen het altaar. De sterke cherubs dienen God als voertuig (Psalm 18) en dragen Zijn troon. Zij bewaken de plaatsen, welke God voor den zondigen mensch heeft afgesloten: het paradijs, het aardsche heiligdom. Zij wijzen op de tegenwoordigheid van den heiligen God, tot wien de zondige mensch alleen in den weg der verzoening kan naderen. Er is een verborgen wereld, die ingaat in deze schepping met zijn krachten en machten, veel meer dan wij vermoeden en dan de Kerk beleeft. Ezechiël wordt hier opgeleid tot de alwerkzaamheid Gods in de majesteit van Zijn werk en in de schepping tot gericht en zegen. Eliza zeide eenmaal, toen zijn jongen vroeg, hoe zij toch gered zouden worden van de hen omringende legermachten: Heere, open de oogen van dezen jongen, dat hij zie. En zie, de berg was vol vurige paarden en wagenen.
Nu moeten wij er ook nog op letten, dat de elkander paarsgewijze rakende vleugelen weer een vierkant vormen.
Met de twee andere vleugels bedekken zij het lichaam, waarvan wij den zin aangaven bij de serafs in het roepingsvisioen van Jezaia. (De lezer zoeke het daar nog eens op.) Ook deze troongeesten moeten zich dekken voor de aldoordringende heiligheid des Heeren.
In vers 8 wordt ons verder gezegd, dat zij onder die vleugels vier menschelijke handen hadden. Uit hoofdstuk 10 vers 8 blijkt, dat zij daarmede de bevelen des Heeren volbrengen.
Nu moeten wij er ook nog op letten, dat de elkander paarsgewijze rakende vleugelen weer een vierkant vormen. Met de twee andere vleugels bedekken zij het lichaam, waarvan wij den zin aangaven bij de serafs in het roepingsvisioen van Jezaia. (De lezer zoeke het daar nog eens op.) Ook deze troongeesten moeten zich dekken voor de aldoordringende heiligheid des Heeren. In vers 8 wordt ons verder gezegd, dat zij onder die vleugels vier menschelijke handen hadden. Uit hoofdstuk 10 vers 8 blijkt, dat zij daarmede de bevelen des Heeren volbrengen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 17 October 1936

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Het roepingsvisioen van Ezechiël II

Bekijk de hele uitgave van Saturday 17 October 1936

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken