Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Moederbelofte

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Moederbelofte

22 minuten leestijd

Genesis 3:15. En Ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw, en tusschen uw zaad en tusschen haar zaad, datzelve zal u den kop vermorzelen en gij zult het de verzenen vermorzelen.


Z i e , ik verkondig ulieden groote blijdschap, zoo klonk de stem des engels in den Kerstnacht tot de herders, die de n a c h t w a c h t hielden bij hunne kudden.
Z i e t , ik verkondig u groote blijdschap mag ook gezegd worden, wanneer wij lezen in onzen text de eerste belofte van eenen Z a l i g m a k e r , die geschonken is aan het gevallen m e n s c h e n g e s l a c h t in den hof van Eden. Het wekt onze bewondering op. hoe de Heere allengs Z i j n e n Zoon heeft bekend gemaakt en geopenbaard.
Hij begon met deze b e l o f t e en ontplooide haar steeds meer. Hier is dan de e e r s t e toezegging van leven en vrede aan den g e v a l l e n mensch. Zij zal nog veel duisters hebben bevat voor onze e e r s t e voorouders, ook al heeft het aan de verlichtende en wederbarende daad ten leven door den Heiligen Geest niet ontbroken. W o o r d en Geest zijn van meet af met elkander verbonden, want God verspilt Z i j n W o o r d noch genade. Hoe veel duisters deze belofte, deze moederbelofte, nog bev a t t e , toch mogen wij er zeker van zijn, dat in de ziel van onze voorouders een vonk der hope werd ontstoken in den nacht hunner zonde en der dreiging des doods, gekomen onder den vloek als zij waren. G e v a l l e n in de zonde, afgev a l l en van hun Schepper en Formeerder, den duivel toegevallen. Z o o waren wij in onzen stamvader den vloek en der verdoemenis onderworpen.
Deze moederbelofte is zeer bekend. Reeds in de jeugd wordt zij als M e s s i a a n s c h e text van buiten geleerd. En toch kan niet worden ontkend, dat dit eerste woord van goddelijk erbarmen weinig wordt verstaan, en inderdaad ook zwaar is om te bevatten. Over dezen text te preeken biedt zijne bijzondere moeilijkheden, maar mede daarom zijn bekoorlijkheid. Laten we samen onder biddend opzien tot den Koning der K e r k om de voorlichting van Z i j n e n Geest, die nu in haar woont, om in al de waarheid te leiden, in dit prot-evangelie, deze moederbelofte, zoeken in te dringen. Zij is de eerste bloem in den hof van Gods beloften, geworteld en gevoed uit het verbond der genade, waarin de Heere ten uitvoer legt de gedachten zijns harten om tc leiden tot het leven hen, die zich hadden gestort in den dood.
De mensch heeft door moedwillige ongehoorzaamheid en het ingeven des duivels zich van zijn Maker losgescheurd. Doch de Heere is in den toorn des ontfermens gedachtig en van eeuwigheid was het in Zijn hart een gevallen geslacht op te richten uit den dood en te vrijwaren voor het verderf. O. diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennisse Gods. hoe ondoorzoekelijk zijn Zijne oordeelen en hoe onnaspeurlijk zijn Zijne wegen. Zoo mocht Paulus wel uitroepen in biddende verwondering.
De Heere roept den mensch tot de orde en vraagt: Adam, waar zijt gij? Dan openbaart zich de diepte van het bederf, dat zoo plotseling den levenswortel des menschen als een kanker had aangetast, want hij neemt het op tegen God, verontschuldigt zich en werpt een blaam op anderen en zoo op God: Toen zeide Adam: de vrouw, die Gij mij gegeven hebt, die heeft mij gegeven van dien boom, en ik heb gegeten. En de Heere God zeide tot de vrouw: W a t is dit, dat gij gedaan hebt? en de vrouw zeide: Die slang heeft mij bedrogen en ik heb gegeten."
Zoo schuift Eva de schuld op de slang en over de slang heen op God. Hoe wordt de naaktheid hunner ziel openbaar! Zij vluchten niet tot God om vergeving, noch vragen bedekking van den Heere, doch hechtten zich vijgeboombladeren samen tot schorten. Zie, hoe hoogmoedig de mensch is geworden door den val. Hoe onwillig is hij ook de misdaad alleen op zichzelf te leggen en zich voor God te verootmoedigen. Zijn antwoord was trotschheid jegens zijn Schepper, vijandschap tegen zijne vrouw en geveinsdheid met betrekking tot zichzelven. Welk een stroom van ellende kwam over den mensch en zijn gansche geslacht. Wanneer wij dit alles overwegen, dan schittert de vrije genade, dat de Heere omzag naar zijn gevallen schepsel, dat den dood zich had waardig gemaakt en inderdaad geestelijk was gestorven. W a r e genade niet tusschengetreden, zoo zouden zij weggezonken zijn in den eeuwigen dood. Zij waren wettig en geestelijk dood, kinderen der boosheid, erfgenamen der hel. Zij hadden gegeten van de vrucht des booms, welke God hun verboden had. En als zij voor God worden gedaagd, wilden zij, niettegenstaande hunne misdaad zoo kennelijk was, deze niet belijden. Waarom wordt het doodvonnis niet voltrokken en waarom varen zij niet levend ter helle? Gods eeuwige wijsheid had het ontwerp der redding gereed. Ja, wij weten, dat het Lam is geslacht van voor de grondlegging der wereld. Uit die bedeeling alleen kan de dood worden overwonnen en het leven worden geschonken. Zie, dit voornemen der liefde was van eeuwigheid verborgen in het harte Gods. Niettegenstaande Adam en Eva zich niet vernederden, zóó zelfs, dat zij niet eens vergeving vroegen, gaat het voornemen der liefde door en God spreekt onmiddellijk den vloek uit over de slang, over den mensch echter een zegen. Hij doet hem een ster der hope lichten in den nacht des oordeels.
Zoo richt dan de Heere zich in tegenwoordigheid van het eerste menschenpaar tot de slang, die instrument des duivels was geweest in de verleiding. Met een enkel woord slechts wijzen wij daarop thans. Die slang was bezeten door den duivel, die door haar sprak. Zij was het meest schrandere dier vóór den val, waar de mensch vertrouwelijk mee omging. Juist daarom koos de duivel de slang om den kinderlijken mensch te verleiden. De Heere ondervraagt de slang niet omtrent hare misdaad. Zeker, de slang is een stom dier en zonder zedelijke verantwoordelijkheid, maar de Heere spreekt zoowel tot de slang als de Machthebbende als ook tot den duivel, die in het paradijs is ingeslopen in de slang. Hij wordt nu ook gedagvaard om zijn vonnis aan te hooren. Zijn schuld was openbaar en de Heere had geen plan der genade met htoonbeeld zijner gerechtigheid. De Heere richt geen vragen tot den duivel. De ondervraging onzer eerste ouders was de inzet der genadedaad Gods, waardoor de Heere hen zou wederbaren ten leven. En nog vóór de vloek over de aarde wordt uitgesproken en de ellende wordt aangekondigd over Adam en Eva en hun geslacht, komt de Heere met een daad des ontfermens. De genade is het oordeel vóór geweest. Hier zijn goddelijke verwijten ten leven. De inzet is de ontdekking van een weerstrevend schepsel, dat voor den val nooit tegen den Heere antwoordde, maar nu Hem hoont en tegenspreekt! Maar genade zal heerschen tot het eeuwige leven. Hij zal het voornemen Zijner liefde niet laten verijdelen, maar doen ervaren, dat Zijne almacht spreekt en het is er. Gelijk Hij ten vierden dage van de scheppingsweek had gesproken: daar zij licht en er was licht, zoo zal Hij ook het leven oproepen in den dood door de almacht Zijner genade.em: W a a r l i j k , hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan.
Eerst echter richt de Heere God zich in de moederbelofte tot de slang, het slangenbeest dus en door dit slangenbeest heen tot den duivel. Dewijl gij dit gedaan hebt, zoo zijt gij vervloekt boven al het vee en boven al het gedierte des velds. op uwen buik zult gij gaan en stof zult gij eten, alle de dagen uws levens.
De slang is overheerd en misbruikt door de booze macht. Toch wordt nu de slang als dier vernederd. In haar gestalte en leven moet zij als dier het teeken dragen van hare levensaanraking met den duivel. En de gemeenschap met het menschelijke leven haar tevoren boven de andere dieren gegund, wordt in duurzame vijandschap verkeerd. Zeker wordt al het dierlijke leven getroffen door den vloek, om des menschen wille, maar der slang treft een bijzonder oordeel. De slang is het van God vervloekte dier, het satanische beest, dat in de wereld der dieren ons het meest laat zien van den duivel. De slang wordt in de dierenwereld, als dier onder de dieren door God vernederd, gelijk zij tevoren hoog en heerlijk was. Maar met de slang treft het oordeel de gansche dierenwereld en de aarde. In dien samenhang met den mensch had de Heer Zijne schepping geformeerd. Bij den gevallen mensch behoort eene gevloekte aarde. Sinds is ook het gedierte onvrij tegen booze machten, die de mensch had moeten keeren. Met de schepping ondergaat het dierlijk leven de gevolgen van den vloek Gods. Zoo werkt de verwijdering tusschen mensch en dier door. W a r e het niet, dat de Heere aan den mensch de macht verleend had over het leven der dieren, zoo zou het dierlijk leven een voortdurende ernstige bedreiging zijn geweest voor het menschelijk bestaan. De verwijdering tusschen mensch en dier neemt den scherpsten vorm aan tusschen slang en mensch. Daar breekt zij in verwoede vijandschap uit.
Maar nu moet die slang ook dragen haar vloekteeken onder de dieren. De vloek bestaat hierin, dat zij immer op haar buik zal kruipen en stof zal eten. Bij het kruipen op den buik krijgt de slang vanzelf stof in den bek. In Micha 7 : 1 7 lezen wij: zij zullen het stof lekken als de slang, waaruit ons blijkt, dat het stof lekken bij de slang letterlijk is bedoeld. Blijkbaar is dus de voortbewegingswijze der slang na den val gewijzigd, anders toch ware hier van geen oordeel des vloeks sprake. De huidige voortbewegingswijze is gevolg en teeken van de vervloeking der slang. Hoe de beweging tevoren was, weten wij niet en het heeft dus geen zin erover te phantaseeren. Maar nu verschijnen hier duivel enslang als een twee-eenheid. In die slang en haar vloek is profetie van satan en zijn lot. Uitgebannen uit de slang heeft satan nu in dit gevloekte dier het beeld zijner toekomst voor zich. Dit zeide voor zijn bewustzijn meer dan voor het onze, omdat hij de slang voor den val heeft gekend. Zijn bestaan zal laag en verachtelijk zijn, gepaard met doodelijke vijandschap tegen het geslacht der menschen. Satan is door zijn afval van God een laag schepsel geworden, gevloekt door God. Want het moge zijn, dat hij zich verheft als de slang, die gaat staan om met zijn kop te slaan naar zijn vijand om zijn giftand zoo diep mogelijk in te slaan in het vleesch, het blijft het lage dier. Het is een zich opheffen om neer te zinken in het stof, om te zinken in het oordeel van den goddelijken vloek.
Het oordeel nu over zichzelf en zijn beeld ontving hij in het vonnis over de slang, om in de verwezenlijking der historie te ervaren hoe zwaar zijn vervloeking was, waarmee God hem trof.
In dit bijzondere licht nu spreekt de Heere het eerste woord des evangelies.
„En Ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw, tusschen uw zaad en haar zaad, datzelve zal u den kop vermorzelen en gij zult het de verzenen vermorzelen."
Het was noodig, dat we eerst wat breeder bij het verband stil stonden om nu den zin na te sporen van deze belofte vol van vloek en zegen, maar zwaar om te verstaan.
Het is dus duidelijk, dat de Heere spreekt tot de slang, in tegenwoordigheid van Adam en Eva. En door de slang heen richt de Heere zich tot satan. Daarom heeft de text een dubbelen zin. Het oordeel over satan is ingeweven in het oordeel over de slang als dier.
En Ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw. God spreekt dus tot de slang en wijst Eva als met den vinger aan. Zoo goed de verhouding was, zoo kwaad zal ze worden. De Heere zelf ontketent dezen strijd. Ik zal vijandschap zetten. Nu is zeker bij een dier van geen zedelijke schuld sprake. Maar deze orde heeft God in zijn schepping gesteld. Zoo lezen wij (Gen. 9 : 5 ) , dat het vergoten levensbloed door den Heere zal worden geëischt van al het gedierte, zoowel als van den mensch. Een os, die een mensch stoot, dat hij sterft, moet worden gesteenigd, en ondergaat dus eene strafrechterlijke executie. Zoo wordt ons hier in de moederbelofte, in het historisch verband, waarin zij is geschonken, allereerst geleerd, dat er een bijzondere strijd zal zijn tusschen menschen en slangen.
Zoo merkt Calvijn op bij de woorden: Ik zal vijandschap zetten: ,,Ik versta eenvoudig hierdoor, dat er altoos vijandschap en strijd zal zijn tusschen het menschelijke geslacht en de slangen, gelijk nog heden ten dage wordt gezien. Want door een verborgen gevoel in onze natuur heeft de mensch van deze een afschuw... Zoo dikwijls het zien van slangen ons schrik aanjaagt, wordt de herinnering aan onzen val vernieuwd.
Er is vijandschap tusschen slangen en menschen. Dat geldt van de gifslang allereerst, maar ook van andere soorten, die geen giftand hebben, doch alles verbrijzelen en kraken door omkronkeling, zooals de boa en python. De bange werkelijkheid van dezen strijd tusschen slangen en menschen wordt, om een voorbeeld te geven, wel heel sprekend in het licht gesteld in Britsch-Indië, waar het getal dergenen, die jaarlijks door slangen worden gedood, tien maal zoo groot is a!s van hen, die ten offer vallen aan alle overige gevaarlijke en wilde dieren tezamen.
Toch leert nu hier de Schrift, dat de overwinning aan de zijde des menschen zal zijn. De strijd zal ook gaan tusschen beiderlei zaad. Tusschen slangen en menschen, maar de mensch zal de overhand behouden, want hij zal den kop der slang vermorzelen, terwijl de slang de hiel des menschen zal vermorzelen. De hielebeet zelfs der gifslang behoeft nog niet doodelijk te zijn, wanneer tijdig wordt ingegrepen en de wond gezuiverd. De zegepraal is bij den mensch. Door haar beschaving dringt de menschheid de slangen terug, terwijl zijn glorie slechts hielenbeet is.
Intusschen zien wij, dat de Heere zich barmhartig betoont, in het straffen van den mensch. Want, terwijl Hij der slang niet meer vrijheid veroorlooft dan de hiel van den mensch aan te raken, staat hij dezen toe den kop der slang te vermorzelen. En zoo doet de Heere nog eenige heerschappij aan den mensch overblijven, doordat Hij de wederkeerige neiging om elkaar afbreuk te doen zóó maakt, dat zij toch niet gelijk staan, maar de mensch de sterkere zal zijn in den strijd. Zoo merkt Calvijn op.
Evenwel, met deze verklaring zijn we niet gereed met onzen text, ook al mag deze zijde der waarheid niet worden veronachtzaamd, omdat zij er ongetwijfeld in wordt uitgesproken. Anders geschiedt aan het historisch verband geen recht. De eerbied voor Gods Woord moet zoo groot zijn, dat we nimmer trachten weg te laten of toe te voegen naar eigen begeerte, maar steeds vragen naar de meening des Geestes.
We moeten nu den dieperen achtergrond van onzen text zoeken te vinden en openen. Hier is veel meer dan alleen dit,dat de mensch het wint van de slang. De Christelijke Kerk heeft terecht gesproken van de moederbelofte, van het evangelie der verlossing. Artikel 17 onzer belijdenis zegt, dat de gevallen mensch, die al bevende voor God vlood, getroost werd: belovende hem Zijnen Zoon te geven, die worden zoude uit eene vrouw, om den kop der slang te vermorzelen en hem gelukzalig te maken. En onze Catechismus wijst er in den zesden Zondag op, dat God zelf eerstelijk het evangelie in het paradijs heeft geopenbaard. Achter de slang staat een ander, een booze geestelijke macht, die wij door het Woord van den Heere Jezus leeren kennen als die van den duivel. Ook hier is het duidelijk, dat achter de slang op een ander wordt gedoeld. Immers, terwijl de vrouw in de tweede helft van het vers plaats maakt voor haar zaad, blijft de toegesproken slang dezelfde. Die „gij" is dezelfde, die de vrouw heeft verleid, dezelfde met wien de vrouw in vriendschapsverband was getreden, is ook dezelfde, die aan het einde door het zaad der vrouw zal worden overwonnen. Het is duidelijk, dat alzoo in de slang een bepaalde persoonlijkheid wordt toegesproken, die boven de slang als dier uitgaat. Hij zal tot de eindbeslissing van den zoo langdurigen strijd blijven voortbestaan en zijn vernielende werking trachten uit te oefenen.
We zoeken dus hier geen waarheid achter de waarheid, maar begeeren alleen de waarheid in de waarheid te verstaan. En die waarheid raakt zoowel het slangenbeest als satan, zoowel slangenzaad als het vrouwenzaad.
God koelt dus niet zijn toorn aan een uitwendig instrument, om den duivel te sparen, bij wien de geheele schuld berustte. De Heere spreekt dan ook niet ter wille van de slang, maar tot troost des menschen. De Heere ontsteekt het licht deihope voor zijn menschenkind. Want, wat zou het baten, zoo de mensch al de overhand behield over de slang en inmiddels slaaf bleef van satan, die trotsch over hem zou zegevieren?
,,En daarom opdat God de bezwekene harten der menschen zou oprichten, en deze, door wanhoop neergedrukt, zou doen herleven, was noodig, dat de overwinning op satan, door wiens listen zij waren omgekomen, in de toekomst hun beloofd werd. Dit was toch het eenige heilzame geneesmiddel, dat verlorenen kon oprichten en dooden het leven terugschenken. Derhalve stel ik vast, dat God onder den naam van de slang het allermeest hier satan bedoelt en tegen hem den bliksem Zijns oordeels slingert. "(Calvijn.)
Maar, wat wordt nu verstaan onder het zaad der slang en het zaad der vrouw in onzen text? Het slangenzaad is het rijk des satans. Jezus zelf wijst ons hier den weg als hij spreekt van het zaad in profetisch licht. In de gelijkenis van het onkruid in den akker zegt Hij: en een boos mensch kwam en zaaide onkruid in zijn akker. Het goede zaad, door den Zoon des menschen gezaaid, zijn de kinderen des koninkrijks en het onkruid zijn de kinderen der boozen. Het onherboren menschengeslacht, dat in Adam den duivel toeviel en kwam onder zijne heerschappij, is het zaad der slang. Gijlieden zijt uit den vader den duivel en wilt zijne begeerten doen en die was een menschenmoorder van den beginne. Doch op één punt moet nog de bijzondere aandacht worden gevestigd. Tusschen slangenzaad en vrouwenzaad is een onverzoenlijke strijd, de overwinning ligt echter bij het vrouwenzaad. Er is echter een bijzonderheid. De worsteling wordt betrokken op twee personen. Zaad wordt een verzamelnaam en concentreert zich in een persoon. De overwinnaar is een enkele strijder. Er wordt toch gezegd: datzelve zal u den kop vermorzelen en dan wordt een enkelvoud gebruikt; het vrouwenzaad bij uitnemendheid. Deze overwinnaar is de Heere Jezus Christus, die kwam naar het woord van den apostel Johannes, om de werken des duivels te verbreken. Christus is de wortel Davids, en het Hoofd zijns lichaams, hetwelk is Zijne gemeente, die de Vader Hem gaf. De overwinning op den satan, de sterke, die zijn hof bewaakte, wordt behaald door den sterkere, dien de Vader stelde tot een Zaligmaker. Doch die overwinning wordt zoo bevochten, dat ook al het slangenzaad daarin de nederlaag lijdt en met den satan aan den ondergang wordt prijsgegeven. Zoo wordt ons in het eerste deel van het vers geteekend de worsteling tusschen slangenzaad en vrouwenzaad, kinderen des duivels en kinderen des koninkrijks. Maar dan is Christus het vrouwenzaad bij uitnemendheid. Zoo wordt een heerlijk genadelicht ontstoken. Dit licht schijnt reeds in de ontketende vijandschap tusschen slang fen vrouw en beiderlei zaad. Vriendschap met den boozen verleider was een vloek gebleken, vijandschap tegen hem is een zegen Gods en bewijst daarin Zijne genade, dat Hij de gesloten vriendschap teniet maakt en in vijandschap verkeert. Daaruit blijkt ons tevens, dat God allereerst in de ziel van Eva het licht des levens doet opgaan. Hij zet vijandschap tusschen haar en den duivel.
Het is dan ook aan geen twijfel onderhevig of Eva is zalig geworden, want dat zegt hier de Heere uitdrukkelijk. Dat ook Adam de belofte heeft omhelsd en erfgenaam dierzelfde toezegging werd. blijkt ondermeer hieruit, dat hij temidden van de doodsdreiging zijne vrouw noemde Eva, omdat zij eene moeder aller levenden is. In haar was de levenswortel van het menschelijk geslacht en zoo rees voor Adam hope in de toezegging Gods, dat haar zaad, het zaad Christus, satan de nederlaag zou doen lijden. Adam heeft in het geloof de moederbelofte omhelsd. Christus was het zaad. dat uiteindelijk den satan overwon, terwijl Hij in het zaad der vrouw alle eeuwen door de worsteling aanbond met den menschenmoorder en hem overwon. Eva is de moeder der geloovigen in dezen zin, dat uit haar de Kerk opkomt, niet door natuurlijke geboorte, maar dewijl aan haar het evangelie is geopenbaard.
Christus verwekt de Kerk, gelijk Hij zelf uit haar Zijne menschelijke natuur heeft aangenomen. Christus voert den strijd in en voor het gansche vrouwenzaad, totdat Hij vleesch wordt en zeggen kon: Ik zag den satan vallen, als een bliksem uit den hemel. De overste dezer wereld komt en heeft aan Mij niets. De duivel en duivelen moesten erkennen: wij kennen U wie gij zijt, de Zone Gods. Zoo heeft onmiddellijk na den val de Heere zelf de antithese, de tegenstelling, gesteld en de menschheid in tweeën doen uiteengaan. De genade treedt in en Eva met Adam worden gesteld voor de ontferming Gods.
Maar de botsing blijft. En de dagelijksche bede op de lippen der Kerk gelegd is: Verlos ons van den booze. Hij zal den satan haast onder hunne voeten verpletteren.
Zoo begint het evangelie met eene vijandschap-zettende daad Gods in de zondaarsziel. De mensch wordt verdeeld tegen zichzelven, en gescheiden van den duivel, den vader der leugenen. Een wigge wordt gedreven in eigen wezen. Leven en dood worstelen ook in het ééne menschenhart. Satan is ons gram geworden sedert wij mochten kiezen voor Hem, die satan verwon. Wie niet haat zijn eigen leven, kan mijn discipel niet zijn. Zoo worden in het paradijs verschillende oorlogsverklaringen afgekondigd. De mensch scheurde zich los van zijn schepper en verklaarde Hem den oorlog. Doch de Heere was hem voor geweest in de bedreiging des vloeks: ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven. Oorlog met mijn Maker, zie, dat kan mij alleen den dood en den ondergang brengen. Ik ben daarbij als een stoppel, die zich in slagorde stelt tegen het vuur. Wee mij. dwaas die ik was!
Zoo wordt de menschheid door onrust verteert en zij smeedt wapenen tegen God haren Maker, die goed doet van den hemel. Met den duivel was een bondgenootschap gesloten tegen God om samen Hem te bestrijden, die allen den adem en het leven geeft. Een bondgenootschap met den venijnigsten vijand Gods. Maar de Heere is de verwinnaar in den strijd. Dat ware Hij geweest, indien hij den mensch naar den afgrond héd verwezen. Wij zullen het zeker tegen God verliezen. Daarom: de wapens neer, verdoolde stervelingen. De zonde is zware schuld voor God; zij is ook uitermate dwaas en onzinnig. daarom zegt de apostel als hij eene teekening geeft van onzen diepen val: Daar is niemand, die verstandig is, daar is niemand, die goed doet, ook niet tot één toe, tesamen zijn zij onnut geworden. Hunne keel is een geopend graf, slangenvenijn is onder hunne lippen, vernieling en ellendigheid in hunne wegen en den weg des vredes hebben zij niet gekend.
Doch in het paradijs ligt nog een andere oorlogsverklaring, want het heeft den Heere goed gedacht zich te ontfermen over den mensch, die geen medelijden kende met zichzelven. De Heere God verklaart den oorlog aan satan en scheidt de \ rouw van haar bondgenoot. Hier is onderscheidende genade. De duivel is onredbaar verloren, de mensch zal worden behouden Doch de genade scheidt niet slechts satan en mensch. Zij scheidt ook de menschen onderling, want hier treedt de verkiezende genade in die slangen- en vrouwenzaad tegenover elkander stelt. Daarom sprak Christus: Omdat gij van de wereld niet zijt, daarom haat u de wereld. En, zoo kon Hij ook zeggen: zij heeft Mij eer gehaat dan u.
Zoo ligt in de moederbelofte de kiem des Evangelies en de vredesboodschap weerklinkt in den hof, dat genade zal heerschen tot het eeuwige leven in Hem. dien de Vader daartoe gesteld heeft, den man van smarten, den leeuw uit den stam van Juda. Het kindeke, dat de vrouw baarde en dat werd weggerukt tot God en Zijn troon. Deze belofte zal in den weg der historie worden ontplooid. Hier neemt de Kerk haar oorsprong. Begenadigd in den Geliefde.
Zijt ge gescheiden van den vorst der duisternis en hebt gij gebogen onder God? Wij zien hoe de mensch nooit naar God zou hebben gevraagd, maar de Heere was de Eerste en „het" vrouwenzaad kon zeggen: Ik ben de Eerste en de Laatste; Ik ben de blinkende morgenster.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 november 1936

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

De Moederbelofte

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 november 1936

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken