Bekijk het origineel

Van art. 36 der Ned. Geloofsbelijdenis, 3e serie IX

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van art. 36 der Ned. Geloofsbelijdenis, 3e serie IX

14 minuten leestijd

Uit het voorbeeld van Voetius is het duidelijk geworden, dat hij, die toch zelve op de Dordtsche Synode zitting heeft gehad en als zoodanig heeft meegewerkt aan de hernieuwde vaststelling van het in 1566 herziene artikel 36, in de woorden, waarop het gravamen betrekking heeft, toch wel iets geheel anders moet gelezen hebben dan Dr. Kuyper en de H.H. Adviseurs, die als aan zijne hand hun „Advies aan de Synode der Gereformeerde Kerken" in 1905 hebben samengesteld. En ik merkte er reeds op, dat Voetius daarin niet alleen stond. Om dan nog een beteekenisvol voorbeeld te noemen, wijs ik op de Synopsis purioris Theologiae, die een echo is van de Dordtsche Synode, een paar eeuwen het leerboek der LIniversiteit was. Schrijvers waren niemand minder dan de Hoogleeraren Poliander, Rivetus, Walaeus en Thysius. Ook deze mannen hebben dan toch het 36e Artikel der Confessie goed gekend. Zij waren het met den modernen Staat eens, dat wat leidt tot omkeering der maatschappelijke orde, tot revolutionaire daden, zooals dit van vele bewegingen dier dagen, gold, met geweldmaatregelen onderdrukt moest worden. Maar als het op onrechtzinnige leeringen aankomt, dan is, zoo zeggen zij, het vraagstuk niet zoo eenvoudig. Tegen Godslastering moest worden opgetreden. Maar hoe? Moest dit geschieden op de wijze, zooals de Adviseurs dit in de Belijdenis meenden te lezen? Dat zij verre. Als er kans is, dat de magistraat deze dwalenden door zachtheid kan terecht brengen, dan is tolerantie aan te bevelen. Maar zijn er dan niet, die van oordeel zijn, dat het zwaard gebruikt moet worden? Zeker wel, maar wanneer? Zoodra er gevaar is, dat de regeering omver geworpen zal worden. En als er dan geen andere uitweg is, in de uiterste noodzaak dus, als er geen ander middel is overgebleven om een ongeneeslijk kwaad te beteugelen. Dat is immers heden ten dage bij oproerige bewegingen nog zóó. Alleen maar onze Vaderen duldden geen Communisme in hun midden, traden dus veel eerder op. Maar van een dwingen in zake religie met den sterken arm moesten zij niets hebben: ..Fides enim persuaderi vult, non cogi." Van het geloof moet men overtuigd worden, maar niet daartoe gedwongen. Er is geen zaak, die zoo ,,voluntarium", zoo gewillig en vrijwillig moest zijn dan „Religio ac cultus Dei internus", dus als de religie en de innerlijke vreeze Gods. Niets moet verder zijn van den Christelijken magistraat dan averechtsche en ontijdig strenge maatregelen, waardoor huichelaars worden gekweekt, indien er gedwongen zou worden met den mond te belijden hetgeen zij met het hart niet gelooven. Zoo leeren deze Leidsche Hoogleeraren (Synopsis purioris Theologiae, Lugd. Bat. Ed. tertia, 1642. Disp. L. 55—60).
Uit de feitelijke gegevens blijkt, dat bij al deze, met de Dordtsche Synode intiem bekende, geleerde mannen eene leer wordt gevonden, die overeenkomt met de practijk. Doch dan kan toch niet worden aangenomen, dat zij aan de gewraakte woorden van het gravamen denzelfden zin hebben gehecht als de Adviseurs der Synode van 1905. Zij hebben Art. 36 anders gelezen dan Dr. Kuyper.
De uitnemende methodische regel is door de Heeren, die er zulk een nadruk op legden, niet streng en getrouw toegepast. Hadden zij dit gedaan, dan zouden zij hpbben moeten verklaren, hoe het dan toch gekomen is, dat der Vaderen practijk en leer reeds op de Dordtsche Synode en daarna een geheel andere geweest is dan Dr. Kuyper en de Adviseurs in de woorden van het gravamen lazen.
Voor ons echter is dit geen vraagstuk, wanneer het namelijk blijkt, dat zij ook de woorden der Belijdenis niet nauwkeurig gelezen hebben. Daarbij is het uit den aard der zaak de vraag, hoe de tekst luidt. En om deze vraag te beantwoorden, moet eerst worden vastgesteld welke tekst als de authentieke geldt. De belijdenis van Guy de Bres van 1561, die aan Philips II gezonden was met de beroemde voorrede, waarop wij in den aanvang dezer artikelen wezen, was reeds kort daarna in het Vlaamsch vertaald, in 1565 herzien op de Synode van Antwerpen in tegenwoordigheid van Philippe Marnix van St. Aldegonde en door Franciscus Junius naar Genève gebracht, om daar te worden herdrukt en daarna in deze nieuwe uitgave gezonden aan keizer Maximiliaan II met de onderteekening van Lodewijk van Nassau en andere groote Heeren dezer landen. Deze tekst is herhaalde malen herdrukt, soms tweetalig, zoo b.v. in 1611 te Middelburg en werd ook vergeleken met het oude Waalsche manuscript en daarmede volkomen overeenstemmend bevonden. Deze Waalsche tekst werd dan ook als een standaardtekst beschouwd door de Nederlandsche Gereformeerde Kerken. Op de Provinciale Synode van 1582 te Haarlem werd dien ten gevolge aldus verklaard: ,,Is voorgebracht de Nederlantsche Bekentenis des Geloofs, nu van nieuws uyt het Walsch Exemplaar overgeset . In de Acta der Synode van den jare 1583 te Den Haag gehouden, wordt eveneens gezegd van de Belijdenis des geloots: ,,uyt de Fran^oische Copye van nieuws overgeset". (Zie Trigland's Kerckelycke Geschiedenissen). De Vlamingen hadden dus den tekst hunner Belijdenis ontleend aan het Waalsche origineel van een copie der revisie van Antwerpen, die aan keizer Maximiliaan gezonden werd. Het Waalsche exemplaar is dus standaardtekst. In 1606 heeft de particuliere Synode van Zuid-Holland order gegeven den tekst te herzien en daarvoor aan de Synode der Waalsche Kerken verzocht om het Waalsche autographon te mogen gebruiken. En op de Synode van Dordrecht is eveneens opdracht gegeven de verschillende teksten te vergelijken en dan vooral nota te nemen van het authentieke exemplaar der Waalsche Kerken. En dit exemplaar was de tekst van 1566, dat aan keizer Maximiliaan werd gezonden. De Dordtsche Synode heeft dezen tekst ook geapprobeerd. Die Waalsche tekst is dus de standaard-tekst. Op bevel van de Synode der Waalsche Kerken te Leiden gehouden 14 Sept. 15ö7 is deze Waalsche tekst en de revisie van Dordt in twee-kolommen uitgegeven, ook te Leiden 1769. In de Préface dezer uitgaven zijn alle historische bijzonderheden nauwkeurig vermeld.
Wanneer wij Art. 36, zooals het door de Synode van Dordt werd vastgesteld, nu vergelijken met den ouden tekst, dan blijkt, dat er slechts twee onbeduidende veranderingen werden aangebracht, die voor ons onderzoek geheel buiten beschouwing kunnen blijven. Als wij den tekst lezen, dan zien wij, dat de eerste moot handelt over den oorsprong der Overheid als door God ingesteld, over de taak der Overheid met betrekking tot het maatschappelijk leven, over de middelen, die haar, om die taak te volbrengen, door God zijn toebeschikt met het doel de boozen te straffen en de menschen van goeden wille te handhaven.
Dan gaat de belijdenis over tot de omschrijving van de tweede taak, die aan de Overheid wordt opgelegd, die van de eerste geheel onderscheiden is en ook een geheel ander doel heeft. En niets in den tekst wijst er op, dat de machtsmiddelen. die aan de Overheid ter beschikking staan, gebezigd mogen en moeten worden om ook de volbrenging van die tweede taak mogelijk te maken.
Deze tweede taak heeft beteekenis voor het geestelijk leven des volks. Dat wij hier inderdaad met eene van de eerste geheel onderscheiden functie van doen hebben, blijkt uit de wijze, waarop zij wordt voorgesteld in deze woorden: „Et non seulement leur Office est de prendre garde et veiller sur la Police, ains aussi, etc." En niet alleen is hun ambt acht te geven op en te waken voor de politie, maar ook, enz. De wacht voor de handhaving der orde met de hun daarvoor van Gods wege gegeven machtsmiddelen is het eerste deel hunner ambtelijke taak. En daaraan wordt nu een tweede daarvan onderscheidene, toegevoegd, die wordt ingeleid met ,,ains aussi". Dat woordje „ains" is in het Fransch in den tijd van Calvijn in gebruik geweest en heeft de beteekenis van ons „maar". Dus „maar ook" heeft de Overheid nog eene andere taak, eene taak met betrekking tot het geestelijk leven des volks. Ik kan het omschrijven op deze wijze, als ik zeg: De burgemeester der gemeente is het hoofd der politie, hij handhaaft de orde, de veiligheid van leven en bezit, heeft daartoe de beschikking over de politie en des vereischt roept hij de hulp der gewapende macht in, die met wapengeweld hem terzijde staat. Maar dat niet alleen, de burgemeester heeft ook er voor te zorgen, dat maatschappelijk hulpbetoon goed functioneert, dat er een voldoend aantal scholen zijn, enz. Dit zoo maar gekozen voorbeeld maakt het duidelijk, dat wij in dit tweede geval van doen hebben met eene burgemeesterstaak van andere orde dan de eerste. Doch ieder voelt ook terstond, dat het absoluut niet juist zou zijn te meenen, dat de politie en de gewapende macht nu ook dienen moeten voor de uitoefening van die tweede taak. In geenen deele. Het burgemeesterlijke ambt is veelzijdig, in overeenstemming met de levensverscheidenheid des volks. En op elk levensgebied vervult hij zijn ambt op bijzondere wijze en met bijzondere hem door de wet toegekende middelen.
Zoo doet nu ook de Belijdenis, wanneer zij als eerste taak der Overheid ons voorstelt de handhaving der rechtsorde en de middelen aangeeft, die haar daarbij ten dienste staan. Deze middelen zijn de machtsmiddelen, de gewapende macht in hare onderscheidene vormen. Maar tot die eerste taak blijft hare werkzaamheid niet beperkt. En daarom „ains aussi", maar ook is haar „office", de hand te houden, „de maintenir le Sacré Ministere", aan den heiligen kerkedienst. Zoo wordt het gewoonlijk vertaald. De beteekenis echter is meer in dien zin, dat de Kerk ook is instrument des Heiligen Geestes, die zich van haar „ministerium", namelijk door het van Christus ingestelde ambt, bedient om het genadewerk Gods te volbrengen. De Overheid heeft dus ook eene taak voor het godsdienstig leven des volks, want zij moet de hand houden aan den heiligen kerkedienst. Zij moet het aan de Kerk mogelijk maken haar taak te volbrengen door hare ambten uit te oefenen. En waarom moet zulks zoo geschieden „pour oster et ruiner toute Idolatrie et Faux Service de Dieu", d.w.z. Zij moet de hand houden aan den heiligen kerkedienst „pour oster et ruiner" alle afgoderij en valschen dienst Gods. Er staat duidelijk, dat de Overheid de hand heeft te houden aan den heiligen kerkedienst, met het uitgesproken doel, dat door deze functie der Kerk alle afgoderij zal worden weggenomen en geruineerd. Het heilig ministerium is er „pour oster et ruiner toute Idolatrie". Het woordje „pour" beteekent, drukt uit, zooals in de Grammaire comparée de la langue Française par C. Ayer, Paris 1885, p. 550, wordt opgemerkt. dat het eene er is om het andere te bereiken. Daardoor wordt dus uitgedrukt het doel van het „heilig Ministerium". De Overheid oefent dus door de hand te houden aan den heiligen kerkedienst eene taak, die ten doel heeft weg te nemen en te ruineeren alle afgoderij en valschen godsdienst. Dat doet dus de Overheid niet met het zwaard, niet met geweldmaatregelen, niet met alle wreede middelen der inquisitie, waarvan onze Vaderen heelemaal niets moesten hebben. De Overheid doet dat door de hand te houden aan het heilig Ministerie. Zij doet het dus met het zwaard des Woords, des Evangelies, der genade. Er staat „pour oster et ruiner". De letterlijke beteekenis van dit „oster", dat afkomt van het Latijnsche „obstare", beteekent: voor iets staan om er bezit van te nemen, dus uitnemen, wegnemen, afdoen, wegdoen (Zie daarover Larousse du XXe siècle). Welnu, dat doet de prediking der ware Kerk. Zij neemt de afgoden weg en zij ruïneert die ook, zooals de tijd de werken der menschen. De prediking des Evangelies is eene dooding van het bijgeloof en van alle Faux service de Dieu", d.w.z. van eiken dienst Gods, die is .contraire à la vérité", in strijd met de waarheid (Zie Larousse du X X e siècle). En deze wegneming en vernietiging van alle afgoderij en valsche godsdienst door het heilig Ministerium en niet door het zwaard en door wapengeweld, dient nu ook ..pour destruire" het Rijk van den Antichrist en anderzijds ..pour avancer" het rijk van Christus. In het Advies van 1905, evenals in Dr. Kuyper's studie, wordt er zooveel nadruk op gelegd, dat dit woorden zijn, die op gewelddaden wijzen. Doch dit is slechts een schijn, wanneer wij bij de concrete beteekenis blijven staan, maar dat doet Gods Woord niet en doen ook de Vaderen niet. Calvijn spreekt wel van „abimer" in den afgrond verzwelgen en als er in de Schrift gesproken wordt van het tweesnijdend scherpe zwaard des Woords, dan heeft zulks een anderen zin, doelt dit op het diep doordringende der werking des Woords. Zoo wordt ook het woord „destruire", in het hedendaagsche Fransch „détruire", gebruikt in figuurlijken zin. b.v. „détruire une religion, une secte' '(zie Larousse XXe siècle). Daardoor wordt dus uitgedrukt: het doen verdwijnen, het wegnemen, het ten ondergaan. En dat is nu in het Hollandsch uitgedrukt door: „om het rijk van den Antichrist te gronde te werpen en daartegenover het Koninkrijk van Jezus Christus te bevorderen", „avancer", voortgang te doen hebben. Tot dit alles strekt de taak der Overheid, wanneer haar wordt opgelegd de hand te houden aan den heiligen Kerkedienst. En dien ten gevolge sluit daarbij aan, dat zij moet zorg dragen overal het Woord des Evangelis te doen prediken. T e doen prediken „faire prescher". Niet in dien zin, dat zij dat zelve doet. want dat staat er niet, maar dat zij het aan het heilig ministerium mogelijk maakt. Want „faire" heeft hier een factitieve beteekenis, d.w.z. het drukt uit, dat het onderwerp van het werkwoord de handeling laat doen. (Zie over dat gebruik wederom het werk van Ayer, p. 219). Dus de Overheid doet het niet zelve, maar zal laten prediken overal, opdat iedereen het Woord des Heeren zal aannemen en God alzoo door een ieder zal worden geëerd en gediend, gelijk Hij het in Zijn Woord gebiedt. Er staat: ..requiert par sa Parole", d.w.z. door Zijn Woord vraagt, eischt, vordert.
Zoo blijkt dus, dat eene onbevooroordeelde lezing van den origineelen tekst der Belijdenis ons onbetwistbaar zeker leert, dat zij als taak der Overheid beschouwt: de hand te houden aan den heiligen kerkedienst, opdat daardoor alles zal worden bereikt, wat in het gravamen werd opgesomd. Maar zij leert absoluut niet, dat de Overheid met maatregelen van geweld afgoderij en valschen godsdienst moet uitroeien. Zij staat op het gezonde standpunt, dat niet door kracht, noch door geweld, maar door des Heeren Geest Gods Koninkrijk alleen komen zal.
En zoo heeft dus de Synode der Gereformeerde Kerken van 1905 op grond eener verkeerde lezing in de Belijdenis veroordeeld wat er in het geheel niet staat. Die Synode heeft zich dus vergist en levert, zooals meer gebeurde, het bewijs, dat trouwens niet noodig was. dat Synoden dwalen kunnen.
De Synode van Dordt wilde lezen: ,,le Gens de bien" in plaats van „les Gens de bien" in den ouden tekst. En zoo las zij „establissans" voor ,,mettans" in den tekst van 1566. Voor ons doel maakt dit geen verschil uit.


11 De tekst luidt aldus: Nous croyons que nostre bon Dieu, à cause de la Dépravation du Genre humain, a ordonné des Rois, Princes, et Magistrats, voulant que le Monde soit gouverné par Loix et Polices; afin, que le Débordement des Hommes soit reprimé, et que tout se conduise par bon Ordre entre les Hommes. Pour cette fin il a mis le Glaive és mains, du Magistrat, pour punir les Meschans et maintenir le (les) Gens de bien. Et non seulement leur Office est de prendre garde et veiller sur la Police, ains aussi de maintenir le Sacré Ministcre, pour oster et ruiner toute Idolatrie et Faux Service de Dieu, pour destruire le Royaume de 1' Antéchrist, et avancer le Royaume de Jésus Christ, faire prescher la Parole de 1' Evangile par tout; afin que Dieu soit honoré et servi d'un chacun, comme il le requiert par sa Parole. Davantage un chacun, de quelque qualité, condition, ou estât qu' il soit, doit estre sujet aux Magistrats, et payer les Tributs; les avoir en honneur et reverence, et leur obéir en toutes choses qui ne sont point contrevenantes à la Parole de Dieu; prians pour eux en leurs oraisons, afin que le Seigneur les vueille diriger en toutes leurs Voyes, et que nous menions Vie paisible et tranquille en toute Pieté et Honnesteté. Et sur cecy nous detestons les Anabaptistes et autres Mutins, et en général tous ceux qui veulent rejetter les Superioritez et Magistrats, et renverser la Justice, establissans (mettans) Communautez de biens, et confondans 1' Honnesteté que Dieu a mis entre les Hommes.
Er zijn dus in Dordt slechts twee onbeduidende wijzigingen aangebracht, die wij tusschen haakjes hebben aangegeven, als den tekst van 1566.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 november 1936

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Van art. 36 der Ned. Geloofsbelijdenis, 3e serie IX

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 november 1936

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken