Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Moederbelofte II

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Moederbelofte II

21 minuten leestijd

Genesis 3 : 15. En Ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw, en tusschen uw zaad en tusschen haar zaad, datzelve zal u den kop vermorzelen en gij zult het de verzenen vermorzelen.

In onze vorige overdenking mochten wij het terrein overzien en de algemeene lijnen uitstippelen, waarlangs onze gedachten zich moeten bewegen om den inhoud van onzen text te verstaan. Laten we nu samen gaan overdenken, hoe, volgens dit Schriftwoord, Christus de overwinnaar van satan is.
Wij beluisteren hier de eerste evangelieprediking aan onze voorouders in het paradijs, dat zij weldra zullen verlaten, omdat het verlegd is naar den hemel, waarheen ze op reis zullen gaan. Verdreven, om der zonde wil, uit het aardsche paradijs, geleid door genade naar het hemelsche. De genade is hier zeer wonderbaar. Maar, is zij dat niet steeds? Ja, en toch is de genade, die tusschentreedt in het paradijs zeer aangrijpend. Zij komt ten goede aan de eerste overtreders, terwijl Adam als hondshoofd zijn gansche nakomelingschap heeft gestort in den dood. Allen zijn, zooals onze Catechismus zegt: door Adam verdoemd geworden. Door toedoen van Adam, als ons aller vader en hoofd, in wien wij begrepen waren, is het gansche menschelijke geslacht gekomen onder vloek en doem. En nu wordt deze bondsbreker gered van den ondergang en het verderf, met zijne vrouw, die het eerst in overtreding was geweest. Hij wordt echter niet gered als hoofd des verbonds, maar als persoon, gerekend in den tw n Adam, die hier verschijnt als slangendooder en oprichte. in het menschelijk geslacht.
Ook hierom is deze evangelieprediking merkwaardig, daar de Heere zelf de boodschap brengt. Hij verwaardigt zich af te dalen tot een schepsel, dat Zijn wetten schond, Zijn eer vertrad en Hem stak naar de kroon. Hij hegeopenbaard, doch in ieder geval kwam tot onze voorouders de sprake Gods en zij waren zich ervan bewust, dat inderdaad God tot hen sprak. Hier is de groote „Ik zal".eft zelf den weg gebaand tot den mensch, die van Hem was afgevallen. De wijze, waarop de Heere zich verstaanbaar maakte, is ons niet
De eerste maal lezen wij hier dat wondere woord: Ik zal! Hij is de Almachtige! W i e zal tot Hem zeggen: wat doet Gij; wie zal zijn hand afkeeren? Als Hij zegt: Ik zal water gieten op den dorstige en stroomen op het droge, dan kan niemand verhinderen, dat de wildernis bloeit als een roos en de woestijn een lusthof wordt.
Wanneer Hij spreekt: Ikzal makeu, dat hun werk in der waarheid zal zijn, dan kan niemand door de leugen worden vastgehouden. Ik zal... Ik zal... vijandschap zetten! Zie, dan zullen degenen, die voorwerp zijn van dit goddelijk voornemen, behouden worden. Zij zullen niet verloren' gaan in der eeuwigheid en niemand zal dezelve 'uit mijne handen rukken. Ja, dan zal het geloof eenmaal jubelen: Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van den dood, volkomen uitkomst geven. Ja Heere: Uw Ik zal wordt de wortel van mijn: Gij zult en... ik zal met vreugd in het Huis des Heeren gaan. Gij zijt de bron mijns levens, mijner verwachting, mijner blijdschap. W i j maken staat op Uw genade en wat uit Uw lippen is gegaan, blijft vast en onverbroken. De gedachten Uws harten spreekt Gij uit als alvermogend God. Ziehier gedachten des vredes en niet des kwaads. Ik zal vijandschap zetten... Daar is de mensch, die leeft in bond met den vorst der duisternis, die God in zijn heiligheid en recht bespot, ondanks al zijn godsdienst. Spreek hem van vrije genade en hij lacht. Zeg hem, dat hij moet worden bekeerd. Gewaag van zijn valschen godsdienst en hij zegt: ge zult me niet overhalen, ik ben immuun, onaantastbaar voor dien zwaren godsdienst. Maar nu heeft God een voornemen des ontfermens en wil dien zondaar treffen en zijn: Ik zal... uit werken in het hart. Hoor, o mensch, wij zouden niemands zaligheid kunnen verwachten, indien die God niet door zijn: Ik zal... Ik zal vijandschap zetten, den zondaar trof met de macht Zijner genade en stil hield, wederbaarde, innerlijk verscheurde en bewerkte dat een liefhebber van zichzelven en hater Gods een walg kreeg van zichzelf en liefde tot den levenden God. O, denk u in, Adam en Eva in het paradijs levend met God, gelegd aan Zijn vaderhart, nu pas losgescheurd, van Hem vervreemd, geestelijk dood onder vloek en oordeel! En daar begint God te spreken uit Zijn eeuwig voornemen der ontferming, dat Hij van voor de grondlegging der wereld had bij zichzelven in Christus, wat Hij gaat doen. Hij breekt hun vijandschap en wederbaart hen ten leven, zoodat hun oog opengaat voor de eeuwige werkelijkheid van het goddelijke recht en zoo laat de Heere hen inblikken in het oornemen Zijner reddende daden. Straks wordt de hope geboren op het ieven temidden van de dreiging des doods.
De Heere zelf is de prediker. En de hoorders? Het slangenbeest — satan en E v a benevens Adam. Onmiddellijk na den val openbaart de Heere zich. Van het begin der wereld heeft God Zijne Kerk vergaderd. Zoo roemt de barmhartigheid tegen het oordeel. Nog vóórdat het vonnis weerklonk: stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeeren, wordt het levenswoord vernomen, dat de dood niet het laatste woord zal spreken. Hier valt een bijzonder licht over de wereldsituatie na den val, onder de heerschappij des duivels. Satan heeft zijn eerste onderdanen niet lang bezeten, want God zet vijandschap tusschen den satan en de vrouw. De duivel had Gods werken verstoord; de zonde ingedragen in de menschenwereld. Hij had den mensch eigen stempel ingedrukt en nieuwe krachten gewonnen om den opstand tegen God voort te zetten, den opstand te bevorderen en de overtreding te vermenigvuldigen. De oude slang was verheugd. Want hij wist reeds toen als hoog verlicht schepsel zeer veel, maar den raad Gods tot verlossing kende hij niet. Hij heeft zich vergist, de revolutiemaker. Hij heeft zich altijd weer vergist. Zijn plan zal mislukken en hij zal met eeuwige banden gebonden worden en geworpen in den poel, die brandt van vuur en sulpher, dit is de tweede dood.
God verklaart hem den oorlog en komt met zijn: Ik zal vijandschap zetten. Hier is de machtige bazuinstoot des levens.
Het is u opgevallen, dat E v a hier naar voren treedt en de Heere haar aanwijst in de moederbelofte met het oog op haar zaad. Adam treedt hier terug. Ook moet ge opmerken, dat hier geen verbond is naar Remonstrantsche idee, als zou de Heere eenige genadegaven hebben geschonken en eenige plichten hebben voorgeschreven, die door den mensch moeten worden volbracht. Het verbond'der werken is verbroken, zij worden getroffen door de wrake des verbonds en ook in het paradijs geldt: Uit de werken der wet wordt geen vleesch gerechtvaardigd voor God. Hier is de verklaring van de vrije gifte der zaligheid, door Jezus Christus onzen Heere. De Vader heeft beloofd in het verbond der genade, dat hier zijn eerste openbaringsvorm heeft ook al wordt het woord niet gebruikt, om, als de Zoon zich tot een schuldoffer zal stellen, Hij zaad zal zien. En de Geest vervult ook hier zijn verbondsverplichtingen om dit zaad te verwekken. Hier is eene klare bekendmaking van de verborgenheden des heils uit den raad der verlossing.
Met den eersten Adam had God tevoren gehandeld. Hij werd ontrouw bevonden, thans om het tweede verbond vast te maken spreekt God in gemeenschap met den tweeden Adam. Deze was Zijn vrêegenoot met den Heiligen Geest in het verbond der verlossing. Hier is Hij de Middelaar van het genadeverbond.
Hij zal u den kop vermorzelen! Ik zal vijandschap zetten... Zoo spreekt dus de Heere over hetgeen Christus zal doen en wat Hij zelf doet. Niemand komt tot den Zoon, tenzij de Vader hem trekke. Hij zal den kop der slang vermorzelen, de Zoon, die onze natuur zou aannemen en toch de Zoon bleef. Hij verwint Satan. Reeds in de moederbelofte zien we dus, wat ook bij den raad des vredes opvalt, dat de Schrift in het bijzonder onze aandacht bepaalt bij Vader en Zoon, terwijl de Heilige Geest in het verborgene werkt ten leven. Dit is derhalve naar den aard van het verbond der genade in samenhang met de goddelijke huishouding. Wie derhalve de Schrift verklaart, zal van zelf aandacht schenken aan hetgeen in het bijzonder van Vader en Zoon hier wordt gezegd, doch daarbij bedenken. dat in die vijandschap-zettende daad de Heilige Geest evenzeer is betrokken.
Adam stond na den val niet langer als onze vertegenwoordiger. Hij en Eva waren slechts bijzondere personen als het gaat om de zaliging hunner zielen. Zij hebben de bekendmaking der genade omhelsd door het geloof, gewerkt door den Heiligen Geest. Wij zeggen dus niet, dat wij niet moeten gelooven en gehoorzaam zijn om behouden te worden, maar wij ontkennen dat geloof en gehoorzaamheid voorwaarden waren voor onze eerste voorouders, zooals er voorwaarden waren te vervullen in het werkverbond zoude hij het eeuwige leven ontvangen. Immers Eva en Adam staan voor den rechterstoel Gods zonder de minste kracht om eenige voorwaarde te vervullen, welke dan ook. God belooft hier met zijn: Ik zal den uitverkorenen leven en geloof te zullen schenken, als een belooning van Christus' verdiensten. Dit alles is hun verzekerd in deze belofte.
Hij die beloofd heeft is getrouw, die het ook doen zal. Ganade heerscht tot het eeuwige leven. Ook de gehoorzaamheid is hierin gewaarborgd. Want het zaad der vrouw is hun geworden tot rechtvaardigmaking en heiligmaking en eene volkomene verlossing. God zelf zal uit die vrouw Eenen doen opkomen, die der slang den kop zal vermorzelen, Hij zal Zijn eenigen Zoon afstaan, en die Zoon zal troon en heerlijkheid verlaten, die Hij bij den Vader had eer de wereld was. Eva nu verschijnt hier in het verbond als draagster van de belofte des levens.
Door dit woord nu worden Eva en Adam gewaar, dat de verleider zal worden gestraft. Over hun doodsstaat gloorde het morgenlicht des levens. Ze waren schuldenaren voor God en geboeide slaven des satans. O, gevallen geslacht: Ik tref genadige beschikkingen voor u en uw zaad, maar allereerst voor eigen eer en naam.
Dit alles was zeer vernederend voor den gevallen mensch, maar tegelijk vertroostend. Goddelijke, souvereine genade in den tweeden Adam brengen vaster grondslag des levens dan in den weg van werken kon worden verkregen. Bij deze openbaring leefde, onder de bediening des Geestes, van nu voortaan de Kerk, die geboren is in het paradijs. Bij het licht dezer belofte en profetie bracht Abel zijn offer, legde Jacob zijne voeten tezamen op het bed en zeide: Op Uwe zaligheid wacht ik, o Heere.
Hoezeer het zaad der vrouw werd gehaat door het zaad der slang, bleek weldra in den eersten broedermoord .
Zoo is de kamp ontketend. Maar genade overwint. Zoo is hier de profetie der vleeschwording. Geboren uit eene vrouw. Hier wordt getuigd van tweeërlei zaad. De Kerk Gods en de synagoge van satan. Abel-Kain. Ezau-Jacob. Izaak-Ismaël. De verbrijzelde kop der slang gewaagt van kruis en opstanding.
In deze belofte is ook het natuurlijk leven van Adam en Eva gewaarborgd. Immers zij aanvaarden en ontvangen nu hun leven als geschenk des verbonds. Zoo verschijnt hun leven, hun gansche zijn, in het licht der genade, dat is ontstoken in de moederbelofte in de genadige nederbuiging Gods tot den mensch. Wij hebben niet verdiend te leven, maar te sterven; niet behouden te worden, maar verloren te gaan, verloren voor eeuwig. Lezer, werd dat reeds de beleving van uw hart? Als wij gesteld worden in het licht van de vlammende heiligheid Gods moeten wij vergaan. Zoo alleen zullen wij leeren vragen naar den weg des levens en des vredes.
We gaan opnieuw den text bezien en toepassen. Vijandschap wordt ontketend. Dit was noodzakelijk, want de mensch leefde op goeden voet met den duivel, ook al was hij zijn moordenaar. Het gold niet alleen voor Adam en Eva, dat zij van dood levend moesten worden gemaakt en van verloren gevonden, maar evenzeer van ons, in het verbond der genade geboren, maar toch van nature vijanden van God, blind voor onzen doodstaat en de noodzakelijkheid der hartverandering. De kinderen des verbonds staan vijandig tegenover God en het Woord Zijner genade. Daaraan moeten wij ontdekt, niet na zoogenaamd geloovig Christus te hebben aangenomen en ons te hebben toegeëigend wat wij in Christus hebben. Dat zijn altemaal vonden van den aartsleugenaar, die menschenzielen zoekt te verderven. Neen, God zet vijandschap in onze ziel en daardoor leeren wij juist de vijandschap onzer natuur kennen, want als het gebod gekomen is, is de zonde levend geworden, doch ik ben gestorven.
Wel had Eva tegenover God de slang beschuldigd, maar thans komt het tot een breuk. In de zonde ligt de zelfzucht. Daarom, ondanks het bondgenootschap met den duivel, spreekt Eva toch kwaad van hem. De wereld is het wel eens met elkander tegen Christus, maar volstrekt niet met elkander. De zonde draagt de kiem der ontbinding, der tegenstelling in zich. Zij is zwanger van oordeel en baart den dood. Zoo richt de Heere Zijn koninkrijk op door scheiding, door splijting. Gij zijt niet van de wereld, gelijkerwijs Ik van de wereld niet ben. Met de moederbelofte gaat Christus in in de menschheid en in den enkelen mensch tot zaligheid. In het verkoren vrouwenzaad zal God een leven baren, dat worstelt met den duivel en zijn zaad, de kinderen der wereld.
De Goddelijke Geest toont ons hiervan de waarheid in de historie. In de giftige, opschietende slang zag zij den aanval op haar leven en zij kon alleen wederstaan door te vluchten tot de belofte Gods. Dat leven zoekt den Christus; dat leven huivert voor de zonde en hare macht, voor den duivel en zijn verleiding. Ook van af het paradijs was het Woord Gods waar: De kinderen des vleesches zijn geen kinderen Gods. maar de kinderen der belofte worden voor het zaad gerekend.
En dan wordt het zaad gerekend in Eén, namelijk in Christus. Deze zoekt zijn grooten tegenstander op in zijn slangenhol. Hij zal, terstond na Zijn doop worden geleid in de woestijn om verzocht te worden van den duivel. Hij trad hem tegen in de bezetenen en in den stormwind. Hij kwam om de werken des duivels te verbreken en te verlossen degenen die onder zijne tyrannie verkeeren. Daarmee ving Hij aan aanstonds na den val. Maar in de volheid des tijds verscheen Hij in ons vleesch, de gestalte eens dienstknechts aangenomen hebbende. Hij sterft den vervloekten en smadelijken dood des kruises. Het eerste punt van het program der genade is verstoring van de werken des duivels, opdat Hij den geweldhebber des doods zal verslaan.
Van dit zaad nu verklaart de Schrift: Gij hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid, daarom heeft U, o God, Uw God gezalfd met vreugdeolie boven uwe medegenooten. Daarom zal Hij hen overgeven tot den tijd toe, dat zij, die baren zal, gebaard heeft, dan zullen de overigen zijner broederen zich bekeeren, met de kinderen Israëls. Én deze zal vrede zijn. Hoe verwoed was de kamp tusschen het tweeërlei zaad alle eeuwen door. Hij kampt in het vrouwenzaad met de machten der hrel en voert den strijd van meet af tegen de zonde en zijn gansche rijk. Zoo is de strijd ook heden tusschen wereld en Kerk, de levende Kerk Gods, die leeft uit het verbond, levend gemaakt en geloovig Christus omhelzend. Die strijd wordt gestreden in iedere prediking, die waarlijk een getuigenis van Christus is. Iedere preek schudt dan de poorten der hel. Geen wonder, dat de aartsvijand zeer gram is op de dienstknechten van Christus in het bijzonder. Hij kan niet verdragen, dat goed wordt gesproken van den Heere en Zijnen Gezalfde. Zijn aanvallen zijn het felst, zijne pijlen het giftigst, als wij heilig vervoerd door de schoonheid van Christus, den Heere verheffen boven het hoogste onzer blijdschap. Maar geen nood, Christus heeft getriumfeerd en de groote draak werd buiten geworpen de oude slang en satanas, die de geheele wereld verleidt. En ik hoorde eene luide stem in den hemel: Nu is de zaligheid en de kracht en het Koninkrijk onzes Gods en van Zijnen Christus, want de verklager onzer broederen is nedergeworpen.
Wel is de hiel van het vrouwenzaad verbrijzeld. Christus leed in zijne menschelijke natuur. Maar Hij trad satan op den kop. Toen zijne ziel geheel bedroefd was vanwege zijns Vaders toorn, onder de ervaring van den last der zonde, die op Hem was geladen, kwam satan op Hem los met helsche woede en profeteerde: nu zult gij Hem niet weer op zien staan. Zwaar heeft Hij geleden onder deze helsche verzoekingen en vervloekingen. Maar Hij behield de overhand en vermorzelde den kop der slang. De slang doet een aanval op den hiel zijns tegenstanders en meteen zet deze zijn voet op zijn kop. Hoewel de duivel niet dood is en ook nooit zal sterven, is hij toch zijn verdervende macht en het recht, dat hij in het oordeel ontving over den mensch, kwijt over de Kerk. Jezus heeft den sterke zijn vang ontnomen. Denkt gij soms: zeg het maar niet te hard, want als hij het hoort, zijt ge nog niet met hem klaar. Dat weten wij zeer wèl, maar toch zullen wij hem uitdagen door genade en Christus als zijn overwinnaar prijzen. Zeker, hij kan zijn klauw in ons vleesch zetten, de schapen de wol uitrukken, zijn giftand in ons slaan, maar daar is balsem in Gilead voor deze wonden en Christus wordt in den weg van dezen kamp steeds dierbaarder en betoont Zijn kracht als Overwinnaar. O, als wij niet rusten in Christus kan hij zoo vervaard te keer gaan van binnen. Bij die zielen die bij tijden Immanuël mogen kiezen voor hun hart, zijn liefde roemen en Zijn genade begeeren. Dan komt Hij om hen te kraken als de pyton, hen te omstrengelen als de boaconstrictor Maar Immanuël zal de zielen der nooddruftigen verschoonen, verbrijzelen wie verdrukt.
De overwinning gewis. En als hij ons niet meer kan plagen over onzen genadestaat, zoo ontbreekt het hem toch niet aan middelen om te sarren en te tergen. Ja, wij kennen den strijd man tegen man, zoodat we zelfs niet met het zwaard kunnen slaan, maar Jezus ons rechtstreeks ontzet door de kracht van Zijn bloed in onze ziel. Wij hebben, toen wij ingingen in het verbond, nu bevredigd met God, toen hij werd gescholden door Jezus en weggejaagd een voornemen des harten opgevat en uitgesproken, met ons oor aan de deurpost van onzen Koning om Hem eeuwig toe te behooren, den duivel en zijn gansche rijk afbreuk te zullen doen zooveel wij kunnen. Dat kost ons de vijandschap der wereld en des duivels; de tegenstand ook der vriendelijke zielen, maar niet gerecruteerd in Jezus leger. Zij hebben den krijgseed nooit afgelegd, waren niet ontwapend, volkomen ontwapend in zichzelven. In het krijgsgewaad der vrije genade, dan leven wij niet onszelven, maar dien die der slang den kop vermorzelde.
Gods Kerk is ontslagen van zijn ijzer en juk. Hoort het, gij die met „Christen" zit in de ijzeren kooi wanhoop, op den betooverden grond: Hij maakt gansch Israël eens vrij van ongerechtigheden. Want met de vrijmaking van ongerechtigheid gaat gepaard ontslag uit de dienstbaarheid des satans. Dan weten wij volkomen wiens wij zijn, voor tijd en eeuwigheid. De dood houdt geen enkelen vezel van het zaad der vrouw. Dood, waar is uw prikkel, hel waar is uw zegepraal?
Het vrouwenzaad was van nature ook erfgenaam des toorns, vijanden gelijk de anderen. Onze eerst geboorte bracht ons geen geestelijk leven. Maar: Ik zal vijandschap zetten.
O, die groote Ik zal... Wat uit vleesch geboren is, dat is vleesch. De zaligmakende religie komt niet op uit onze verdorven natuur, gelijk zij er ook niet bij aansluit. Van nature zijn wij zijn gewillige slaven. Wij nemen hem niet waar. Wanneer de wereld zegt in geen duivel te gelooven, dan lacht hij en heeft vermaak. Wanneer gij zegt: o, die duivel hitst mij op tot zonde en uw verdorven natuur niet kent, meesmuilt hij. Wij hebben van noode levend te worden ontdekt aan de macht der zonde, aan onze schuld voor God, zullen wij waarlijk de macht en de heerschappij der slang kennen. Zoo alleen wordt de weg gebaand tot verbrijzeling van zijn kop in ons. In den doodsteek van ons ik wordt hij getroffen en moet hij loslaten. De Heilige Geest leert ons verstaan, dat Jezus glorie won. De duivel heeft het geweld des doods. Eigen hart wordt ons een plaag. Ja, de slang zoekt te verwurgen dien hij gansch niet meer kan vermaken. Zoo wordt de tegenstelling geboren met het zaad der slang. Gelijk Ismaël Izaak vervolgde, alzoo ook nu, die naar het vleesch geboren zijn vervolgen die naar den Geest geboren zijn.
Kom, zoo wordt de weg gebaand naar den voet van het kruis, opdat Hij door de kracht van Zijn bloed onze ziel geneze en doe verstaan, dat de kop aer slang in ons is gebroken door de breuk van eigen ik. Ik ben met Christus gekruist en ik leef, doch niet meer ik, Christus leeft in mij. Hij heeft zijn overheerschende macht verloren, ook hierom, dewijl de misdaad der zonde is verzoend en gerechtigheid is geschonken.
De groote macht des duivels op den zondaar ligt juist in de onverzoende schuld. Hij doet een beroep op de gerechtigheid Gods en stelt het oordeel voor. Dat doet, zoo merkt ge op, ook de Heilige Geest. Zeer zeker, maar die leert ons der gerechtigheid Gods onderworpen te worden en leidt ons tot Christus en Zijn verdiensten. Dat deed satan nooit. Hij wil tot wanhoop voeren.
Hij zegt: ik ben de geweldhebber des doods, gij zijt zondaar en ik heb recht op u. O, hoe kan de angst de ziel overvallen in die tijden en dan geen gezicht op Christus... Want dan breekt niet alleen de verdoemende kracht der wet, doch moet ook satan deinzen. Waar is nu de grimmigheid des benauwers? Als zij Christus maar zien.
Verlost door de toepassende daden des Geestes, overgegaan in Christus moet hij voor eeuwig het veld ruimen. Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? Hier is nu de vermorzeling van den slangenkop voor ons. Verpletterend was zijn nederlaag. Satan echter kent onze zwakke plekken in den strijd, maar tot zijne eeuwige schande moet hij telkens ervaren, dat zijn nederlaag gewis is.
Hij is de groote herdershond van Christus, die de schapen dikwijls moet drijven naar den Herder.
Hij is de overste van de macht der lucht, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid. Maar Jezus houdt het zaad der vrouw in stand. Evenwel, het vaste fundament Gods staat, hebbende dezen zegel: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn Neen, niemand zal ze uit Zijne handen rukken. Ik geef mijne schapen het eeuwige leven. De poorten der hel zullen mijne gemeente niet overweldigen.
Zij zullen eenmaal zijn voor den troon zonder vlek en rimpel en satan zal hen zien verrijzen als van een bed van specerijen.
Zoo kon dan de moederbelofte onze eerste voorouders uitnemend vertroosten. Maar we mogen ook opmerken, dat ze nu den Heere niet meer tegenspreken, als Hij gewaagt van smart, van wederkeeren tot stof, van zwaren arbeid in zweet des aanschijns. Zij gelooven in het heil, hun geopenbaard door den Heere zelve en toegepast door den Geest, want dat gold ook voor hen: niemand kan iets aannemen tenzij het hem van boven gegeven worde.
In Eva's zaad ligt van nu voortaan ook Adams leven en hoop. Straks maakt de Heere God hun rokken van vellen. Nu kan hij niet meer zeggen: ik ben naakt, want de Heere Zelf heeft hen bekleed. Doch hunne eigengemaakte schorten zijn opgeruimd. Zoo doet de Heere nog. Hij ontkleedt en maakt te schande, om te bekleeden en te brengen tot eere.
Zijt gij nu een deelgenoot met den gegeven Zoon en het geboren kind? De adventsweken zijn weer daar, we gaan weer naar Kerstfeest. De dagen donkeren, de nachten lengen, is de zonne der gerechtigheid u opgegaan? Donker en bang zijn de tijden. Het lijkt wel of het zaad der slang het vrouwenzaad niet slechts zal overvleugelen, maar vernietigen. De macht der hel buldert als een orkaan. Evenwel, de Heere zal overwinnen: Ik zal vijandschap zetten, die belofte blijft tot het einde der dagen. Hoe hoog de nood moog' gaan, God zal zijns vijands kop verslaan.
Hij zal zijn glinsterend wraakzwaard wetten. Hij kromt en spant alree zijn boog en dreigt met pijlen van omhoog. Maar:
Zijn zaad zal eeuwig zijn, zijn troon zal heerlijk pralen.
Zoo duurzaam als de zon, zoo glansrijk als de maan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 december 1936

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

De Moederbelofte II

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 december 1936

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken