Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van art. 36 der Ned. Geloofsbelijdenis

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van art. 36 der Ned. Geloofsbelijdenis

(3e serie.)

10 minuten leestijd

Er zijn nog eenige gronden, waarop de Adviseurs een beroep doen, en die nadere bespreking verdienen. In de eerste plaats geldt dit de zoogenaamde ..Vermaninghe tot de Overheyt", waarin de vraag ter sprake komt, of zij de ketterij heeft te straffen. ,,Hoewel nu", zoo zeggen de Adviseurs, „ketterij niet hetzelfde is als afgoderij of valsche godsdienst, zoo zal toch niemand ontkennen, dat, waar de Overheid geroepen wordt geacht om de ketterij, d.w.z. de persoonlijke dwaling des noods met het zwaard te straffen, ditzelfde a fortiori geldt van de zooveel erger zonde van afgoderij en valschen godsdienst. Onze Kerken nu toonen in dit schrijven uitnemend goed het gevoelen te kennen van hen, die achten, dat de Overheid liever met het geestelijke dan met het materieele zwaard de ketterij moet tegen gaan." Ongetwijfeld hebben de Kerken dit gevoelen gekend. Zoo zelfs gekend, dat zij het in hunne belijdenis hebben opgenomen. Maar het ligt voor de hand. dat daarmede de vraag naar hetgeen taak der Overheid is, nog niet geheel was afgehandeld en dat over de grenzen dier taak en de wijze, waarop zij moest worden uitgevoerd, verschil bestond. En wat blijkt nu uit die ..Vermaninghe"? Dat het grootste gedeelte „der oude Leeraers" van oordeel is geweest, dat „der Ouerheyt niet gheoorlooft en is de conscienciën aen te roeren, om die te verweldighen ende te bedwinghen te ghelooven". Zij toch hadden deze opvatting der Overheidstaak, dat zij de misdaad en de revolutie had te onderdrukken met het zwaard. „Maer aengaende der religie en het ghene, dat totter zielen behoort, het eenich. geestelick sweerdt des Woordts Gods moet ende mach hierin neerstelick remedieren." Dat was dus eene taak wel te onderscheiden van „de oproericheydt ende verstooringhe der regeeringhe". Inderdaad zijn deze twee regeeringsfuncties wel te onderscheiden, zooals zij ook in het artikel 36 der Confessie onderscheiden zijn. En nu voegen de Adviseurs er aan toe: „In plaats echter van met dit gevoelen hunne instemming te betuigen, verwerpen en weerspreken zij het", want in de „Vermaninghe" volgt daarop. „Maer wij zijn in dese sake te vreden, niet te volghen noch te geloouen dese goede Leeraers. Wij belijden, dat de Ouerheyt moet de kennisse hebben der ketterien, welcke wij toestaen te zijn verstooringhen onder het ghemeyn volck, soverre. dat onder dit decksel de onnoozelheyt niet verdruckt en worde door het eenich aenbrenghen van zijnen vyanden, sonder ghehoort ende verstaen te worden: maer dat de Ouerheydt dencke op het ghene, dat de wijse man seyt: Wie den Godloosen recht seyt te wesen, ende den gherechten verdoemt, die zijn beyde den Heere een grouwel. Waerby het van noode is, dat de Richter van hemseluen bekenne ende versekert zy, van de ongherechticheyet ende ketterije, door den Woorde Gods ouerwonnen eer hy syne handt wt steke, om den beschuldichden te ouervallen". Daaruit trekken nu de Adviseurs de conclusie, dat „al eischen onze Kerken dus, dat niet op lichtvaardige gronden en niet onverhoord de aangeklaagde zal worden veroordeeld, het recht der Overheid om de ketterij te straffen wordt met nadruk gehandhaafd." En daaraan wordt nu nog toegevoegd een citaat uit een verzoekschrift. dat de Nederlandsche vluchtelingenkerk in 1575 te Londen aan de Overheid richtte, toen een doodvonnis was uitgesproken over Nederlandsche wederdoopers, om een mildere straf te verkrijgen, waarin wordt gezegd', dat zij, dus de Nederlandsche Gereformeerde vluchtelingen, de dwaling verwerpen van hen, die menen, dattet eener christlicher Ouerheyt niet geoorlooft zy te straffen de hartneckige voorstanders der ketterien, die teghen God en synen waren godsdienst lasteren, ende die het simpele volck met verkeerde ende oproerighe leerynghen verleiden, die by gheen andere middelen ten rechten weghe connen ghebracht worden." En eindelijk voegen de Adviseurs er nog aan toe een citaat uit de remonstrantie door de Kerken van Zuid-Holland in 1575 ingediend bij de Staten, waarin uitvoerig gehandeld wordt over het onderscheid der burgerlijke en kerkelijke regeering en waarin geschreven staat: Der magistraet officie is den wterlicken affgodendienst doer mandamenten te verbieden en de godlasteraers te straffen."
En daaraan voegen zij nu nog toe eene herinnering aan placcaten tegen allerlei sekten, die in den loop des tijds alzoo van zich deden spreken. Het zou mij gemakkelijk vallen bij deze door de Adviseurs aangehaalde citaten er tal van andere te voegen, waarin hetzelfde gezegd wordt. Maar ik zou met den besten wil der wereld niet kunnen inzien, welke kracht daaraan nu kan worden toegekend en welke gevolgtrekking daaruit nu zou moeten gemaakt worden, die kan bewijzen, dat hetgeen in de woorden van het gravamen vervat is, uit de belijdenis zou moeten worden geschrapt als zijnde in strijd met den Woorde Gods. Dat de Gereformeerden allen zonder onderscheid van Calvijn af tot in de 18e eeuw toe de roeping der Overheid, zooals die in Art. 36 beschreven staat, hebben erkend, dat behoeft geen bewijs. Dat zij aan de Overheid de taak oplegden de ware gereformeerde Kerk te beschermen, is voor geen twijfel vatbaar. Maar daaruit volgt niet. dat zij geleerd zouden hebben, dat met dwangmaatregelen tegen alle ketterij, afgodendienst en valschen godsdienst moest worden opgetreden. Er is maar ééne zaak, die zij in hunne staatsleer hebben vastgelegd en die in het citaat ontleend aan de remonstrantie der Kerken van Zuid-Holland nadrukkelijk op den voorgrond wordt gesteld, namelijk dat het plicht is van de Overheid „den wterlicken affgodendienst" te verbieden en de godslasteraars te straffen. Daarop komt precies neer het geheele vraagstuk. Het gaat niet om de afgoderij als zoodanig, niet om ketterij als zoodanig, maar om hetgeen in het openbaar geschiedt. En daarin verschillen de hedendaagsche verordeningen van den modernen rechtstaat in niets van hetgeen de Vaderen beleden de roeping der Overheid te zijn.
Ik heb er reeds op gewezen, hoe in onze Grondwet dezelfde eischen staan. De vrijheid van den godsdienst is geene losbandigheid. Men mag belijden wat men wil, eene levensen wereldbeschouwing er op na houden, zooals men wil, maar dat beteekent niet, dat men ook alles in het openbaar mag doen, zooals men wil. Dat mocht in de dagen onzer Vaderen onder de republiek niet en dat mag nog niet. Waarom mag dit niet? Omdat door openbare godsdienstoefeningen buiten de gesloten gebouwen, er groote kans zou zijn op geweldige beroeringen of ook omdat er geene revolutie kon worden gepredikt, die tot oproeren en verzet tegen de regeerende Overheid aanleiding geven zou. Daarom verbiedt de regeering in een land als het onze met zoo gemengde bevolking precies hetzelfde, dat door onze Vaderen van de Overheid ook gevorderd werd, toen zij eischten een verbod van openbare afgodendienst, ketterij en godslastering.
Is dit nu met Gods Woord in strijd? Moet en mag men dat niet van de Overheid vorderen? Dit is niet met Gods Woord in strijd, want de roeping der Overheid is de orde te handhaven. Zij is om der zonde wil. En de zondeval brengt ook mede een egoïsme, dat zich ook religieus kan uiten op een wijze, die voor het gemeenschapsleven eene bedreiging vormt.
Het beginsel, dat in de belijdenis, ook in de woorden van het gravamen wordt uitgesproken, is onaantastbaar. Het is te vinden in onze Grondwet — ik heb daarop reeds gewezen — en het is te vinden in onze belijdenis, want het is een algemeen beginsel, zonder hetwelk er van geen staatswezen sprake zijn kan. De Overheid waakt voor de orde en tot de algemeene maatregelen, die zij daartoe te nemen heeft, behoort ook, dat zij er voor zorg draagt, dat in het openbaar geene dingen gebeuren, die ergernis wekken en dus ee"n gevaar worden voor de handhaving der orde. En daarvoor heeft zij in een land met zoo gemengde bevolking als de onze de onderscheidene godsdiensten uit het openbare leven teruggedrongen naar de besloten gebouwen. Zoo deden de Vaderen en zoo hebben zij het beleden, belijden de Gereformeerden. die niet door coalitie-bacillen besmet, de vaste lijnen der Confessie voor oogen houden, het nog.
Is er dan als het beginsel, dat in onze Grondwet tot uitdrukking komt, geen verschil tusschen ons en onze Vaderen? Zeker wel. Maar dit verschil ligt niet daarin, dat het door de Vaderen beleden beginsel niet naar den Woorde Gods zou zijn en dat hetgeen in onze Grondwet staat, ook niet juist zou zijn. Het Verschil, dat er is, volgt niet daaruit, dat onze Vaderen Gods Woord niet zouden hebben begrepen, dat zij aan de Overheid eene verkeerde taak hebben opgedragen en dat in onze dagen men dat zooveel beter weet. Niets daarvan is juist. Het verschil tusschen het verleden en het heden is gegeven in de geheel andere structuur van het sociale leven eenerzijds, van de geheel andere geestelijke mentaliteit anderzijds.
Ons sociale leven bestaat anders, berust niet meer op eenvoudige massale overtuigingen. Voorheen waren de volken veel meer eene geestelijke eenheid dan zulks heden ten dage het geval is. Het cement, dat het gebouw van ons hedendaagsche maatschappelijke leven tot een organische eenheid maakt, is niet meer religieus van karakter. Dat was nog ten deele zoo in de Middeleeuwen. Ik zeg ten deele, want ook toen gloeide er in den levenshaard der volken een vuur der geestelijke verscheidenheid. Doch dat kon nog besloten blijven, om zoo te zeggen, in den doofpot der middeleeuwsche Kerk, onder de hul harer hierachische schoonheid. Doch als de nieuwe geschiedenis aanvangt, slaat de vlam uit de doofpot, gaat de eenheid der Westersche Kerk in den rook der verdeeldheid op. En dan zien we nog even in de nationale kerken de macht verschijnen om althans de volken in den band der eenheid te houden. Daaruit komt het vraagstuk op den voorgrond naar de taak van den Staat tegenover de in het volk woekerende verscheidenheden in wereld- en levensbeschouwingen. En dan belijden de Gereformeerden de vrijheid der conscientie, ook de vrijheid van godsdienst, maar niet in het openbaar. Doch diezelfde Gereformeerden, die de conscientie niet willen aanranden en die daarom dus ook, zij het dan gebannen uit het openbare leven, aan anderen niet willen noch kunnen onthouden, hetgeen zij voor zichzelven na bangen strijd hadden verworven, spreken dan in hunne belijdenis uit, dat de Staat in en over een Christen-volk aan de beide tafelen van Gods Wet gehoorzaamheid schuldig is, dat hij daarom aan Gods ware Kerk de gelegenheid moet waarborgen, dat zij overal met het zwaard van Gods Woord zal kunnen optreden, opdat het volk geleid zal worden op de paden der gerechtigheid. En zij spreekt het ook uit, dat daardoor afgoderij, valsche godsdienst, godslastering zal worden overwonnen. Daarom uit het openbare leven moet de Staat weren alle deze dingen, die in het gravamen worden opgesomd, doch altijd zóó, dat de vrijheid der conscientie onaangetast zal blijven. Die Staat zelve was zoo één met het volksleven, waarmede hij immers zelve geboren was, dat hij de belijdenis der Kerk als de zijne aanvaardde, dus uit het openbare leven weerde wat met die belijdenis streed. Hij handhaafde dus de vrijheid der conscientie, ook de vrijheid der religie, alleen maar deze vrijheid bleef als alle ware vrijheid beperkt achter de schouwvensters, die op het openbare leven uitzicht boden. Deze politieke idee, zooals zij in onze Belijdenis wordt uitgesproken, is in ons land tot op den huidigen dag nog in beginsel in onze wetgeving uitgangspunt. Er zijn er echter bij de wijzigingen, die er in het leven ook van ons volk zijn opgekomen, die daarmede niet meer tevreden zijn. Die ontevredenheid leidde de ,Gereformeerde Kerken" onder den druk der coalitie tot eene noodelooze amputatie, ten slotte tot een wezenlijk godloozen Staat. Er zijn er ook, die omgekeerd, ook ontevreden, meenen dat de leer der Vaderen vordert onderdrukking van allen eeredienst, behalve den hunne. De waarheid ligt echter in het midden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 januari 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Van art. 36 der Ned. Geloofsbelijdenis

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 januari 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken