Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Artikel 36 en het Woord van God (4e serie) II.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Artikel 36 en het Woord van God (4e serie) II.

11 minuten leestijd

De opvatting der Adviseurs, als kunnen de wetten op godslastering, valsche profeten of verleiding tot afgodendienst ons met betrekking tot het onderhavige vraagstuk niets leeren, omdat dergelijke Schriftuurplaatsen de kwestie niet zouden raken, moet dus als onjuist worden afgewezen, daar wij in dergelijke voorschriften van doen hebben met de eischen eener rechtsorde, die, hoe geheel verschillend deze ook moge zijn van die, waaronder wij leven, toch een regeeringstaak aangeven, die duidelijk uitwijst, dat in oud- Israël Gods souverein gezag, zooals dit door de Overheid vertegenwoordigd was, zich wel degelijk uitstrekte over het geheele religieuse leven des volks, valschen eeredienst verbood, ook al was er van een zelfstandige kerkformatie niets te ontdekken. Eene kerk in onzen zin ontstaat eerst na Christus. En wij wezen er ook op, dat de geschiedenis van Pinehas, Elia en Elisa niet zonder meer ter zijde kan worden geschoven, omdat er uit blijkt, dat de mannen Gods van Godswege in eene buitengewone roeping optraden tegen eene regeering, die hare plichten met betrekking tot den openbaren eeredienst verzaakte. Daaruit blijkt ons welke de plichten zijn. met het ambt der Overheid van Godswege verbonden.
En wezenlijk geldt ook datzelfde met betrekking tot de vrome koningen, die de hoogten hebben weggenomen, de afgoderij uitroeiden. Ongetwijfeld blijkt daaruit, zooals er in het Advies staat op blz. 294, dat „onder de Oude Bedeeling dit uitroeien van de afgoderij en den valschen godsdienst door de Overheid een Gode welgevallig werk was en toen metterdaad tot de roeping der Overheid behoorde." Doch het blijkt hieruit ook, dat de Adviseurs geheel uit het oog verloren hebben, dat wij hierbij niet uitsluitend van doen hebben met een tijdelijk beperkte overheidstaak. Ongetwijfeld was er in de verhouding van het koningschap een profetisch moment, want het geheele volk in al zijne religieuse levensopenbaringen, met zijn eeredienst en priesterschap, met zijne profeten en Godsgezanten en ook met zijn koningschap, inzonderheid van het Davidisch huis, was eene afschaduwing van onzen eenigen Hoogepriester, onzen hoogsten Profeet en Leeraar, en ook van onzen eeuwigen Koning, onzen Heere Jezus Christus. En van die afschaduwende strekking geldt ook het woord uit den Hebreënbrief: ,,dat nu oud gemaakt is en verouderd, is nabij de verdwijning.' Doch daarmede is niet gezegd, dat in dezen dienst der schaduwen ook niet eene eeuwige, onvergankelijke, moreele waarheid ons geopenbaard wordt. De Heere geeft ook in dat koningschap, zooals het in de Heilige Schrift verschijnt, eene openbaring, niet slechts geldig voor een korten tijdsduur, maar eene eeuwige, voor alle eeuwen geldende. En deze is ongetwijfeld, dat de Overheid, in dit geval, zooals zij onder Israëls koningschap verschijnt, steeds eene roeping heeft van Godswege om, als zij in het licht van Gods openbaring staat, dus optreedt onder een volk, dat des Heeren Woord en Waarheid kent, op te komen voor Gods eere. Daarmede is dus gezegd, dat wij allereerst het beginsel hebben in het oog te vatten.
Op dat beginsel komt het aan. Zoo heeft ook de apostel Paulus gedaan als hij zegt: ,,Gij kinderen! zijt uwen ouderen gehoorzaam in den Heere, want dat is recht. Eert uwen vader en moeder (hetwelk het eerste gebod is met eene belofte), opdat het u wel ga en gij lang leeft op de aarde." Daar zien wij ook, dat hij het beginsel, om zoo te zeggen, uitpelt uit het ceremonieele omhulsel. En datzelfde geldt nu ook het koningschap en zijn taak voor den dienst Gods onder het volk. Er is daarmede niet bedoeld, dat de theocratische staatsinrichting van Israël uit het Oude Verbond een model moet zijn voor alle volken en alle eeuwen. Dat kon reeds daarom niet zoo zijn, omdat, als Christus zelve gekomen zou zijn, Israëls functie voor de verschijning van Christus zou hebben afgedaan. In Christus lossen zich de schaduwen op in het licht, dat in Hem schijnt in de duisternis. Maar wij hebben hierbij toch steeds in acht te nemen, dat in deze schaduwen het eeuwig beginsel van Christus zich doet gelden, want ware dit niet zóó, er zou geen schaduw in zijn. Een schaduw is er niet zonder een lichaam, dat deze werpen kan, zonder dat er iets wezenlijks aan ten grondslag ligt. En dat wezenlijke is in het Oud-Testamentische Koningschap de ondergeschiktheid aan Gods souvereine Majesteit en dus de roeping om voor Gods eere te waken.
En zoo is het dus wel waar, dat, zooals er in het Advies staat, wat wij het kerkelijke en het burgerlijke noemen, in Israël „samenvalt" en dat er daarvan onder de nieuwe bedeeling geene sprake meer is, dat het ook niet aangaat Israëls wetten zoo maar op ons staatsleven toe te passen, dat zulks geheel in Strijd zou zijn met Gods bedoeling. Dat is alles juist, maar dat heeft Calvijn ook geweten en ook zoo gezegd, (Inst. IV, 20: 14 en 15). Daar keert hij zich tegen hen, die meenen, dat een burgerlijke regeering, waarin Mozes' wetten niet worden erkend, verwerpelijk zijn zou. En daarvan wil Calvijn niets weten, maar in onderscheiding van de Adviseurs in hunne beschouwing over de vrome koningen van Israël, legt Calvijn, evenals wij zulks ook nu doen, nadruk op den eeuwigen, onveranderlijken wille Gods, die in Zijne wetten en openbaring ons wordt bekend gemaakt en die voor alle eeuwen en alle natiën gelden zal. Dus Calvijn laat zien, hoe het onveranderlijk beginsel van den eisch Gods spreekt te midden van de steeds veranderende tijden. En de Adviseurs zeggen wel, dat zij daarmede rekenen willen (blz. 294), maar zij doen het niet. Als zij tot hunne negatieve conclusie zouden komen, dan konden zij hier bij de voorbeelden dezer vrome koningen, die eeuwige beginselen niet gebruiken. En daarom zeiden zij te gelooven: „dat deze eeuwige beginselen niet te vinden zijn eenvoudig door zich te beroepen op eene wet of voorbeeld uit Israëls geschiedenis, wanneer daarbij geene rekening wordt gehouden met het principieele onderscheid, dat Israëls theocratie van de Nieuw-Testamentische bedeeling scheidt" (blz. 295). Nu is dit op zichzelf volkomen juist. De bedoeling des O. Testaments is niet, dat men nu maar heeft te zeggen: wij hebben Asa, Jehu, Hiskia, Josia e.a. eenvoudig maar na te doen. Er zijn er heden ten dage wel, die meenen, dat het o, zoo eenvoudig is Asa's, Hiskia', Josia's voorbeeld of dat van Voetius en zijne tijdgenooten zoo maar te copieeren en dat daarmede dan het Woord wordt gehoorzaamd. Doch dit is eene dwaling, die gevolg is van een algeheele miskenning van den in de Heilige Schriftuur ons geteekenden openbaringsgang. Dit berust op een misverstand, zooals dit met name bij de S.G.P. klaar aan den dag treedt, wanneer zij voorbijziet, de geheel andere rechtsordeningen, die er in den loop der eeuwen verschenen zijn en zullen verschijnen. Maar, en nu is dit de dwaling van het Advies, uit het onderscheid tusschen de Oud- en Nieuw-Testamentische bedeeling volgt niet, dat wij met het Oude Testament niet meer van doen hebben. De voorbeelden der vrome koningen van Israël zijn gedragen door eeuwige beginselen, in dit geval door de goddelijke roeping des konings bij de volbrenging zijner regeeringstaak in acht te nemen, dat onder het volk de eere Gods wordt hoog gehouden, dat er geen vreemde goden worden ingevoerd en nagevolgd, dat niet door vreemde, buitenlandsche eerediensten, door afgoderij, waarzeggerij en valsche profeten het volk zal worden misleid en ten verderve gebracht. De koning heeft te waken voor Gods eer, omdat daarmede het hoogste volksbelang tevens gediend wordt. Het beginsel, dat ons dus in de gedragingen dier koningen geopenbaard wordt, is dat de regeering eene roeping heeft in gehoorzaamheid aan Gods geopenbaarde Woord voor het godsdienstig leven des volks.
Daarvoor nu zijn de oogen der Adviseurs gesloten gebleven en bewezen zij te staan hiervoor, dat de moeilijkheid daarin schuilt, „dat God de Heere voor deze Nieuw-Testamentische bedeeling geen klaar en uitgedrukt bevel heeft gegeven, hoe de Christelijke overheid tegenover ketterij, valschen godsdienst en het rijk van den Antichrist heeft op te treden". Nu had het naar mijne meening allereerst op den weg der Adviseurs gelegen, zich de vraag te stellen, hoe het komt, dat ons zulk een precies omschreven bevel ontbreekt in het Nieuwe Testament. Die vraag hebben zij niet gesteld. Nadat zij zich van het Oude Testament hadden afgemaakt door de voorbeelden der vrome koningen ter zijde te stellen zonder te vragen naar het daarin geopenbaarde beginsel, gingen zij eenvoudig over naar het Nieuwe Testament om naar plaatsen te zoeken, die onder de oogen moesten worden gezien. Voor het recht verstand van het vraagstuk der regeeringstaak met betrekking tot het religieuse leven is het volstrekt noodig zich rekenschap te geven van het groote onderscheid tusschen O.- en N.-Testamentische openbaring. Dit treedt klaar aan den dag in de onderscheiding tusschen het particularisme van Israël en het universalisme, dat Christus stelt tot een licht der heidenen. In de plaats van het vleeschelijk Israël treedt het geestelijk Israël, het volk dergenen, die macht ontvingen Gods kinderen genaamd te worden. Om deze oorzaak buigt de apostel zijne knieën tot den Vader van onzen Heere Jezus Christus, uit welken al het geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt. En van dienzelfden Christus zegt hij: „En de Schrift, te voren ziende, dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft te voren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: In u zullen alle de volken gezegend worden. Zoo dan die uit het geloof zijn, worden gezegend met den geloovigen Abraham." En verkondigt niet in Bethlehem's velden de Engel aan de herders: „De groote blijdschap, die al den volke wezen zal"? In Christus wordt het heil universeel, spreekt God het Woord des levens tot alle volken. De windselen van het nationale van Israël worden afgewikkeld, wanneer het Kindeke neerligt in doeken gewonden in de kribbe. Christus predikt, dat er geene aanneming des persoons is. Hij heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons, opdat de zegening van Abraham tot de heidenen komen zou in Christus Jezus. En zoovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan. Daarin is noch Jood, noch Griek, daarin is noch dienstbare, noch vrije, daarin is geen man en vrouw, want gij allen zijt één in Christus. De Christelijke Kerk is niet nationaal, maar internationaal, is niet aan een ras gebonden, maar richt zich tot de menschheid in haar geheel. Dat beteekent natuurlijk niet, dat zij voor de onderscheidenheid der rassen, die God geschapen heeft, geen oog zou hebben, noch ook, dat daarmede niet gerekend moet worden, maar wel, dat ras of bloed, stam of volk, natiën, geslachten, tongen en talen, hoezeer ook krachtens Gods bestel verscheiden, toch in Christus hebben de zaligheid, die Hij bereid heeft voor alle volken.
En zoo lag het dus ook voor de hand. dat in het Romeinsche wereldrijk, dat de toenmaals bekende wereld omvatte, de Kerk van Christus overal kon en moest opkomen, afgezien van bloed of ras of taal. De bonte veelheid van volken in het Romeinsche rijk onder den scepter der Caesaren, waren alle missie-gebied voor de weinige eenvoudige Godsgezanten, die de wereld ingingen met de boodschap des heils. En in het Nieuwe Testament wordt ons met Christus' verschijning ook de wording der Kerk door de verkondiging des Evangelies in haar eersten oorsprong geteekend en ook Christus in Zijne vernedering en verhooging als onze Borg en Middelaar voorgesteld, opdat alle volken Hem zullen zien als het Licht der wereld tot in hare eind-ontwikkeling toe.
Maar daaruit volgt dan ook terstond, dat wij met geene mogelijkheid kunnen verwachten, dat ons in de Heilige Schriften des Nieuwen Verbonds met betrekking tot de verhouding, waarin de Overheid zal staan tot het religieuse leven, gedétailleerde voorschriften gegeven zullen worden. Slechts zeer algemeene, maar daarom toch niet minder preciese aanwijzingen zijn er gegeven, die echter duidelijk de blijken dragen daarvan, dat Christus, de Verheerlijkte, zelve in elk bijzonder geval te midden van de veelheid der volken met hunne bijzondere eigenaardigheden en eigen regeeringsvormen, die de vrucht zijn hunner historie, de Leidsman Zijner Kerk is, ook met betrekking tot de vraag, welke roeping de Overheid heeft voor het religieuse leven in verband met de komst van Gods Koninkrijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 maart 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Artikel 36 en het Woord van God (4e serie) II.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 maart 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken