Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het dogma in Artikel 36 VI.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het dogma in Artikel 36 VI.

De souvereiniteit Gods en de overheid.

11 minuten leestijd

Spreuken 8:15, 16. Door mij regeeren de koningen en de vorsten stellen gerechtigheid. Door mij heerschen de heerschers en de prinsen, al de rechters der aarde.

Uit Gods Woord bleek het ons, dat van de oudste tijden, zelfs die der eerste wereld, er eene Overheid onder de menschheid verschenen is. En dit verschijnen is niet toevallig, maar hangt onlosmakelijk samen met de openbaring eener rechtsorde, die de Heere heeft opgeroepen.
Deze rechtsorde heeft van meet af de strekking gehad, dat het menschelijk samenleven mogelijk zou worden gemaakt. Een onbeteugelde uitwerking der in den gevallen mensch rijkelijk vloeiende bron van goddeloosheid, zou noodzakelijk tengevolge hebben gehad de ondergang van het menschelijk geslacht door eigen zelfverslinding. Daarom gaat met die rechtsorde, die het leven moet beschermen door de doodstraf, ook gepaard een reeks van andere voorschriften, die betrekking hebben op de verhouding der menschen onderling in hun eigen samenleving. Daartoe behoorde in de eerste plaats de heilighouding van het huwelijk. Ook daarvan blijkt reeds in de oude wereld voor den zondvloed. Denk maar aan Genesis 6, waarin de ontheiliging van het huwelijk wordt aangewezen als een der gruwelen, die tot Gods oordeelen hebben geleid. En daarbij komt nu nog in de tweede plaats het bezitsrecht. Ook dit blijkt van den beginne tot het natuurlijk recht der menschen te behooren. Kaïn en Habel brengen reeds terstond na den val offers van hun eigendom. Habel bracht een offer van de eerstgeborenen zijner schapen. Het eigendomsrecht is gegrond in de menschelijke natuur. En het is duidelijk, dat ook in dit recht, naarmate de eeuwen voortschrijden en het getal der menschen toeneemt en de cultureele ontwikkeling eene hoogere vlucht neemt, meerdere gronden gegeven zijn, die onder den zondetoestand, waarin de menschheid verkeert, tot vreeselijke gevolgen aanleiding kunnen geven. Zij zijn evenzoovele oorzaken tot een strijd, die de samenleving der menschen verstoren kan.
En zoo blijkt dan ook uit Gods Woord, dat de rechtsorde zich ook uitstrekt over het eigendomsrecht. Denk slechts aan Abraham, die na den dood van Sara zich tot de zonen Heths wendt en verzoekt, dat het hem vergund zal worden zijne doode te begraven en daartoe begeert, dat hem de spelonk van Machpela zal worden gegeven, ,,die in het einde van zijn akker is". Abraham wil die spelonk met den akker koopen voor ,,het volle geld" tot eene erfbegrafenis in het midden der zonen Heths. Hij kan het alles ten geschenke ontvangen, maar hij weigert en koopt het land met de spelonk voor 400 zilveren sikkels. Zoo werd dit land ,,aan Abraham tot eene bezitting", die hem diende tot eene erfbegrafenis.
Daaruit blijkt onbetwistbaar, dat het eigendomsrecht zich deed gelden eigenlijk op de wijze, als het heden ten dage nog bestaat. Hoeveel er ook veranderd moge zijn, het eigendomsrecht zelf is in dezen onveranderd gebleven.
Het is wel waar, dat in later tijden onder den druk van sociale omstandigheden dit recht familiale vormen heeft aangenomen, omdat de zedelijke persoonlijkheid en daarmede het recht van den individu nog niet tot ontplooiing komen kon. En ook is het waar, dat met name het moderne communisme het huwelijk en daarmede het gezin, alsook het eigendomsrecht pretendeert te kunnen opheffen, maar de geschiedenis leert, dat het niet gelukt, zoodat zelfs het communistisch Rusland eigendomsrechten kent, ook al hebben de drijvers van dat arme volk de vroegere bezitters vermoord om hunne goederen te kunnen stelen. Feit is, dat er geen maatschappelijk leven zonder huwelijks- en eigendomsrecht bestaat en nooit bestaan heeft, zelfs niet bestaan kan.
Dit moest er wel toe leiden, dat Gods openbaring haar licht ook daarover deed opgaan, zoodat in Gods Wet niet slechts het leven wordt beschermd, als gezegd wordt: „Gij zult niet doodslaan", niet slechts het huwelijk als goddelijke ordinantie wordt voorgesteld, als Hij zegt: „Gij zult niet echtbreken", maar ook het eigendomsrecht wordt vastgelegd door het gebod: „Gij zult niet stelen." En wanneer nu daarbij in aanmerking wordt genomen, dat er behalve deze maatschappelijke primaire rechten, die in de tweede tafel worden genoemd, ook nog algemeene voorwaarden vervuld moeten zijn, zal er van eene handhaving dezer primaire rechten sprake zijn, dan wordt het duidelijk, dat aan de tweede tafel, die betrekking heeft op de menschelijke samenleving, wel de eerste tafel moet voorafgaan, waarin de gronden geopenbaard worden der goddelijke sanctie dezer zedewetten.
Zonder de eerste tafel der Wet is de tweede volmaakt krachteloos, heeft zij geen grond van gezag. De Heere laat dus het licht Zijner openbaring schijnen over het geheele leven der menschen. Allereerst beschermt Hij het leven zelf, want het leven is de eerste voorwaarde, die vervuld moet zijn om van de levensgaven te kunnen genieten. Daarna ook beschermt Hij al die rechten, zonder welke de handhaving van het levensrecht niet meer mogelijk zal kunnen zijn, want het is duidelijk, dat zoowel het gezin als de eigendom factoren zijn in het sociale leven, die, wanneer zij niet meer gehandhaafd worden, noodzakelijk den ondergang van alle maatschappelijk leven met zich brengen. Het is daarom, dat de door God geopenbaarde rechtsorde zich over deze grootere sociale levensgebieden uitstrekt.
Het gevolg daarvan moet nu wel zijn, dat de Overheid haar gezag over dit alles uitbreidt, opdat zij haar wezenlijke, primaire, haar van God opgelegde functie zal kunnen volbrengen. Zij verschijnt dan ook voor het bewustzijn aller volken der oudheid als met goddelijk gezag bekleed, maar tevens als tot de volbrenging harer taak van Gods wege toegerust. En dat wordt nu in Spreuken 8 klaar en onomwonden uitgesproken. Daar is de goddelijke Wijsheid sprekende en haar licht opgaande over alle levensverhoudingen, ons voorgesteld. Van deze goddelijke Wijsheid wordt in het voorafgaande 14e vers gezegd: „Raad en wezen zijn mijne, ik ben het verstand, mijne is de sterkte." De goddelijke Wijsheid predikt Zich als deze alle in zich dragend. En daarom kan zij alleen de bron zijn, waaruit de wijsheid voor het menschelijke leven vloeit. Raad is in haar, zoodat wie door haar bestuurd en geleid wordt, het goede deelachtig zal worden, de ware levensdoeleinden zal bereiken, want zij geeft verstand met goddelijk licht bestraald en wijst dus den juisten weg, dien wij gaan zullen. En zij baart ook de kracht om dien strijd des levens te strijden en tot een goed einde te brengen. W i e haar volgt, zal in de duisternis niet dwalen. Zij zal leiden tot die overwinning, die de wereld overwint. Zij wijst dus op hetgeen in later eeuwen de apostel Johannes zeide: „Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof." En dat geloof baart de gemeenschap met Hem, die Johannes noemt ,,de Zoon van God", het eeuwige Woord, dat bij God is en God is, die dus ook de Wijsheid kan worden genoemd. En die eeuwige goddelijke Wijsheid zegt nu: „Door mij regeeren de koningen en de vorsten stellen gerechtigheid."
Daaruit blijkt dus in de eerste plaats, dat de Overheid haar ontstaan niet dankt aan menschelijke willekeur. Het Woord Gods laat ons zien, dat ,,de koningen", dat zijn zij, die de overheidsmacht dragen en uitoefenen, er niet zijn, omdat de menschen dit hebben gewild. Zij zijn er dus niet, zooals de latere wijsgeeren leerden, door een vrijwillig gesloten verdrag, waarbij de individuen, die zich allen van gelijken rechte achtten, besloten van hun macht af te staan en daarmede van hun recht. Zij zijn er niet krachtens een door menschen genomen besluit, omdat zij tot het inzicht kwamen, dat geregeerd worden voordeeliger en nuttiger was dan in voortdurenden onderlingen strijd te leven. Indien op deze wijze, zooals de wijsgeeren der revolutie leeren, de Overheid was ontstaan, zij zou nooit ontstaan zijn, daar het uitgesloten is, dat een zondaar, wiens recht volgens deze leer evenzoo ver gaat als zijne macht, er ooit toe zou kunnen worden gebracht, van nature het offer van zichzelven te brengen. Dus leert Gods Woord: „door Mij regeeren de koningen". De goddelijke Wijsheid stelde het Overheidsgezag in. De goddelijke Wijsheid heeft door hare voorzienigheid de menschheid zoo geleid door het licht harer openbaring, dat overal, waar de mensch verschijnt, hij blijkt een overheidsgezag te hebben en te gehoorzamen, dat hijzelve niet heeft voortgebracht, maar vond in het milieu, waarin hij geboren werd. Een mensch riep het niet op, maar het was over hem bij zijne geboorte. De goddelijke Wijsheid had het opgeroepen als waker over de door God zeiven verordineerde rechtsorde, die de strekking had het menschelijk samenleven mogelijk te maken. En uit dat feit is dan ook verklaarbaar, dat onder de volken het overheidsgezag met goddelijke autoriteit is bekleed. Gods souvereiniteit straalde op de Overheid af.
En daar wij bij deze bemoeienis Gods van doen hebben niet met de particuliere genade, die in directen zin doelt op de zaligmaking van Gods Kerk, maar met die gemeene genadewerking, die bedoelt de voorwaarden te scheppen, waardoor de werking der particuliere genade wordt mogelijk gemaakt, vinden wij het overheidsgezag bij alle volken zonder onderscheid. Daarin is dus Gods bestel voor de volken, zoowel voor Israël als voor de volken buiten het licht van Gods bijzondere openbaring. Daarom staat hier dan ook zonder eenige beperking, dat door de goddelijke Wijsheid „de koningen regeeren". Alle koningen, alle Overheden, alle vorsten, zij regeeren door haar. Gods wijsheid wordt in de verschijning der overheidsmacht openbaar. En zoo zegt dan ook onze Belijdenis in overeenstemming met Gods Woord, dat God „Koningen, Prinsen en Overheden verordend heeft, willende, dat de wereld geregeerd worde door wetten en politiën". Zooals de oorspronkelijke zin is: God heeft de wereld zoo geschikt, dat uit haar de overheidsmacht door Gods voorzienige leiding opkomt, opdat de ongebondenheid der menschen worde bedwongen.
Wij hebben dus in de Overheid van doen met een algemeen bestel Gods, dat zich uitstrekt over alle menschelijke samenleving zonder onderscheid, over alle rassen, volken, stammen en geslachten.
Het is dus daarbij niet de vraag, of de volken zeiven dit alles weten, zooals God het geopenbaard heeft in Zijn Woord. Er zijn meer volken, die dit Woord niet kennen, dan die het wel kennen. Doch er zijn geene volken, die het overheidsgezag niet als goddelijk gezag kennen. De vorsten kunnen naar Oostersche pantheïstische beschouwingswijze soms verschijnen als incarnaties van bovenzinnelijke machten, dan wel als Romeinsche Caesaren, in eene apotheose worden verheerlijkt en aangebeden, de apostel Paulus zegt toch van alle Overheid zonder uitzondering: „Er is geene macht dan van God en de machten, die er zijn, die zijn van God verordend." God heeft deze regeermachten, welke zij ook mogen zijn, beschikt.
Zoo staat dus voor alle eeuwen, voor alle Overheidsvormen vast, dat zij het ontstaan te danken hebben aan Gods souvereine albeschikkende voorzienigheid. Zij gaat zoo\»el over de volken, als over Israël, zoowel over de heidenwereld, als over de Ghristenvolken. Er is, wat dat betreft, geen onderscheid. En van deze allen geldt het, dat de goddelijke Wijsheid er van zegt: „Door mij regeeren de koningen." De Schrift noemt de instellingen van dit gezag dus een wijs bestel. Het is niet zoo maar opgekomen, maar door de Wijsheid Gods. En nu ligt het voor de hand, als dan Gods Woord dit leert, dat zoo alle overheidsmacht moet worden gekend en gewaardeerd als door Gods Wijsheid verordend, dan heeft zulks uit den aard der zaak ook voor dat overheidsgezag zelf beteekenis. Zooals het voor de geheele schepping, met name voor den mensch als beelddrager Gods beteekenis heeft, dat zij Gods schepselen zijn, zoo is dit ook voor het Overheidsgezag van belang.
Dat de mensch naar den beelde Gods geschapen werd, legt een ban van ontroerende verantwoordelijkheid over geheel ons leven. W i j danken daaraan niet alleen onze redelijke begaafdheid als mensch, maar daarom ook onze zedelijke verantwoordelijkheid, ja, ons geheele geestelijke leven, dus met name ook ons godsdienstig leven. Onze schepping naar den beelde Gods legt een beslag op ons leven, waarvan een mensch wel kan beproeven verlost te worden, maar hij wordt er niet van verlost.
En datzelfde geldt nu ook de regeering. Als het is, zooals Gods Woord zegt, door mij, dat is door de goddelijke Wijsheid, regeeren de koningen, dan zal de door Gods Wijsheid verordende regeering daarvan ook de gevolgen ondervinden, dan is de Overheid aan dezen haren goddelijken oorsprong gebonden. Dan kan zij wel beproeven zich daarvan af te maken door valsche wijsgeerige theoriën of door haar het orgaan te ontzeggen in zake religie te onderscheiden, alle deze valsche theorieën doen niet af aan het feit, dat de Overheid, ook deze moderne Overheden, ook de Nederlandsche Overheid, door deze goddelijke Wijsheid regeeren en daarom ook gehouden zijn aan deze goddelijke Wijsheid zich te onderwerpen. De souvereiniteit van het overheidsgezag daalt van Gods souvereiniteit af. Door de Wijsheid is zij verordend, maar daarom ook in volstrekten zin aan die Wijsheid onderworpen, zoodat Gods souvereiniteit niet slechts als de zon is, die haar glans uitstraalt over de regeerende machten, maar omgekeerd ook die regeerende machten zich hebben te richten naar de souvereiniteit van Hem, door welke zij zijn. Door Mij, zegt de Wijsheid, regeeren de koningen en stellen de vorsten gerechtigheid. En die gerechtigheid zullen zij leeren door de Wijsheid Gods.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 juni 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Het dogma in Artikel 36 VI.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 juni 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken