Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het Brandoffer II.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het Brandoffer II.

22 minuten leestijd

Leviticus 1. Vers 1—9. En de Heere riep Mozes en sprak tot hem uit de Tent der samenkomst, zeggende: Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: Als een mensch uit u den Heere eene offerande zal offeren, gij zult uwe offerande offeren van het vee, van runderen en van schapen. Indien zijne offerande een brandoffer van runderen is, zal hij een volkomen mannetje offeren: aan de deur van de Tent der samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht des Heeren. En hij zal zijne hand op des brandoffers hoofd leggen, opdat het voor hem aangenaam zij om hem te verzoenen. Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht des Heeren: en de zonen Aarons, de priesters, zullen het bloed offeren, en dat bloed sprengen rondom dat altaar, hetwelk voor de deur van de Tent der samenkomst is. Dan zal hij het brandoffer de huid aftrekken en dat in zijne stukken deelen. En de zonen van Aaron, den priester, zullen vuur maken op het altaar, en zullen het hout op het vuur schikken. Ook zullen de zonen Aarons, de priesters, de stukken, het hoofd en het smeer schikken op het hout, dat op het vuur is, hetwelk op het altaar is. Doch zijn ingewand en zijne schenkels zal men met water wasschen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar: het is een brandoffer, een vuuroffer ten liefelijken reuke den Heere.

Daar is een godvruchtige Israëliet met zijn offerdier gekomen bij den tabernakel. Hij wendt zich tot de dienstdoende priesterschap met verzoek om zijn brandoffer te kunnen brengen. Iedere rechtgeaarde priester zal zich verheugen het altaar te mogen bedienen, want de begeerte tot het brengen van dit offer is een bewijs, dat de God van Israël wordt geeerd en de weg der verzoening wordt gezocht.
Wat moet nu verder geschieden?
En hij zal zijne hand op het hoofd des brandoffers leggen, opdat het voor Hem aangenaam zij, om hem te verzoenen.
De offeraar moest derhalve de hand leggen op het hoofd van het offerdier. Het is zonder meer duidelijk, dat deze handeling beteekenis heeft, met het oog op Christus als offer.
Welke beteekenis heeft de handoplegging in den offerdienst in het algemeen? Door die handoplegging moet de eenswording met het offerdier worden uitgedrukt. W a t aan het offerdier geschiedt, moest den offeraar treffen. Als het rund wordt geslacht en het dier ter aarde stort, wegstervende door het uitstroomende bloed, dan is de gedachte deze: Dat lot moest mij treffen! Die handoplegging bepaalt ons bij de plaatsvervanging. Doch er is nog een andere zijde aan de waarheid. De eenswording met het offer sluit ook in, dat de offeraar in dat offer tot God nadert en beschouwd wordt als in dat offer Gode aangenaam. De volkomen vereenzelviging van den offeraar met het offer wordt dus door die handoplegging afgebeeld. Zij werden daardoor één en nu bracht die eenheid wederkeerig op den offeraar over het aangename of welgevallige van zijn offer. De offeraar leunde er op. Waren er meer personen, die een offer brachten, dan deed de een het na den ander. En gij zult den var nabij brengen voor de Tent der samenkomst; en Aaron en zijne zonen zullen hunne handen op het hoofd van den var leggen. (Ex. 29 : 10). Daar gaat het om het voorgeschreven brandoffer van de priesterschap zelf, zooals ons later nog nader zal blijken.
De offeraar heeft in het dier plaatsvervangend een voertuig van de verzoening; den dank en de bede, al naar het offer is. Dus de handoplegging wijzigt zich in beteekenis naar den aard van het offer. Het is dus niet alleen de overdraging der zonde op het offer, dat door die handoplegging wordt verbeeld, maar evengoed bede en dank. Dit hangt af van den aard van het offer, dat wordt gebracht.
In Christus zijn alle offers een; in Hem is vereenigd wat in de onderscheidene offers wordt onderwezen. Maar Christus wordt in meer dan ééne beteekenis gekend. Zalig, als de hand des geloofs op Hem rust als mijn schulduitdelgende Borg. Maar nu is daar óók eene handeling des geloofs, eene gemeenschap met Christus, als dankende Hoogepriester, zooals Hij den Vader in alles aangenaam is.
Doch zonder geloofsgemeenschap kan ik den zegen niet genieten, dat Christus de dankende Hoogepriester is. In den offerdienst wordt ons in die handoplegging zinnebeeldig de gemeenschap des geloofs gepredikt met den Christus. En dan, eene wezenlijke aanraking wordt vereischt. Over geloof wordt niet weinig gesproken; men moet gelooven; men mag gelooven. Zeer zeker, maar, wanneer doet men het dan? Voor velen is het een verstandelijk aannemen, dat Christus gestorven is voor onze zonden. Men gelooft, zoo zegt een ander, de beloften des Evangelies. Daar mag ik mij toch op verlaten. Maar weet ge, wat nu het geval is? Men is dan den Israëliet gelijk, die thuis in zijn gedachten alles klaar maakt, maar het rund is niet gegrepen, niet weggeleid naar de Tent der samenkomst, noch minder is er wezenlijke vereeniging met het offerdier, dat geslacht wordt. Het is in de gedachten gebeurd, maar niet in de werkelijkheid. Zoo is het met het geloof van zeer velen. Ze hebben nooit Christus aanschouwd in hunne verlorenheid, nooit hunne verdoemelijkheid gekend dan misschien in de beschouwing, met eenige aandoening des gemoeds en der consciëntie.
Let dus op die handoplegging. Daarbij had eene wezenlijke aanraking plaats met het offerdier, dat stond bij den tabernakel.
Wij willen dus deze waarheid weer met nadruk onderstrepen, dat er eene levende, bevindelijke kennis moet zijn van Christus en dien gekruist. Eene kennis des geloofs, gewerkt door den Heiligen Geest.
Wanneer wij nu die handoplegging bij het brandoffer in het bijzonder in hare wezenlijke beteekenis verstaan, dan gaat het dus om de eenwording door het levende geloof met Christus om in Hem Gode volkomen aangenaam te zijn. Hij is mijne aangenaamheid bij en voor God. Wij zijn gelijk Hij is. Aangenaam in den Geliefde. Die den Heere aanhangt is één geest met Hem. Zalig, zoo voor den Heere te mogen naderen in Hem. Want wij mogen niet vergeten, dat Christus als brandoffer kracht heeft bij God, zoodat de aangenaamheid, die de Vader heeft in die volkomen overgave van Zijnen Zoon door het offer heen den offeraar, door die handen heen die op het hoofd rusten van het offer, raakt en de ziel vervult. Van eeuwigheid verkoren, had de Heere een vermaak in mij om Hem alleen. Hier liggen verborgenheden des levens en de;-; geloofs. Zalig wie ze kent als beleefde werkelijkheden. Dan vloeit het welbehagen Gods in de ziel en verwondering Vervult ons. Wij buigen naar de aanspraakplaats Zijner heiligheid. Ziehier nu hoe in Christus als brandoffer ligt de meest verheven grondslag voor het volste vertrouwen en tevens voor den diepsten ootmoed. Als ik aangenaam ben, kan ik den Heere niet mishagen. En in diep gevoel van eigen nietigheid en onaangenaamheid voor God gaat mijne ziel in in de aangenaamheid van Christus voor den Vader. Nu ben ik aangenaam in Hem. Mijne ziel verheft zich, wordt als opgevoerd tot boven 's hemels kringen; de harmonieën der eeuwigheid luischen in mijn klein hart; alles bloeit door den vrede. Uit den hemel vloeit mij toe een stroom van ontferming. Niet dus, dat de Heere mijne schuld vergeeft, ja, vergeven heeft, is hier aan de orde, maar op dien grondslag der verzoening ervaren wij het welbehagen Gods. De vrede is er, en nu raakt het geloof het hart des Eeuwigen door Christus heen en de Eeuwige raakt mijn hart in Christus. Hij heeft niets op mij tegen, integendeel, ik ben Hem aangenaam. Hij heeft een vermaak in mij, zijn arm schepsel. O, wat is deze Jezus mij dierbaar, die mij aangenaam maakt voor God. Zoo is onze vereeniging met Christus gegrond en doodt onze natuur en al hare eischen en aanmatigingen.
Dit aangenaam zijn voor God is alléén door en in Jezus. Kent gij deze verborgenheid des levens? Het is een en dezelfde aanneming met Christus. Eén heil, één vrede met Hem deelachtig.
Nu voegt de Heere nog toe: om hem te verzoenen. En hij zal zijne hand op des brandoffers hoofd leggen, opdat het voor hem aangenaam zij om hem te verzoenen.
Gij weet, dat het brandoffer als geheel werd verbrand, vandaar dat het ook vuuroffer heet. Maar ook het bloed had bij dit offer, zooals we nader zullen zien, bijzondere beteekenis. Het brandoffer als geheel verzoent den offeraar. Niet alleen wordt zijne schuld bedekt, maar evengoed zijn onwil, zijn afkeerigheid van hart. Zie, in die verzoening ligt nu ook opgesloten alles wat Christus voor God is en doet. In het brandoffer, de keur der offers, wordt Gods kind vertoond als volmaakt gewillig om Gode welbehagelijk te dienen in de toerekening van Christus als brandoffer.
Gij gevoelt, dit is meer dan vergeving mijner zonden, maar in die bediening van Christus mag ik mij Gode aangenaam weten en in Hem ziet en aanvaardt de Heere mij als volkomen gewillig Hem te dienen, zoo gewillig als Christus, want ik ben van Hem niet te scheiden. Niets vernedert dieper, maakt meer onderworpen dan deze zalige ervaring. Niet wat ik ben in mijzelven, maar wat ik ben in Christus komt in aanmerking bij God. Doch vergeet niet... dat leeren wij niet door beschouwing van Christus als brandoffer, maar alleen door gemeenschap. Zeker kan geloofsbeschouwing aangenaam zijn; de ziel kan verwonderd zijn over zooveel heil in Hem. Ach, zucht een ander, mocht ik Hem zóó bezitten. Nu wordt mijn ziel verteerd door onrust en verlangen. Ik weet, dat ik Gode niet kan behagen. Zalig dan door Christus als zond- en schuld- en dank- en spijsoffer heen Hem als brandoffer te kennen, door het geloof.
Om hem te verzoenen. Verzoenen is bedekken. De schuld, onwil wordt bedekt voor Gods oog. Hij ziet geen zonde in Israël, noch overtreding in Jacob.
Verzoenen is bedekken. Zoo heet bijvoorbeeld het omkoopen van den rechter door een geschenk; bedekking (kopher). Dat is dus blijkbaar de grondgedachte bij verzoening: bedekken. Tegenover het zondige volk treedt God op als de bedekkende.

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven,
Die van de straf voor eeuwig is ontheven.
Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt,
Voor 't heilig oog des Heeren is bedekt.

Maar dat bedekken Gods heeft gevolgen. Als ik een plant bedek, dan verbleekt de groene kleur. Die bedekkende daad Gods wischt de zonde uit, gelijk ook de Schrift daarvan gewaagt. Ze is weggenomen door die bedekkende daad. Zie, zij worden niet meer gevonden. Zalig, nogmaals merken wij het op, zalig de mensch, die zoo door God met Christus is bedekt, dat hijzelf niet wordt gezien, maar in Christus volkomen voor God verschijnt. Ik ben het, die uwe overtredingen uitdelg als een nevel en Ik gedenk uwer zonden niet. Zoo is dus aan het kruis de verzoenende daad van Christus, maar evenzeer is de Vader hier werkzaam. Hij neemt een volkomen welgevallen in het offer Zijns Zoons.
Nu moet hier nog een opmerking aan worden toegevoegd over de priesterschap. In de offerspraak wordt gewoonlijk de priester als middelaar tusschen God en het volk, als de bedekkende, de verzoenende beschreven. Alzoo zal de priester met den ram des schuldoffers voor hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden (Lev. 5 : 26).
Gij verstaat wel, dat eene schuld alleen kan worden bedekt door datgene wat den beleedigde bevredigt, voldoening schenkt. Zoo is Christus als brandoffer tegelijk een vrijmakende en aangenaam-makende losprijs. Ziet ge wel, dat de offerdienst ons voortdurend Christus predikt? Ja, dat zij ons stelt voor de diepste gronden onzer zaligheid. Het offer van Christus bevredigt God, daarom kan het eene bedekking zijn voor den offeraar, eene verzoening. Hij is eene verzoening voof zou opnemen. De beteekenis van het woord is dus duidelijk.
Laten wij hier ook herinneren, hoe de dood van den doodslager bedekking geeft voor het land, dat door bloedschuld ontheiligd is. Jacob zond Ezau eene bedekking vooruit (een kopher) om hem gunstig te stemmen, opdat hij zijn aangezicht zou opnemen. De beteekenis van het woord is dus duidelijk.
Welnu, het brandoffer Christus staat tusschen God en den mensch, die met de handen des geloofs op Hem rust. Zinnebeeldig is het offerdier plaatsbekleedend. Christus is echter de werkelijkheid. Doch die plaatsvervanging moet door bloed worden bevestigd, want zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving. Daarom moet het dier sterven en het bloed worden gesprengd. Zoo volgt dan ook op de handoplegging onmiddellijk de slachting.
Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht des Heeren en de zonen van Aaron, de priesters, zullen het bloed sprengen rondom dat altaar, hetwelk voor de deur van de Tent der samenkomst is.
Het rund moet worden geslacht voor het aangezicht des Heeren, in de tegenwoordigheid Gods, bij de Tent der samenkomst. De Israëliet kan niet zeggen: ik zal thuis een rund dooden en mijn eigen priester zijn. Al legde hij dan de handen op het hoofd van het rund, toch zou er geen verzoening geschieden. Slachten voor het aangezicht des Heeren is goddelijk gebod. Menigeen oefent zijn godsdienst in eigen tegenwoordigheid, maar God is er niet bij. Hij staat niet voor het aangezicht des Heeren. En toch is dit gebiedend noodzakelijk. Hoe zal ik met Jezus werkzaam zijn tot glorie Gods als de eere Gods mij niet raakt, als Zijne tegenwoordigheid mij niet is als een vuur, dat mij dreigt te verteren?
Slachten voor het aangezicht des Heeren.
Het woord, dat hier door slachten wordt vertaald, heeft een bepaalden zin. Bij het offer wordt nooit van dooden gesproken, maar altijd van slachten. Dat is een welbewust ombrengende daad. De slachting is de voltrekking der straf. Soms werd deze daad door den offeraar verricht om te toonen wat hij zelf had verdiend. Wel is de meening gangbaar, dat alléén de priester slacht. Doch zekerheid is er dienaangaande niet. Wel mag alléén de priester met het bloed werken. En ook als het duiven en andere offerdieren geldt, slacht de priester, evenals onder bepaalde omstandigheden.
De plaats waar werd geslacht, was dus voor het aangezicht des Heeren bij het altaar in den voorhof. Weer staat erbij: voor de deur van de Tent der samenkomst. Dus daar, waar de Heere woonde en zich openbaarde, samenkwam met Zijn volk, dat Hij zich ten erve verkoren had. De donkere Noorderzijde van het altaar was de plaats der slachting. Hier hooren wij het huilen der stervende dieren, het reutelen van het rund, dat stuiptrekkend op den grond ligt en weldra zal zijn gestorven. Rook en vuur, bloed en weedom zijn hier bijeen bij het altaar. Daar staat de Israëliet toe te zien. En ik hoor de wondere sprake van Immanuël: Indien gij Mij dan zoekt, laat dezen henengaan. Zie, zóó moet de Israëliet zeggen: dat offer valt om mijne zonde, omdat ik onaangenaam ben voor God. Die stuiptrekkingen heb ik veroorzaakt. Ik ben in dat offer gestorven en Gode toegevallen, want mijne handen waren op het hoofd van dit offerdier. De Israëliet moest door geloovig toezien worden geleid tot den Messias, die door David zou roepen tot zijn uitgeofferd volk: Zie, Ik kom. Ik heb lust, o mijn God, om Uw welbehagen te doen.
Maar, zie daar de priester aan het werk. Het mes ligt nog met bloed bedekt naast hem, doch wat doet hij toch? Hij is vol ijver in de weer, hij haast zich. Wat doet hij toch? Kijk, hij heeft een nap in de hand, een bekken, om het bloed op te vangen van het rund, dat stervende is. Want het opvangen en de handeling met het bloed is een der voornaamste bezigheden van den priester bij den offerdienst. Het slachten is dan ook middel tot bloedstorting, want de verzoening komt niet tot stand in het slachten bezijden het altaar, doch door de besprenging van het bloed op het altaar. Zij vangen dus het bloed op in de schalen en bekkens, die tot het gereedschap van den tabernakel en tempel behooren. Blijkbaar hadden deze bekkens een ronden bodem, zoodat zij niet konden worden neergezet, of zij kantelden om en het bloed werd uitgestort. Dat mocht juist niet. Deze besprengbekkens waren gemaakt van koper (Ex. 27 : 3).
Voordat de priester iets doet aan het rund, de huid aftrekt en wat er verder gebeuren moet, is het zaak eerst gereed te zijn met het bloed, dat nog dampend onmiddellijk op het altaar moet worden gesprengd. Het leven, dat ging in den dood is afgebeeld in dat dampende bloed. Ge verstaat wel, dat niet het opgedroogde bloed moet worden gebracht, maar het bloed dat als het ware nog leeft. In dat bloed riep Jezus uit: Het is volbracht. In het afleggen van zijn leven verkwikte Hij den Vader. Daarom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg voor mijne schapen.
De priester moest dat bloed sprengen op de vier hoeken van het brandaltaar. Hij stortte het uit en sprengde het.
Wij moeten dus wel verstaan, dat ook bij het brandoffer de bloedstorting niet kan ontbreken, want juist daardoor heeft Jezus Zijne gewilligheid het diepst getoond en Zijnen Vader verkwikt. Hij begeerde naar Gods raad en voorkennis te sterven, den vervloekten dood des kruises. Een vrijwillig offer ten liefelijken reuke.
Hij is de gewillige Borg tot in den dood. Zie Hem hangen aan het kruis, de man van smarten. Toen Petrus zeide: Wees U genadig, dat zal U geenszins geschieden, sprak Hij in heiligen toorn: Ga achter mij, satan, want gij verzint de dingen, die der menschen zijn en niet die Godes zijn. Satan tart Hem als schuldoffer, doch Hij kon zeggen: De overste dezer wereld komt en heeft aan Mij niets. Hij kon van zijne gehoorzaamheid en gewilligheid niet worden afgebracht. Maar, zoo zeide Hij: opdat de wereld erkenne, dat Ik den Vader liefheb, en gelijk Mij de Vader geboden heeft, alzoo doe Ik.
Let nu ook op de plaats en de taak van den priester bij dit offer.
In het algemeen moet worden bedacht, dat niemand kan naderen tot God, om verzoend te worden onwaardig in zichzelve. Gij kunt tot God niet naderen zonder verteerd te worden, tenzij er een tusschentredende Middelaar is. Dat werd nu door de priesterschap uitgebeeld. De noodzakelijkheid van den levenden Borg stond voor het aangezicht van Israël geteekend in de priesterschap. De priesters nu zijn de bedienaars der verzoening, door den Bonds-God daartoe verkoren en afgezonderd. Hun werk zag evenzeer op Christus, die priester, altaar en offer tegelijk zou zijn.
In die blc-edbesprenging nu op het altaar wordt de kracht van het offer verbonden met het verbond. Het is bondsbloed, omdat het ia van den Middelaar des Verbonds en het bloed maakt het verbond van kracht als het gesprengd wordt aan de vier hoeken des altaars. Over dit altaar zelf spreken wij thans niet nader, dat zou behooren bij de behandeling der heilige plaats en hier gaat het om den offerdienst. Het altaar toont ons Christus in Zijne twee naturen, waarachtig God en waarachtig mensch. Hij heeft zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd.
De priester is dienend tusschenpersoon. Zoo is dus de offerdienst vol van leering over Christus. De priester echter offert het dier, Christus zichzelven.
De priesters sprengen het bloed, make- het vuur op het altaar aan, schikken het hout op het vuur, ordenen de stukken, na het offerdier te hebben verdeeld. Het vet en het hoofd leggen zij op het hout, hetwelk op het altaar is.
Bij het brandoffer was zeer veel priesterwerk. De zonen van Aaron zelf moesten dit werk volbrengen in hunne geslachten.
In Zijne genade roept de Vader Zijne kinderen, om met Hem de gedachten over Christus te deelen. Dit kan alleen door den Heiligen Geest, die woont in het hart. Het gaat dus bij het brandoffer niet zoozeer om de geruststelling van het geweten door het bloed van Christus als zonden-drager, als wel om de gemeenschap met God in de volkomen overgave van Christus in Zijn heele zelfofferande.
De zonen van Aaron, de priesters, zoo wordt gezegd. De priesterschap is hier ook type van Gods gemeente. Als Aaron hier een type is van Christus, dan is zijn familie beeld van Zijn lichaam. De priesters zijn dan ook in verbinding met Aaron beeld van Gods gemeente, die een gebracht offer in herinnering brengt en ter plaatse waar men tot God kan naderen aanbiedt. Gij begrijpt toch de bedoeling? Laten we het dan nog nader toelichten. Gods gemeente mag tot God naderen met Christus als brandoffer, komen in Zijne tegenwoordigheid om het den Vader voor te stellen. Heere, hier is Uw welbehagen, Uw Eenige, dien gij liefhebt; hij is ook de onze. Wij bieden U Hem aan; wij naderen in Hem tot U, en mogen ervaren, dat wij U behagen in Hem. Zoo wordt ons beduidt de geloofswerkzaamheid met Christus voor het aangezicht Gods. Gods gemeente gaat in door de kracht des Heiligen Geestes in de volbrachte overgave van Christus aan God. Het is dus hier niet zooals bij het schuldoffer, waar een overtuigd zondaar de waardij en de kracht van het bloed erkent en vrede ervaart voor zijne ziel. In de zonen van Aaron hebben wij niet het beeld van overtuigde zondaren, maar van aanbiddende heiligen. Wilt gij daarop wel letten en u afvragen of gij deze werkzaamheid met Christus kent? In onze duistere dagen ontbreekt dit onderscheidend licht maar al te zeer, omtrent Christus en Zijn werk. En toch, onze zaligheid neemt toe naarmate wij meer leeren wat Christus is voor God. Als priesters hebben zij met het brandoffer te doen; zalig wie aldus den linnen lijfrok mag dragen.
Velen denken, dat aanbiddende menschen te hooge menschen zijn. Niets is minder waar. Hoe meer wij van Christus kennen, hoe dieper wij vernederd zijn. De dwaling is zeer gangbaar, dat een nedergebogen mensch de diepst ontdekte mensch is. Neen, neen, als we neerstorten ter aarde, dan zullen wij ook hooren: dochter Sions, sta op, uwe zonden zijn u vergeven. Dan leeren wij zingen: Wij steken het hoofd omhoog en zullen de eerkroon dragen. Dan juist leeren wij diep te buigen: Ik zal mij buigen op Uw eisch!
Buigen naar het paleis van Gods heiligheid!
Zie, wij zijn tot deze zalige bezigheid met Christus als ons brandoffer uitgenoodigd door de gunst des Vaders, en in staat gesteld door het bloed van Christus, door den Heiligen Geest.
Zoo staan wij dan hier bij de Tent der samenkomst niet meer als schuldige zondaren, maar als aanbiddende priesters, gekleed met sierlijke en heerlijke kleederen. Gave de Heere, dat velen zóó den Christus leerden kennen. Maar... dan moet ge eerst van beneden naar boven door de offerij heen! In al die offers wordt Christus als het ware ontleed in alle deelen van zijn Middelaarswerk en beteekenis.
Het ware te wenschen, dat menigeen leerde, dat hij door enkel met zijn schuld bezig te zijn in de tegenwoordigheid Gods, geen ootmoed aan den dag legt, maar ongeloof jegens het gebrachte offer.
In het brandoffer zie ik en geniet ik de verzoening naar den maatstaf van Christus' gewilligheid en Gods welgevallen daarin. Laat toch het priesterlijk volk zich ten allen dage hier mede bezig houden. Wie den Zoon eert, zal van den Vader geliefd worden. Wat doet ge daar? Wat ik doe? Het brandoffer, mijn zoeten Heere Jezus den Vader voorstellen door bediening des Geestes in mijn hart.
Wat gaat er nu verder gebeuren met het brandoffer?

Dan zal hij het brandoffer de huid aftrekken en het in zijne stukken deelen. (vs. 6).
Dus, nu gaan we bezien wat, nadat met het bloed gehandeld is, met het offerdier gebeurt. Eerst moet de priester de huid aftrekken. Deze huid was voor den priester bestemd. Ook de priester, die iemands brandoffer offert, die priester zal de huid des brandoffers hebben, dat hij geofferd heeft. (Lev. 7 : 8 ). In den voorhof stonden acht steenen pilaren, ieder voorzien van drie ijzeren haken om de huid af te trekken.
Deze handeling van het aftrekken der huid was eene plechtige en beteekenisvolle. Zoo werd alle uitwendige bedekking weggenomen en het vleesch, het innerlijke, ontbloot. Alle verborgen deelen van het offerdier moeten worden ontbloot, opdat elke spier en zenuw gezien worde. Juist bij het brandoffer wordt hiervan zoo uitvoerig gesproken. Ach ja, om in het beeld te blijven, hoeveier Christus-prediking is bedekking van Christus inplaats van het aftrekken der huid en het bloot leggen van den inwendigen rijkdom van Immanël. De verborgenheid van Christus wordt niet ontdekt. Daarom hebben wij van noode den Geest der openbaring in Zijne kennis. De diepte der overgave van Christus moet worden gepeild en naar die mate neemt de wijding in kracht toe. De priester moet het offer deelen in zijne stukken. Hij moet dat doen met kennis van zaken, want een goed priester is een goed slachter. Als een leek een beest in stukken snijdt, zal de slager van beroep u dat aanstonds zeggen. W a n t hij kent de deelen en hare verbinding onderling. Bij het spijsoffer hebben wij een soortgelijke waaarheid in de fijn gestooten welriekende specerijen. (Lev. 16 : 12).
Het is den Heiligen Geest aangenaam het brandoffer in Zijne deelen te laten zien als Gode aangenaam. Als kindeke in de kribbe; in de armen van Simeon; als twaalfjarige knaap in den tempel met zijn: Wist gij niet, dat ik moest zijn in de dingen mijns Vaders, op de lippen. Wandelende op de zee en predikend op den berg; op de bruiloft en slapende op een oorkussen op het achterdek van een schip. De Heilige Geest teekent Hem ons van krib tot kruis, tot in het graf. Ja, Hij heeft Gode altijd, overal en in alles behaagd. Heere, leer mij er iets van verstaan, steeds meer en beoefenen om met U als mijn eenig brandoffer Gode te behagen.

Ik zal het brandaltaar doen rooken
Van 't edelst' vee uit kooi en stal;
Zoo worden vet en merg ontstoken,
Bij 't lieflijk rijzend lofgeschal.
Het reukwerk zal zijn geur verspreiden,
Daar ram bij ram wordt aangebracht;
'k Zal bok en rund ten offer leiden,
Opdat men z' U ter eere slacht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 10 juli 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Het Brandoffer II.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 10 juli 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken