Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

In strijd met Gods Woord II.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

In strijd met Gods Woord II.

12 minuten leestijd

Uit het Oude Testament blijkt dus duidelijk, dat het verbond en het teeken des verbonds zich uitstrekken over gebieden, die elkander niet congruent dekken. Uit Ismaël stammen zelfs „twaalf vorsten naar hunne volken", Gen. 25 : 16, die allen, als uit Abraham gesproten, het bondsteeken hebben, maar Israël is onder al die volken drager van het verbondsteeken niet alleen, maar ook van het verbond. Daarvoor is Israël het uitverkoien volk. Welke volkeren ook uit Abraham zijn voortgekomen en de besnijdenis krachtens hunnen oorsprong hebben, in Israël, het uitverkoren volk, wordt alleen het verbond in zijn wezenlijke kracht voortgezet. De andere volken mogen er uitwendige, stoffelijke zegeningen uit verkregen hebben, de zaligmakende verbondsvrucht hadden zij niet.
Het wezenlijke des verbonds hangt dus saam met Israëls verkiezing. Het uitverkoren Israël is drager van het verbond en de verbondsbelofte. Het bewustzijn der bondsbetrekking tusschen God en Israël heeft in Israëls geschiedenis eene albeheerschende functie. De bondsidee vindt in Israëls godsdienstig leven hare volle ontplooiing. Het volk is Gods eigendom en heel de wetgeving is bondswet. En het volk weet het, is er zelfs trotsch op, dat deze bondsbetrekking met de Vaderen is gesloten.
Zelfs is het zóó, dat deze betrekking reeds gegeven werd in de schepping, want de Sabbath is teeken des verbonds tusschen God en Israël. En op den Sinaï is, dank zij Gods verbond, het volk als geheel in die bijzondere betrekking gesteld. God had elk andrr volk kunnen nemen, want de gansche aarde was Godes, doch uit alle volken, ook al stamden zij uit Abraham, geldt alleen van Israël: „Gij zult mijn eigendom zijn, een priesterlijk koninkrijk, een heilig volk". Het was de uitverkorene Gods en daarom drager des verbonds, en heeft de Heere zich onder Israël woning gemaakt, is Israël Gods erfdeel, Zijn eigendom uit alle volkeren.
Dat in Israëls \erkiezing het verbond vast ligt, dat kan niemand ontkennen, die ook maar iets van Israëls godsdienst heeft bestudeerd. Het zal geen andere goden voor Gods aangezicht hebben. Die verbondsbetrekking is versmolten met Israëls leven, zoociat het zelfs een knecht Gods zich weet. Alle andere uit Abraham stammende volken hebben nog wel het teeken, maar Israël heeft alleen met het teeken het verbond. Dit is de oorzaak van Israëls eenige plaats in de wereld der volken, ook de grond van Israëls lijden. En daarin zien wij nu weer precies hetzelfde als bij Abraham, die eerst verkoren wordt en geroepen en daarna met het verbond wordt gezegend. Israël is eerst verkoren, daarna en daarom drager des verbonds. God heiligt Zich in het verbond een uitverkoren volk.
Laat ons nu zien, hoe de Heere Jezus daarover het licht laat opgaan en dan zal het ons duidelijk zijn, dat ook Hij in dat uitverkoren volk dezelfde grenzen trekt, die met betrekking tot Israël onder Abrahams geslacht getrokken werden. Aan Abrahams geslacht is het verbond en het teeken des verbonds bereid, doch waar ook dat teeken over Israëlieten en anderen zich uitstrekt, het verbond loopt slechts over de uitverkorenen, over Izak, Jacob en zijne zonen. Het is bekend, dat de Joden er zeer trotsch op waren, dat hunner, als Abrahams kinderen, hel verbond is. En dan leert ons de Schrift, dat dezelfde bezwaren, waarmede Ds. Woelderink nu komt aandragen, door den Heere Jezus met kracht worden afgewezen.
De Heere Jezus predikt den Pharizeën Zichzelven als den van den Vader ge jonden Middelaar. Zoo willen en kunnen de Joden Hem niet kennen. De verlossing, die in Hem is, de vrijmakende daad kunnen zij niet aanvaarden. En dan wijst Hij hen op het verbond Gods met Abraham. „Ik weet", zegt Hij, „dat gij Abrahams zaad zijt." Doch Hij zegt hun ook, dat zij wel het verbondsteeken als Abrahams kinderen hebben, maar dat zij toch het wezen des verbonds missen, want zij zoeken Hem te dooden. Zijn Woord heeft in hen geene plaats. Zij zijn wel Abrahams kinderen, maar zij missen Abrahams werken. Zij hebben ni.;t de waarheid, want daaraan zijn zij zoo vijandig, dat wie hun deze zegt, dien zoeken zij te dooden. Doch zij zijn vol trotsch op hun afkomst, op het verbond, op het teeken des verbonds, ja, zij gronden daarop zelfs de vrijmoedigheid te zegoen, dat God hun Vader is. Dat gaat dus zeer ver. En Jezus zegt: „Indien God uw Vader ware, zoo zoudt gij mij liefhebben." Doch zij kennen Zijne sprake niet, kunnen zelfs Zijn Woord niet hooren. Wat nog meer zegt? Deze bondelingen, die het teeken des verbonds hebben, die zich er op beroemen uit Abraham te stammen en zelfs dat God hun Vader is, moeten van Jezus hooren: „Gij zijt uit den vader den duivel." Tegenover dat verbond met Abraham, waarop de Joden steunen, stelt nu Jezus het wezen des verbonds: „Die uit God is, hoort de woorden Gods en daarom hoort gijlieden niet, omdat gij uit God niet zijt." Uit God zijn. Dat is hij, die Zijn Woord bewaart, want die zal den dood niet zien in der eeuwigheid. Daar is dus wederom het verbond gelegd in de verkiezende daad, die in de wedergeboorte openbaar wordt: die uit Gods is, hoort de woorden Gods, staat dus in het verbond.
Zoo is er dus ook in het Nieuwe Testament hetzelfde op te merken, waarop ook het Oude reeds nadruk heeft gelegd in de Wet: „Besnijdt de voorhuid uws harten en verhardt uwen nek niet meer." Zonder de beteekenende zaak kan er wel het uitwendige teeken zijn en ligt daarin eene blijvende vermaning. Doch het uitwendig teeken is niet de beteekenende zaak. Zoo zegt ook Jeremia: „besnijdt u den Heere en doet weg de voorhuiden uwer harten, gij mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem." Daarop wijst Jezus de zich op hun afkomst van Abraham beroemende Joden. En zoo blijkt dus, dat ook voor Jezus het teeken des verbonds alleen zaligmakende beteekenis heeft, wanneer het innerlijke leven daaraan beantwoordt. En dit is slechts het geval bij Gods uitverkoren volk, want dat is uit God en hoort de woorden Gods.
En nog klaarder wordt dat onderscheid, die incongruentie tusschen het gebied van het teeken en het wezen des verbonds door den apostel Paulus in het licht gesteld. Zooals Calvijn van Jezus zegt, dat Hij ,,de gedegenereerde zonen" Abrahams van de wettige kinderen onderscheidde en een vleeschelijk geslacht niet meer verklaart te zijn, ondanks besnijdenis en doop. dan „mera larva", een louter spooksel, zoo trekt ook de apostel Paulus scherp de grens tusschen teeken en beteekenende zaak. In Rom. 9 stelt hij de hardnekkigheid der Joden tegen Christus in het licht. Hij wijst er op, hoe Christus uit de Joden is, zooveel het vleesch aangaat. Doch hij zegt dit niet, alsof het Woord Gods ware uitgevallen. Men mag niet denken, dat Gods belofte gefaald heeft, die Hij aan Abraham gedaan heeft. En om dit dan toe te lichten, gaat de apostel Paulus, wederom lijnrecht in strijd met Ds. Woelderink, wijzen op de verkiezing als den grond des verbonds en voegt er aan toe: „want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn." Zij zijn wel allen besneden, maar niet allen waarlijk in het verbond, wel uiterlijk, maar niet innerlijk.
Het is dan ook afdoende Calvijn over deze plaats te hooren (Ed. Schippers, T. VII. fol. 62, 63): „De belofte des heils aan Abraham gegeven, heeft betrekking op allen, die naar den vleesche van hem afstammen, omdat zij allen zonder onderscheid wordt aangeboden. Zoo kan gesproken worden van erfgenamen en opvolgers van een verbond met Abraham gesloten of van kinderen der belofte. Zoo wilde ook God niet minder Zijn verbond aan Israël en Ezau verzegelen dan aan Izak en Jacob. Anders zou de besnijdenis waardeloos geweest zijn en dat zou zonder Hem te smaden van God niet gezegd kunnen worden. Hunner waren de verbonden, ondanks hun ongeloof. Maar daartegenover staat, dat eigenlijk slechts zonen der belofte kunnen genoemd worden, in welken de „virtus et efficacia", de eigenlijke kracht en de daadwerkelijkheid des verbonds zich gelden doet. Dan loochent Paulus, dat alle kinderen Abrahams Gods kinderen zijn, ook al heeft de Heere een verbond met hen aangegaan, omdat slechts weinigen stonden „in fide testamenti", in het verbondsgeloof. Waar als geheel beschouwd, het volk genoemd wordt: Gods erfenis en bezitting, beteekent zulks, dat het door den Heere ic „cooptatum", dus bijgekozen, voor zoover de belofte des heils is aangeboden, die bevestigd wordt door het teeken der besnijdenis. Maar omdat velen hunner door ondankbaarheid deze aanneming verwerpen, van de weldaad niet genieten, is er dus een onderscheid tusschen hen met betrekking tot de belofte in hare vervulling. Daar er bij de meeste Joden van die vervulling niet blijkt, ontkent Paulus, dat zij „in vera electione Dei", in de ware verkiezing Gods besloten zijn. De algemeene verkiezing van Israël verhindert niet, dat God zich naar Zijn verborgen Raad afzondert, wie Hij wil. Dit toch is een heerlijk spiegelbeeld Zijner ongehoudene barmhartigheid, dat God Zich verwaardigd heeft met een volk een levensverbond te sluiten, maar verre daarboven uit gaat nog de meer verborgen genade in de tweede verkiezing, die alleen tot een deel wordt beperkt. Paulus is er op uit te toonen, hoe Gods verborgen verkiezing de uitwendige roeping (externa vocatio) te boven gaat."
Aan deze verklaring van Calvijn behoeft niets te worden toegevoegd. Zij laat ons zien, dat Ds. Woelderink met den apostel Paulus en met Calvijn's uitlegging daarvan in lijnrechten strijd is. Calvijn leert, dat God door een singulier privilege bepaalde menschen uit het uitverkoren volk heeft uitverkoren, in welken de algemeene aanneming „efficax et rata", krachtdadig en geldig wordt.
Ik zou het hierbij kunnen laten, want de Schrift is in dit opzicht duidelijk en klaar. En wie nu verder in Rom. 9 leest, die ziet daarin onbetwistbaar zeker zich voorgesteld, dat er van een verbond, dat los staat van de verkiezing, geene sprake is.
En zoo blijft nu de vraag, hoe dan toch Ds. Woelderink er toe komt, zich te stellen tegenover de duidelijke uitspraken van Gods Woord, tegenover onze beste Godgeleerden en tegenover de Belijdenisschriften onzer Kerk? Blijkbaar begrijpt hij de dingen, waarover hij schrijft, niet. Hij staat voor de verkiezing, voor de roeping, voor het verbond, voor het stuk der Kerk en dus ook voor de sacramenten, met beschouwingen, die duidelijk de kenteekenen dragen van anderen dan gereformeerden oorsprong. Zelve schrijft hij het volgende, waarin hij, natuurlijk zonder het te willen, laat zien, waar het bij hem hapert. Zoo zegt hij: ,,Wij erkennen gaarne, dat wie verstandelijk van de leer der verkiezing uitgaat en vandaar voortredeneerende tot een sluitend systeem wenscht te komen, als van zelf tot dergelijke constructie komen moet. Maar men vergete niet, dat men dan in de uitwerking van het theologisch systeem de rede des menschen oppermachtig verklaart en de gevolgtrekking dier rede verheft boven het geopenbaarde Woord des Heeren.."
In deze woorden geeft ons Ds. Woelderink het uitgangspunt zijner dwaalleer. Ik zal niet ontkennen, dat men de rede boven Gods Woord stellen kan, God en Zijne werken tot begrippen maken kan. Doch dit gebeurt zeker niet door Calvijn en is ook bij onze Vaderen uit den goeden tijd niet het geval. En bij de goede schrijvers, die onder ons volk gelezen worden, ook niet het geval. Het ligt echter voor de hand, dat zulks niet beteekent, dat zij hunne rede niet gebruiken. Een mensch kan nu eenmaal niet denken zonder rede,, zelfs Ds. Woelderink niet. Het is alleen maar de vraag, wat het licht is, waaronder die rede hare functie vervult en waaraan zij haar redearbeid voltrekt.
En nu staat het bij de goede gereformeerden, als Calvijn en zijne school zóó, dat zij, zooals ik in den aanvang opmerkte, in het licht van Gods souvereiniteit staan, krachtens wedergeboorte Gods Koninkrijk zien in en over alle dingen, doch van zelf sprekend in de eerste plaats in Gods Woord, waaruit zij leven. Zij zien dus ook in de leer alles onder het eeuwig licht van Gods souvereiniteit en gaan daarom bij alles uit van die souvereiniteit en als het aankomt op zaken als: roeping. Kerk en dus ook bij het verbond daarvan uit. Dat kunnen zij op grond van Gods werk der genade niet anders. De Schrift ging hen daarin voor, want zooals aan Israël de woorden Gods zijn toebetrouwd, zoo is het met het gansche Woord Gods. gelijk wij dit hebben; het is aan Gods Kerk toebetrouwd, staat dus in het licht der verkiezing. De brieven van den apostel Paulus, Petrus, enz. richten zij aan de geroepen heiligen, aan de uitverkorenen naar de voorkennis Gods des Vaders, enz. En de Heere Jezus zelve zegt in het hoogepriesterlijk gebed, als Hij het werk voleindigd heeft, dat de Vader Hem te doen gegeven heeft: ,,Ik heb Uwen Naam geopenbaard den menschen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Ik bid voor hen, ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij mij gegeven hebt." Zoo stelt Hij Zijn eigen werk in het licht van het eeuwig verbond, dat in de verkiezing van den Middelaar zeiven gegrond is.
En nu leeren ons de woorden van Ds. Woelderink, dat hij Schrift en belijdenis bij dat licht van Gods souvereine genade niet ziet. Welnu, zoowel de Kerk gelijk zij in de belijdenis, in de Catechismus en ook in onze formulieren, met name van Doop en Avondmaal, ons wordt voorgesteld, is de uitverkoren Kerk des Heeren en in die uitverkoren Kerk zijn zij volkomen op hunne plaats. De Vaderen noemden dan ook de verkiezing het hart der Kerk. Doch het Remonstrantisme van Ds. Woelderink is oorzaak, dat hij uit dat beginsel de vragen niet kan zien en als alle Remonstranten zoekt hij nu allerlei uitwegen, die alle faliekant moeten uitkomen, omdat zij ingaan tegen Gods Woord.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 10 juli 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

In strijd met Gods Woord II.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 10 juli 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken