Bekijk het origineel

Het dogma in Artikel 36 XII.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het dogma in Artikel 36 XII.

Gods souvereiniteit en de machtsmiddelen der overheid.

11 minuten leestijd

Rom. 13 : 4. Want zij is Gods dienaresse, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zoo vrees: want zij draagt het zwaard niet te vergeefs, want zij is Gods dienaresse, eene wreekster tot straf dergenen, die kwaad doen.

In Gods Woord wordt ons de menschheid onder de macht der zonde, als tegen God in opstand, als eene revolutionaire menschheid voorgesteld, waarmede God worstelt als om ten laatste, wanneer Hij de overwinning wegdraagt, uit haar te doen opkomen het nieuw Jeruzalem, dat nederdaalt van God uit den hemel, de stad, die zon noch maan behoeft, omdat de heerlijkheid Gods haar verlicht. De gang der eeuwen leidt tot de openbaring dier heerlijkheid, maar gaat door het donkere dal der oordeelen Gods over die weerbarstige menschheid, die weigert Hem als haren Koning te erkennen en te eeren. De geschiedenis verschijnt dan ook als een Godsgericht, dat over de zonde der menschheid gaat. En de Heilige Geest teekent dat Godsoordeel met de schelste kleuren om ons het vreeselijke van den zondestaat te doen beseffen. En de beelden, waarvan Hij zich bedient om ons dit drama van Gods recht af te malen zijn nu eens ontleend aan geweldige natuurverschijnselen, als wanneer de psalmist als de banden des doods hem omvangen en het hem bang te moede werd, tot den Heere riep. En als God dan hoort uit Zijn paleis, dan daverde en beefde de aarde en de gronden der bergen beroerden zich, omdat Hij ontstoken was. En in schoone poëtische taal schildert hij dan de duisternis der verberging Gods, duisternis der wateren, wolken des hemels, hoe de hagel klettert en de Heere dondert in den hemel, de bliksemen vermenigvuldigen, de diepe kolken der wateren beroerd worden, de gronden der wereld ontdekt worden. Zoo bezingt de dichter zijne verlossing en Gods oordeelen over zijne vijanden. Want Hij verlost het bedrukte volk, maar de hooge oogen vernedert Hij. De verlossingen Zijns Konings maakt Hij groot. Zoo schildert dus de Heilige Geest de machtige natuurtooneelen om Gods geestelijk werk ons voor te stellen.
Doch Hij wordt ook ons bezongen als gewapend met de machtsmiddelen, die in de samenleving der menschen de bloedige straffen voltrekken, of, wanneer volken over volken komen op vreeselijke wijze, meedoogenloos worden voltrokken door het vergieten van stroomen bloeds. Zoo zegt Psalm 7:12: God is een rechtvaardig rechter en een God, die te allen dage toornt. En dan stelt hij ons den geweldenaar voor, den geest, die zijn zwaard zal wetten, zijn boog spannen, doodelijke krijgswapenen voor zich gereed maakt. En zoo bidt David in Psalm 17, Gods reddende daden in tegen de goddeloozen als roept hij een krijgsman te wapen: Sta op, Heere! kom zijn aangezicht voor, vel hem neder, bevrijd mijne ziel met Uw zwaard van den goddelooze. Gods zwaard wordt hem het beeld om Gods oordeelen te teekenen in hunne vreeselijke uitwerking. Zoo zegt Jesaja (34:5): Want mijn zwaard is dronken geworden in den hemel. Ziet, het zal ten oordeel nederdalen op Edom en op het volk, hetwelk Ik verbannen heb. Zoo wordt dus het zwaard het beeld van Gods straffende gerechtigheid. En als deze wordt voltrokken, dan zegt diezelfde Jesaja: ,,Het zwaard des Heeren is vol van bloed."
Zoo blijkt dus het zwaard in de Schrift een beeld van de voltrekking van Gods recht over de ongerechtigheid van hen, die zich stellen tegen den Almachtige, tegen Zijn volk, die zich vergrijpen aan Zijne ordinantiën en den toorn des Heeren ervaren moeten. En deze openbaring van Zijnen toorn is dus als de voltrekking van het strafrecht Gods over de misdaden door personen of volken bedreven, als Hij, naar het gebed van den Psalmdichter, ..Gij, rechter der aarde! verhef U", vergelding wederbrengt over de hoovaardigen. Zoo is dus Gods zwaard het beeld van het vonnis, dat Hij voltrekt over de zondaren, omdat Zijn goddelijk recht geschonden, Zijne heilige Wet overtreden of ook Zijn volk gekrenkt werd door den vijand. Eerst is het recht in Gods bestel en uit Hem daalt het in Zijne oordeelen af tot de zondaren. En als middelaar voor die rechtsvoltrekking is nu naar Zijn goddelijke Wijsheid de Overheid ingesteld. Zooals de Spreukendichter het ons leerde dat door die Wijsheid de koningen regeeren en de vorsten gerechtigheid stellen, de heerschers heerschen en de prinsen, al de rechters der aarde. Van deze allen bedient Zich de Almachtige, souvereine God om in eene wereld, die in het booze ligt, gerechtigheid te onderhouden en daardoor eene menschelijke samenleving mogelijk te maken. Want deze overheden, waar en hoe zij ook mogen zijn, worden door Hem verwekt, opdat zij dienen zullen in de volbrenging van Zijnen Raad. Daarom als de apostel Paulus de gemeente te Rome over de Overheid onderwijs geeft, leert welke de verhouding van den Christen tot die Overheid zijn zal, dan stelt hij aan de gemeente het wezen der Overheid voor, want daaruit volgt haar gezag en haar taak, maar ook hoe de Christen zich tegenover haar gedragen zal. En dat wezen dezer Overheid wordt nu aldus omschreven: ,,Want zij is Gods dienaresse." Er staat letterlijk: ..zij is Gods diaken", waardoor wordt uitgedrukt de dienst, die zij heeft te bewijzen, zooals een tafelbediende heeft acht te geven op wat de gasten behoeven en zijn oog over allen heeft te laten gaan. De Psalmist zegt: Zie, gelijk de oogen der knechten zijn op de hand hunner heeren, gelijk de oogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw. Zoo is de Overheid geroepen als dienaresse Gods. God bedient Zich van de Overheid om Zijn werk der gerechtigheid te doen, opdat Hij met die wereld Zijne goddelijke doeleinden bereiken zal.
Daarom is zij er tevens ten bate der menschheid en dus ook ten bate van Gods uitverkoren Kerk. ,,U ten goede", zegt hij. Doch zooals het recht eenerzijds het goede handhaaft, zoo is datzelfde recht voor de overtreders de oorzaak van vreeze. Want de Overheid, die Gods recht handhaaft, draagt ook Gods zwaard, voert uit den eisch der gerechtigheid, brengt dus ook de straf, die in en met dat recht Gods gegeven is. Gods toorn, Gods oordeel voltrekt zij. En zooals de Heere dat zwaard des rechts in Zijne oordeelen ontbloot, zoo heeft nu ook de Overheid haar zwaard, dat als een verlengstuk is van Gods zwaard. En zooals het zwaard doodt, zoo heeft ook de Overheid het recht over leven en dood. En zooals in dat zwaard Gods ook begrepen zijn alle oordeelen en straffen, zoo is dat zelfde ook besloten in de tucht, die van de Overheid uitgaat.
De Overheid is dus Gods dienaresse, heeft dien ten gevolge ook de machtsmiddelen noodig, die haar in staat stellen hare taak te volbrengen. Deze machtsmiddelen zijn des vereischt van gewelddadigen aard. Daarom wordt juist gesproken van het zwaard als van het uiterste, laatste geweldmiddel, waarvan zij zich heeft te bedienen. Met het zwaard behoort althans de grootste misdaad gestraft te kunnen worden. De halsmisdaad is het grootste vergrijp aan de rechtsorde Gods. W i e des menschen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mensch vergoten worden. Daartoe beschikt de Overheid en moet zij beschikken over het zwaard om daardoor de halsmisdaad te kunnen straffen. Dat laatste en vreeselijkste strafmiddel wordt dus genoemd om daardoor alle bevoegdheid niet alleen, maar overheidsplicht tot het straffen der misdaden aan te duiden. Het zwaard, dat de scherprechter oudtijds gebruikte is het symbool, waarvan ook de apostel Paulus zich hier bedient, om ons het recht der Overheid over leven en dood voor te stellen. Dat recht heeft zij dus van God ontvangen en zij mag er dien ten gevolge geen afstand van doen. Wat ten onzent en in enkele landen met de afschaffing der doodstraf geschied is, staat in het wezen der zaak gelijk met de weigering om in het strafrecht over de geweldmiddelen te beschikken, die God verordend heeft. Zij deed daardoor niet slechts afstand van een rechtsmiddel, maar ook van een haar van Godswege verordend wapen, opdat zij in staat zou zijn haren overheidsplicht te volbrengen. Zoo is dus daarin eigenlijk eene zelfverminking van de overheidsmacht, die daarom des te onaangenamer aandoet, wijl diezelfde Overheid. die het van God verordineerde wapen alfegt in de rechtsorde, toch een recht over leven en dood behoudt buiten het recht om. Want als oproer of verzet dreigt, dan past zij zonder vorm van proces dat recht toe en vallen vaak onschuldigen onder overheidshand.
Van dat recht over leven en dood in den ruimsten zin kan de Overheid niet afstaan. Als zij ook daarvan afstand doet, dan heeft zij als Overheid afgedaan, wordt zij overwonnen door de revolutionaire machten en verdwijnt de wettige Overheid voor het geweld der misdaad. In de geschiedenis zijn daarvan vele voorbeelden. Telkens komt zulks voor, als het gezag der Overheid reeds lang ondermijnd was en eene groote omkeering in het sociale leven zich voltrekt. De geschiedenis der revoluties leert het, zelfs die in ons eigen vaderland. Als de Stadhouder Nederlands grondgebied verlaat om naar Engeland over te steken op den 18en Januari 1795, dan was dit een bewijs van de ineenstorting der regeermacht van eene Overheid, die sinds een aantal jaren reeds hare positie had zien ondermijnen. Dan staat zij af van hare rechten en van hare plichten beide en is zij gedoemd tot den ondergang door de revolutionaire bewegingen, die haar boven het hoofd zijn gegroeid. Doch daaruit blijkt dan ook. dat zij voor dezen reeds was te kort geschoten in de handhaving van haar gezag, zooals het volk tekort geschoten was in den eerbied en de gehoorzaamheid, die het zijne regeering schuldig is. De verwordingen in het volksleven, de zedelijke inzinking, hangen saam met de geestelijke ontwikkeling. En wanneer de Overheid uit dit oogpunt haar roeping verzuimt, dan eindigt zulk een afdoling met de aantasting van het overheidsgezag zelf.
De Overheid heeft dus van Godswege machtsmiddelen ontvangen, opdat zij hare plichten zal kunnen volbrengen. En deze machtsmiddelen, die haar in staat stellen het recht te handhaven, worden nu in Gods Woord met ,,het zwaard" genoemd. Daarop kan ten laatste het recht der Overheid uitloopen, dat zij het zwaard hanteeren moet. Zoover gaat haar recht, omdat God haar het recht over leven en dood in de hand heeft gelegd. Maar dan mag zij. zooals ten onzent onder revolutionaire gevoeligheid geschied is, van dat recht nimmer aflaten.
Doch daarnaast staat nu ook, dat die Overheid hare machtsmiddelen niet alleen heeft om het recht te handhaven in het maatschappelijk leven des volks, maar evenzeer de machtsmiddelen moet bezitten om te midden van de wereld der volken het recht voor haar volk te handhaven. Wanneer de apostel. 1 Tim. 2 : 2, vermaant tot smeeking. gebed en voorbede, mitsgaders dankzegging voor alle menschen, namelijk: voor koningen en allen, die in hoogheid zijn, dan noemt hij als het doel daarvan: ,.opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid. Dat zou niet mogelijk zijn, als de innerlijke vrede niet bewaard werd, maar dat is ook niet mogelijk, wanneer van buitenaf booze macht den volksvrede stoort. Dus behoort de Overheid, zal zij hare taak kunnen volbrengen, ook de machtsmiddelen te bezitten om den vijand, die van buitenaf dreigt binnen te dringen, met hare machtsmiddelen te keeren. Gods Woord keert zich tegen het hedendaagsche anarchistisch voelende en wezenlijk naar het communisme neigende antimilitarisme. Dit werd geboren uit eene miskenning van het Evangelie naar den trant der vroegere anabaptisten, die meenden, dat men den hemel op deze aarde kon doen komen en algeheel valsche voorstellingen hadden aangaande den Heiligen Geest, Wiens werking zij hadden losgemaakt van Gods Woord. Zoo leefden zij met een geest, dien zij heilig noemden en die wezenlijk slechts hunne eigene goddelooze geest was. Diezelfde dwaling ligt ten grondslag aan al die geestelijke stroomingen dezes tijds, die met vroom gebaar zich op de bergrede meenen te kunnen gronden, als ware deze een wet voor de volkeren eener wereld, die in het booze ligt, in stede van de teekening der levensverhoudingen in het Koninkrijk Gods. In Gods Kerk zal het zoo waarlijk zijn, maar in deze wereld der zonde kan het zoo niet zijn en is het zóó niet. En daarom juist heeft de Heere in Zijne goddelijke Wijsheid de koningen gegeven en de vorsten, opdat zij de gerechtigheid zouden bestellen. Daarom gaf hij de heerschers en de prinsen en alle rechters der aarde, om alzoo in de wereld onder de macht der zonde het gemeenschapsleven mogelijk te maken. En zoo is dus onze Belijdenis conform den Woorde Gods, wanneer zij het uitspreekt, dat alles met goede ordinantie onder de menschen toegaan zal en dat Hij daarom de Overheid het zwaard in handen heeft gegeven tot straffe der boozen en tot bescherming der vromen. Doch mogen de menschen haar dat zwaard niet uit de hand nemen, dat zij van God ontving.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 juli 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Het dogma in Artikel 36 XII.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 juli 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken