Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het zondoffer II.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het zondoffer II.

Leviticus 4 en 5 vss. 1 —13.

25 minuten leestijd

Leviticus 4. Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Als eene ziel zal gezondigd hebben door afdwaling van eenige geboden des Heeren, dat niet zoude gedaan worden, en tegen een van die zal gedaan hebben; indien de Priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben tot schuld des volks, zoo zal hij voor zijne zonde die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, den Heere ten zondoffer; en hij zal dien var brengen tot de deur van de Tent der samenkomst, voor het aangesticht des Heeren; en hij zal zijne hand op het hoofd van dien var leggen, en hij zal dien var slachten voor het aangezicht des Heeren. Daarna zal de gezalfde Priester van het bloed des varren nemen, en hij zal dat tot de Tent der samenkomst brengen; en de Priester zal zijnen vinger in dat bloed doopen, en van dat bloed zal hij zevenmaal sprengen voor het aangezicht des Heeren, vóór den voorhang van het heilige. Ook zal de Priester van dat bloed doen op de hoornen van het reukaltaar der welriekende specerijen, voor het aangezicht des Heeren, die in de Tent der samenkomst is; dan zal hij al het bloed des varren uitgieten aan den bodem van het altaar des brandoffers, hetwelk is aan de deur van de Tent der samenkomst. Voorts al het vet van den var des zondoffers zal hij daarvan opnemen; het vet bedekkende het ingewand, en al het vet dat aan het ingewand is; daartoe de twee nieren, en het vet dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is, en het net over de lever, met de nieren, dat zal hij afnemen, gelijk als het van den os des dankoffers opgenomen wordt; en de Priester zal die aansteken op het altaar des brandoffers. Maar de huid van dien var, en al zijn vleesch, met zijn hoofd, en met zijne schenkelen, en zijn ingewand, en zijn mest, en dien geheelen var zal hij tot buiten het leger uitvoeren, aan eene reine plaats, waar men de asch uitstort, en zal hem met vuur op het hout verbranden; bij de uitgegoten asch zal hij verbrand worden. Indien nu de geheele vergadering Israëls afgedwaald zal zijn, en de zaak voor de oogen der gemeente verborgen is, en zij iets gedaan zullen hebben tegen eenige van alle geboden des Heeren dat niet zoude gedaan worden, en zijn schuldig geworden, en die zonde, die zij daartegen gezondigd zullen hebben, bekend is geworden: zoo zal de gemeente een var, een jong rund, ten zondoffer offeren, en dien vóór de Tent der samenkomst brengen; en de oudsten der vergadering zullen hunne handen op het hoofd des varren voor het aangezicht des Heeren leggen, en hij zal den var slachten voor het aangezicht des Heeren. Daarna zal de gezalfde Priester van liet bloed des varren tot de Tent der samenkomst brengen; en de Priester zal zijnen vinger indoopen, nemende van dat bloed; en hij zal zevenmaal sprengen voor het aangezicht des Heeren, vóór den voorhang. En van dat bloed zal hij doen op de hoornen des altaars dat voor het aangezicht des Heeren is. dat in de Tent des samenkomst is; dan zal hij al het bloed uitgieten aan den bodem van het altaar des brandoffers, hetwelk is vóór de deur van de Tent der samenkomst. Daartoe zal hij al zijn vet van hem opnemen en op het altaar aansteken...... en vervolgens.

De handelingen met het bloed.
Wij hebben stilgestaan bij de slachting van het zondoffer. Thans gaan wij bezien de handelingen met het bloed door de priesterschap. Ook dat is weer van hoog belang. Zeg niet, herhaling, wij hebben daar al genoeg van gehoord. Eeuwig klinkt het lied der verlosten: Gij zijt geslacht en hebt ons Gods gekocht met U w bloed. Nooit oud wordt dit lied der zaligen. Deze toon kan nooit worden gemist.
Luister naar hetgeen de Schrift ons leert van de handelingen met het bloed bij het zondoffer.
„Daarna zal de gezalfde priester van het bloed des varren nemen en hij zal dat tot de Tent der samenkomst brengen en de priester zal zijnen vinger in dat bloed doopen en van dat bloed zal hij zevenmaal sprengen voor het aangezicht des Heeren, vóór den voorhang van het heilige. Ook zal de priester van dat bloed doen op de hoornen van het reukaltaar der welriekende specerijen voor het aangezicht des Heeren, die in de Tent der samenkomst is; dan zal hij al het bloed des varren uitgieten aan den bodem van het altaar des brandoffers, hetwelk is aan de deur van de Tent der samenkomst." (verzen 5—7).
Daar ligt het geslachte rund ter aarde neergestort. De levensgeesten zijn geweken. De dood treedt in. Maar datgene, waarin het leven was, is zorgvuldig opgevangen, namelijk het bloed. De priester, zooals er aan toegevoegd wordt in deze plaats, de gezalfde priester, heeft zorgvuldig het bloed opgevangen in het daarvoor bestemde bekken of bekkens.
De gezalfde priester. Dan worden wij herinnerd aan de wijding van de dienaren des altaars, daartoe door den Heere geroepen en bekwaamd. Het is heilig werk om te gaan met het bloed van de offers; met het leven der stervende dieren. Maar leert deze toevoeging niet hoe teer en heilig het werk der bediening is? De plaats bij het kruis is heilig; het bloed is onbesmet. Zalig, als wij met den apostel mogen zeggen, dat wij niet hebben voorgenomen iets te weten dan Jezus Christus en dien gekruist. En als wij mogen instemmen met zijn verklaring: door welken ik der wereld en de wereld mij gekruisigd is.
Ook bij dit offer moet hij allereerst met het bloed de vereischte handelingen verrichten alvorens hij zich bezig houdt met het gestorven dier.
Zie, daar gaat de priester naar binnen in het heiligdom met zijn bekken met bloed. Neen, wij staren hem na, want hij verdwijnt uit het gezicht. Hij gaat verder naar binnen; hij stelt zich vóór het voorhangsel, dat het heilige van het heilige der heiligen afscheidt. Daar, daar in het verborgene des heiligdoms, woont en troont Jehova boven het gouden verzoendeksel.
Zoo nadert de gezalfde priester tot God. Verder dan het heilige mag hij nog niet komen met het bloed van de offers; alléén de Groote Verzoendag maakt daarop een uitzondering. De weg tot het heilige der heiligen is nog, als regel, gesloten. Israël staat nog van verre, ook al wordt in wezen iets gesmaakt van denzelfden vrede, als nu onder het Nieuwe Verbond. Alleen door bloed kan God worden genaderd, dat wordt ons luide gepredikt in de handelingen met het bloed van het zondoffer. Jezus is ingegaan met Zijn eigen bloed, nadat Hij aan het kruis der zonde schuld heeft verzoend.
Zevenmaal, zoo leert ons texthoofdstuk, moest de priester met het bloed sprengen op het voorhangsel, geborduurd met leliën en cherubs. Of althans werd het vlak vóór het voorhangsel gesprengd. Aangrijpend gezicht moet dit zijn geweest, dit besprengde voorhangsel. Het bloed heeft volmaakte waarde in den toegang tot God.
Deze gedachte ligt ongetwijfeld in het zevenmaal sprengen. Jezus' offer is Gode algenoegzaam. Aan het kruis riep Jezus: het is volbracht. En het voorhangsel des tempels scheurde van boven tot beneden. Hoe zal de weg tot het heilige der heiligen worden ontsloten? Hoe zal ik naderen tot in het verborgene van Gods Tent? Door het bloed des zondoffers. Met den Grooten Verzoendag werd het bloed gebracht tot in het allerheiligste, maar dan viel het voorhangsel achter den hoogepriester.
Ook mag het ons niet ontgaan, dat de offeraar zelf het bloed niet aanbiedt. Wel heeft hij de handen gelegd op het hoofd van den var, maar de handeling met het bloed geschiedt te zijnen behoeve door den priester als middelaar tusschen God en den offeraar. Menigeen is eigen priester, gelijk hij ook de werkmeester is van eigen geloof en zoo baart hij een godsdienst, waarmede hij voor eeuwig omkomt, zoo de Heere niet genadig ingrijpt ten leven.
De offeraar moet toezien, wacht af; maar er is wel gemeenschap met het offer. Wordt dit aangenomen in zijn bloed dan is hij aangenomen; wordt dit verworpen, dan is zijn ondergang verzekerd. Zeker heeft de ware Israëliet in zijn hart de werkingen des Geestes ervaren en Gods belofte verstaan van de vergeving der zonden. Hier wordt ons echter geleerd, dat de priester met het bloed handelt. Gij weet, dat de Heere Christus werkzaam is met Zijn eigen bloed voor den Vader. Hij heeft verzoening aangebracht en dit oordeel aanvaardt in het gericht. Dit beteekenisvolle feit leert ons, dat in de rechtvaardiging des zondaars deze toeschouwer wordt, geen buitenstaander, maar toeschouwer, wien alles is gelegen aan het oordeel, dat de Vader zal vellen over het bloed des Zoons. Daarvan hangt zijn leven en dood af. De Borg moet ons bekend worden in het gericht, zullen wij waarlijk bewust vernemen hetgeen het Woord ons leert van de kracht van Jezus' bloed voor den troon.
Nu kan de Geest het ons met klaarheid doen beluisteren, dat de Vader een welgevallen neemt in het offer van Zijnen Zoon. Alléén als aangenomen priester kan ik werken met Jezus voor den troon. Maar dan hebben wij Hem leeren kennen in Zijn werk voor den Vader met Zijn bloed.
Voor den Heere wordt dit bloed besprengd, omdat de zonde tegen God is bedreven. Hij kan met ons geen gemeenschap hebben buiten Christus. Daarvan wordt de ontdekte zondaar volkomen overreed door den Heiligen Geest. Want het moge vanzelfsprekend lijken voor de rechtzinnige beschouwing, doch voor wij dit bij ervaring weten, heeft de Geest des Heeren een zware arbeid aan onze ziel te verrichten, omdat wij innerlijk van God zijn vervreemd. Zielzaligende waarheid: de weg tot God is gebaand door bloed, het bloed van het zondoffer.
De verzoening is gelijk de aanbieding volkomen. Zevenmaal gesprengd; volkomen verzoend. Deze besprenging leert ons, dat Jezus zich in Zijn bloed den Vader aanbiedt. Alléén in dat offer heeft de Vader een welgevallen; het is volkomen afdoende. Al waren uwe zonden rood als scharlaken, Ik zal ze maken witter dan sneeuw; al waren zij rooder dan karmozijn, Ik zal ze maken witter dan wol. De weg tot den troon is open in Hem en volkomen geëffend. Zalig, als wij dien weg vinden, want daarvoor zijn wij even blind van nature als voor onzen verloren staat. Wij weten evenmin hoever wij van God zijn afgeweken als langs welken weg wij tot God worden wedergebracht. Zevenmaal zij uw oog en hart op Hem gevestigd en geslagen. De zonde, ja, onze misdaad is groot en zwaar, maar de remedie is volkomen afdoende. Zij werkt een eeuwig gewicht der heerlijkheid.

Na de besprenging van het voorhangsel volgt die van het reukaltaar.
De hoornen op de vier hoeken worden bevochtigd met het offerbloed. Deze beelden af de macht van het verbond en het reukaltaar wijst ons op het gebed, dat tot God opstijgt, uit de kracht van het verbond, hetwelk met bloed moet worden bevestigd. Wij leeren dus, dat de macht van het gebed opstijgend van het reukaltaar, zijn kracht alleen ontvangt van het bloed des zondoffers. Gij kunt het aldus omschrijven: bidden in den naam van Jezus. De kracht van het tusschentredende bidden van Jezus ligt in Zijn bloed, in Zijne zelfofferande. Vader, Ik wil, zoo sprak Hij in den(nacht des verraads, dat, waar Ik ben, ook diegenen bij Mij zijn. die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij Mijne heerlijkheid aanschouwen. Kent gij dat bidden in Jezus' naam? Als wij dezen klopper op de hemeldeur laten vallen, gaat zij onmiddellijk open. Al wat gij den Vader bidden zult in Mijnen naam, dat zal Hij u geven. Die ook voor ons bidt.
Beminnelijke Heere Jezus, welk een groote, neen, allesinnemende plaats komt u toch toe in het leven Uws volks, dat naar Uwen naam is genoemd. Hij pleit dagelijks voor Gods troon. Zijne voorbede ontleent haar kracht aan Zijn offer. Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij te doen gegeven hebt. Het behaagde den Vader Hem te verbrijzelen en nu behaagt het Hem Zijnen Eenige te verhoogen.
Zoo is het allereerst voor Jezus. Doch, ge weet wel, dat in Jezus Gods kind nadert. Evenmin als Jezus verhooring kan vinden buiten Zijn bloed, kan Zijn kind naderen tot God buiten en zonder Jezus' bloed. Bloed verbindt!
Het reukaltaar moet voortdurend rooken. Doch hij mag niet naderen zonder bloed. In den weg der verzoening alleen is er toegang tot den troon. Daarom moet er immer zijn eerbied en godvruchtigheid. Bidt zonder ophouden in hetzelve wakende met dankzegging. Hem behoort toe het zuivere reukwerk der gebeden. Doch, gelijk het vuur van het reukaltaar genomen is van het brandaltaar, zoo is het bloed, waarmee het wordt besprengd, afkomstig van het offer, dat bij het brandaltaar werd geslacht. Leg daarom de brandende kolen van sterk verlangen op het altaar, maar, aan de hoornen zij het bloed van het zondoffer. Zóó alleen zal het gebed den Heere aangenaam kunnen zijn. En het gebrekkige of zelfs zondige wordt verzoend, terwijl de bede nu is gesteld onder de kracht van het bondsbloed. Wanneer wij mogen zien op de vier hoornen van het altaar met bloed geverfd, dan is er macht in het gebed. Dan komen wij niet als een overtreder, maar in de kracht der verzoening, kinderlijk ootmoedig onze bede en dank neerleggen aan den troon der genade, om geholpen te worden ter bekwamer tijd. Om Uws naams, om Uws verbonds, om Jezus' wille!
De priester heeft dus zijn werk gedaan met het bloed in den voorhof en het heilige. Thans keert hij terug uit de plaats waar het reukaltaar stond naar den voorhof met zijn brandaltaar en koperen waschvat.
Wat doet hij nu met de rest van het offerbloed? Aan den Voet van het brandaltaar wordt het uitgegoten. De aarde werd ermee gedrenkt. Dit altaar nu wijst eveneens op den Heere Christus, die zich ten zondoffer ter verzoening aanbiedt. Zoo alleen kunnen wij in Jezus naderen tot God. Daar brengt Jezus Zijn leven. Zalig wie er het zijne mag brengen. Dan hebben wij een afkeer om den Heere het lamn e of kreupele of verminkte te brengen, maar wordt het: wiens ik ben en dien ik dien.
Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade om genade te vinden en geholpen te worden ter bekwamer tijd.
Het bloed werd uitgestort aan den voet van het altaar. Zoo zien wij als het ware dit altaar, waar brand- en dankoffers op werden gebracht, verrijzen op den grondslag des bloeds. Zondaren die naderen buiten het bloed brengen onaangename offers. Maar in dien grondslag des bloeds heeft de gansche verbondsbedeeling haar beslag en wordt God drieëenig verheerlijkt. Daarom herinneren wij er nogmaals aan, dat zonder handoplegging, zonder vereeniging met den persoon, geen handeling met het bloed kan worden verricht. Menigeen wil die twee scheiden. Zonder dat men den Borg in geloof omhelsde; zonder dat Hij dus is geopenbaard zelfs aan het hart, wil men pleiten op Zijne bloedstorting. Wij hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. Daarom moeten wij verzoend worden en aangenomen in Zijne gunst. Daar is de aarde, gedrenkt met bloed. Dat is de grondslag der aanneming bij God. Uitverkoren en dierbaar in Hem, met wiens bloed de aarde is gedrenkt en besproeid.
Daarom worden zij niet veracht, noch verworpen.
Doch zij zijn niet alleen burgers van Jeruzalem, maar ook priesters des Heeren. Laten we binnentreden in het heilige der heiligen om te reukofferen. Daar is het gouden reukaltaar. Maar, waar is de kracht om te dienen dien God, voor wiens aangezicht zelfs de seraphs het gelaat bedekken? Hoe zullen wij voor Hem staan zonder te vergaan? Ziedaar het bloed aan de hoornen van het altaar! Het is niet hunne liefde, hun gebed, hun voorbidding, maar de Zijne, die de hunne aangenaam en van kracht maakt bij God. die de groote Hoorder des gebeds wordt geheeten. Zelfs als het aan woorden mij ontbreekt, hoort Hij wat de overdenking in mij spreekt. Laat nu ons hart opvaren in de vlam.
Calvijn had tot embleem zijns levens een bloedend hart omklemd met zijn hand, dat hij Gode ten offer bracht. Maar zij zijn ook kinderen. Kan ik, mag ik, durf ik als huisgenoot Gods komen in Zijne innerlijke woonstede? O wonder van goedertierenheid, dat kan en mag. Deze onze gemeenschap zij met den Vader door Zijnen Zoon Jezus Christus. Het voorhangsel is gescheurd; de oude bedeeling is voorbijgegaan en Jezus is ingegaan met Zijn eigen bloed in het binnenste heiligdom. Het bloed ligt op den dorpel van het heilige der heilige. Altemaal bloedsporen... tot op het verzoendeksel toe... met Grooten Verzoendag. Overal bloed van mijn Jezus, overal de kracht van Zijn dood; waar ik ga of sta in het heiligdom, overal dat bloed. Dat bloed toegepast in alle beteekenissen aan het hart geeft ons een diepen vrede en verlangen om eerlang Zijn gezegend aangezicht te zien. dat eenmaal bedekt was met schaamt' en spot. Ja, dat aangezicht bebloed, dat oog gebroken, die hand doornageld, dien voet doorboord... uit Zijne zijde bloed en water stroomend. Maar nu is Hij verheerlijkt en toch... ik zag het Lam, staande als geslacht. Zalig Hem zoo te zien en te haasten tot den dag Zijner toekomst.

De verbranding van het vet.
Voorts al het vet van den var des zondoffers zal hij daarvan opnemen: het vet bedekkende het ingewand en al het vet dat aan het ingewand is; daartoe de twee nieren en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is en het net over de lever, met de nieren, dat zal hij afnemen, gelijk als die van den os des dankoffers opgenomen wordt; en de priester zal die aansteken op het altaar des brandoffers, (vss. 8—10).
Ofschoon bij het zondoffer de bedoeling voorop staat Christus af te spiegelen als zondendrager en niet in hetgeen Hij in zichzelf voor God was, zoo wil toch de Schrift nadruk leggen op het feit, dat Hij persoonlijk angenaam was voor God. Zoo wordt dus de innerlijke uitnemendheid van Christus. zelfs bij het zondoffer niet voorbijgezien. Het vet wordt, om dit tot uitdrukking te brengen, op het altaar verbrand. Zoo wordt dus de dierbaarheid van Christus voor God geopenbaard. De Israëliet moest worden onderwezen in den aard van het middelaarswerk. Jezus blijft, óók als Hij tot zonde wordt gemaakt, toch Zijn uitverkoren, Zijn geliefde Zoon. Het vet is een geschikt bestanddeel voor het vuur, hetwelk de goddelijke heiligheid ten toon spreidde.
Doch zie nu het verschil weer met het brandoffer. Bij dit laatste offer wordt het geheel op het altaar verbrand, omdat het Christus beduidde als een liefelijke reuk, maar niet als zondendrager, ook al was Hij in het zondendragen zeer liefelijk voor den Vader. De hatelijkheid der zonde, die op Hem lag, kon niet verhinderen, dat de liefelijke reuk Zijner dierbaarheid tot God opsteeg. Zoodoende schijnt zelfs door de duistere schaduwen van het vloekhout de goddelijke heerlijkheid van den Christus door. Hebt gij Hem zoo zien hangen?
Nu gaan wij ook iets vermoeden, in het geloof iets bekennen, van het ondoorgrondelijke wonder, dat God Zijn aangezicht verborg voor hetgeen Christus werd gemaakt (tot zonde gemaakt) en Zijn hart toch werd verkwikt door hetgeen Hij was. Dit nu geeft juist aan het zondoffer, zijne bijzondere bekoring. Recht en genade, toorn en liefde. Door toorn omgeven, door wraak bedreigd in hetgeen Hij was gerekend, door liefde omvangen en door welbehagen ingesloten door hetgeen Hij was en bleef.

Wat gebeurde nu met de rest van het offerdier, nadat het bloed was gesprengd en het vet was verbrand?
De rest werd verbrand buiten het leger.
Maar de huid van dien var en al zijn vleesch en dien geheelen var zal hij tot buiten het leger uitvoeren, aan eene reine plaats, waar men de asch uitstort en zal hem met vuur op het hout verbranden; bij de uitgegotene asch zal hij verbrand worden (vss. 11 en 12).
Geen zondoffer van welks bloed in de Tent der samenkomst zal gebracht worden om in het heiligdom te verzoenen, zal gegeten worden; het zal in het vuur verbrand worden.
Een nieuw terrein gaan wij nu betreden. Tot nog toe bleven wij bij en in het heiligdom. Nu begeven wij ons buiten het leger. Gij gevoelt, dat wij nu een zeer bijzonder punt bereiken bij de ontwikkeling van het zondoffer. Het vorige geleek veel op de handelingen bij de andere offers geteekend, ook al was er verschil. Maar dit buiten de legerplaats gaan en daar verbranden hebben wij nog niet ontmoet.
Daarom moeten wij nu dubbel opmerkzaam zijn.
De huid wordt niet afgetrokken, omdat zij niet voor den priester is, doch mede moet worden verbrand. Het ging slechts om het bloed, het leven en het vet. De var moest natuurlijk worden opengesneden voor het vet, dat werd verbrand, maar de huid behoefde niet te worden afgestroopt. We staan bij een vormlooze klomp. Zeker, ge kunt wel zien, dat het gedoode rund daar ligt, maar het ziet er toch afzichtelijk uit. Het ingewand is vaneengescheurd, het vet verwijderd. Bij het brandoffer werd het dier geslacht en zorgvuldig in stukken verdeeld, de ingewanden en schenkels met water gewasschen. Hier niets daarvan. Bij het dankoffer geschiedde die verdeeling en die reiniging eveneens, terwijl de vleeschstukken waren voor priester en offeraar. Maar zoo is het hier juist niet. Natuurlijk kan dit niet zonder beteekenis zijn, ook al zou het kunnen wezen, dat wij den zin niet kenden van deze bijzonderheden, die wel zeer bepaald tot het wezen van het zondoffer behooren. Doch bij het licht van het Nieuwe verbond en door vergelijking van Schrift met Schrift behoeven wij niet in het duister te tasten omtrent de beteekenis van dit alles. Alle gedeelten des Woords zijn dierbaar en moeten met de grootste eerbiedenis worden behandeld en onderzocht. Immers de Heilige Geest heeft het laten te boek stellen. Alles wat tevoren geschreven is, is tot onze leering geschreven. Komt. letten wij eerbiedig op.
Ziet ge wel, wat daar gebeurt? Kijk, een priester met een wagen rijdt door het kamp (later door Jeruzalem). W e nemen nu maar het legerkamp in de woestijn in den tabernakeldienst.
Ge weet, dat de omvang van het legerkamp aanzienlijk moet zijn geweest met het oog op de legering van een paar millioen menschen. De priester met zijn helpers treedt voort door de wegen van het legerkamp van Israël. In den geest zie ik een paar Israëlieten staan in de deur hunner tent. Zij worden stil als zij den priester zien en treden eerbiedig terug. Zij zwijgen... Het vleesch van een zondoffer, zoo zeggen zij. Zie maar, daar ligt het verminkte dier op den wagen. Dit moet buiten het leger worden verbrand. Een zondoffer is gebracht en de gedachten van den godvruchtigen Israëliet gaan uit naar altaar en voorhangsel en reukaltaar. Het bloed ziet hij gesprengd en het vet verbrand. En de rest... daar gaat de priester er mee naar de plaats ter verbranding. Het is een zondoffer. Zoo wordt Israël dagelijks herinnerd aan de straf der zonde, hare gruwelijkheid en het rechtvaardig oordeel Gods. Doch óók bij de verzoening. Lezer, kent gij deze geestelijke overpeinzingen, deze gedachten over Christus en Zijn werk? Dan bedenken wij tevens wat ons werk heeft verdiend en wat wij waardig zijn. Te worden weggeleid in de misvormdheid onzer zonde buiten alle gemeenschap en goedheid Gods om te worden geworpen in den poel des vuurs. En nu... Hij uitgeworpen, buiten de legerplaats... Zalig, als wij veel Hem mogen gedenken in Zijn werk, door Hem behouden van den toekomenden toorn. Of wel terwijl wij eigen onwaardigheid bekennen, worden uitgedreven tot Hem in vurig zielsverlangen om deel te verkrijgen aan die zelfofferande van Christus aan het kruis. Maar, ga niet eerst naar de brandplaats buiten Jeruzalem, maar naar de legerplaats bij den tabernakel en zie de bloedsprenging. Anders toch kan de angst onze ziel wel aangrijpen als wij het oordeel, het strenge oordeel der wrake aan Christus zien voltrekken en bedenken wij onze vervloeking, doch er is geen troost ten leven door de aangebrachte verzoening.
Het was voor den priester een zwaar werk. Daar gaat hij met zijn vracht. Hij komt buiten het leger bij de mestvaalt des heiligdoms, als wij het zoo mogen noemen. Ja, Israël heeft een vaalt met brandovens. Daar wordt de asch heengevoerd van de altaren des heiligdoms en wij leeren, dat de zonde is tenietgedaan. Toch moest het, zooals ons texthoofdstuk leert, eene reine plaats zijn.
De beteekenis van dit wegbrengen van het offerdier naar de reine plaats buiten het leger wordt ons meegedeeld in Hebreën 13: Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk reinigen zou, buiten de poort geleden.
Hij werd weggeleid buiten de heilige gemeenschap, omdat Hij een met zonde beladene was. Daarom werd het zondoffer niet in zijn geheel op het brandaltaar gebracht. Om de versmading van den zondendrager uit te drukken moest het offerdier buiten de legerplaats worden verbrand. Gij weet, dat óók de melaatschen buiten de gemeenschap werden uitgeworpen. De versmaadheid brak eenmaal Jezus' hart, en als een uitgeworpene door aarde en hemel hing Hij aan het kruis.
Het zondoffer werd verbrand, daar waar de afval werd gebracht. Welk eene plaats. Uitgestooten, weggeworpen, niet begraven, maar verbrand. Welke plaats hebben wij verdiend? Weet gij dat wel? En hebt gij het rechtvaardige van het verblijven in die plaats bekend in het aangezicht van dood en gericht? Anders zult gij niet de vreugde kunnen smaken van Jezus' borgtocht aan het kruis. Walgelijke afval, uitvaagsel zijn wij geworden door de zonde, die als schuld ons strafbaar stelt en als onreinheid verwerpelijk maakt voor God en menschen. Hoe kan toch de dwaze mensch zoo verwaand zijn en hoogvaardig, terwijl hij door onreinheid is overdekt van den hoofdschedel af tot den voetzool toe? Waarom buigt hij niet het hoofd en zoekt reiniging zijner ziel? Waarom hij dit niet doet? Omdat hij geen zelfkennis en Godskennis heeft.
Kom, gaan we weer naar de vaalt des heiligdoms. Daar wordt de zonde teniet gedaan. Niet begraven, maar verbrand. Hij is tot zonde gemaakt. De zon zelfs wilde en mocht niet meer over Hem schijnen. Buiten de poort heeft Hij geleden en is Hij gestorven. Maar met dit verteeren zijner ziel in den gloed van Gods heiligheid werd nu juist de zonde tenietgedaan. Daarom, hoe vreeselijk ook deze plaats is, toch moet ik daar komen zal mijne ziel smaken de tenietdoening der zonde in Christus. Waar is de zonde gebleven, die op het offerdier was? Zij is in dien brand tenietgedaan. Maar welk een toorn, verachting en smaad is toch op den reinen Jezus geweest! Daar, buiten de poort leefde de melaatsche en verworpene en verstootene. En dat alles deed Jezus nu, zoo leert het Woord, om Zijn volk te heiligen, toegang te geven tot God in Sion.
En de apostel voegt er de les aan toe: Zoo dan, laat ons tot Hem uitgaan buiten de legerplaats. Zijne smaadheid dragende. Het lijden van den Christus opent den toegang tot God. Zijne verwerping op aarde toont ons wel zeer duidelijk de plaats, waar Hij leed en moet ons los maken van beneden. Hij leed buiten de poort.
Daardoor heeft hij Jeruzalem terzijde gesteld, zoodat er heden geen heilige plaats meer is op aarde. De wereld heeft Hem gehaat en uitgeworpen. Daarom heet het: gaat uit. Als de menschen een heilige stad stichten, moet gij naar een verworpen Christus buiten de poort zoeken. Dat geldt ook in onze dagen met al zijn reclame voor Oxfordgroep, vele kerken en vereenigingen van barmhartigheid en zoo veel meer. Men zegt zich te vergaderen rondom de banier der waarheid, te strijden op alle terrein des levens voor Koning Jezus; het licht des Evangelies te ontsteken in deze donkere wereld.
Maar... gaat niet uit buiten de legerplaats. Daarom kan men geen gemeenschap oefenen met den verworpen Christus. En men sticht zijn kapellen, dwingt de leugenleer te hooren en... waant dan de barmhartigheid van Christus te oefenen. En wat is dikwijls het geval, gemeten aan den maatstaf der waarheid? Wat het geval is? Het getal van de synagogen des satans is weer met één vermeerderd. Wie God vreest gaat uit buiten de legerplaats om Christus' smaadheid te dragen. Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn dan de schatten van Egypte.
Weg met dien gemengden godsdienst. Neen, zóó wordt Gods naam niet geëerd. Gaat uit tot Hem, die buiten de poort heeft geleden. De Heere Jezus is ook nu buiten de poort. Wat bracht Hem daar? De godsdienstige wereld van dien tijd en... het strenge oordeel Gods. Christus en de wereld zijn twee. Met een verworpen Christus te wandelen is een verworpen volk te zijn. Heeft Hij buiten de poort geleden, verwacht dan niet binnen de poort te heerschen. Veel noemt zich naar Zijn naam en heerscht met hardigheid over het erfdeel des Heeren. Waarom zoekt gij toch de gunst der wereld? Wat zal ze brengen? Waarom wilt gij het kruis van zijne schande ontdoen?
Terwijl ons geweten in zijn bloed rust, laat de liefde des harten Zijn persoon omstrengelen, zoodat onze afzondering van de wereld voortkome uit het levende beginsel, dat ons hart is waar onze schat is. Uw wandel zij in den hemel, vanwaar wij ook den Zaligmaker verwachten.
Wat is deze versmade en nu verheerlijkte Christus toch dierbaar. Kon ik Zijn waardij, beminnelijkheid uitspreken:

Wie mijn geboeide tong bevrijdt
Dat 'k zing van Zijn beminn'lijkheid?
Ik lispel, stoot en stamel voort
Gebroken klanken, maar geen woord.
O, zie, 'k beproef het telkens weer,
Eens menschen tong moet 't voorrecht derven
Van Hem te spreken vóór te sterven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 september 1937

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

Het zondoffer II.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 september 1937

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken