Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Wijzen uit het Oosten IV (slot).

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Wijzen uit het Oosten IV (slot).

19 minuten leestijd

Matth. 2 vers 1—12. Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judéa, in de dagen van den koning Herodes, zie eenige Wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen, Zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden? want wij hebben gezien Zijne ster in het Oosten, en zijn gekomen, om Hem te aanbidden. De koning Herodes nu, dit gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem met hem. En bijeenvergaderd hebbende al de Overpriesters en Schriftgeleerden des volks, vraagde van hen, waar de Christus zou geboren worden. En zij zeiden tot hem: Te Bethlehem, in Judéa gelegen; want alzoo is geschreven door den Profeet: En bij Bethlehem, gij land Juda! zijt geenszins de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, die Mijn volk Israël weiden zal. Toen heeft Herodes de Wijzen heimelijk geroepen, en vernam naarstiglijk van hen den tijd, wanneer de ster verschenen was; En hen naar Bethlehem zendende, zeide: Reist heen, en onderzoekt naarstiglijk naar dat Kindeken, en als gij het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik ook kome en dat aanbidde. En zij, den Koning gehoord hebbende, zijn heengereisd; en zie, de ster, die zij in het Oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het Kindeken was. Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer groote vreugde. En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindeken met Maria, Zijne moeder; en nedervallende hebben zij het aangebeden; en hunne schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud, en wierook, en mirre. En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in den droom, dat zij niet zouden wederkeeren tot Herodes, vertrokken zij door eenen anderen weg weder naar hun land.

De Wijzen aanbaden het Kindeke in het huis, waar zij Maria met haar eerstgeborene vonden. Zalig, wie waarlijk mag aanbidden, zich buigen voor den Heere, zich verluistigen in de deugden Gods. Het ware, diepe aanbidden is: Hem erkennen voor hetgeen Hij is en aanvaarden tot datgene, waartoe Hij is geschonken. Dit leeren degenen, die in Sion zijn geboren. Aanbidden hier beneden en voor Zijn troon. Zoo lezen wij van de zaligen: en zij wierpen hunne kronen aan de voeten van het Lam. Zij aanbidden Hem, die leeft in alle eeuwigheid.
En nedervallende, hebben zij hetzelve aangebeden.
Hier is geen afgoderij, want als Kindeke was Hij God geopenbaard in het vleesch. Wie zou U niet vreezen, Gij Koning der heidenen, want het komt U toe.
In aanbidding voor dezen Koning-Priester-Profeet wordt onuitsprekelijke zaligheid gesmaakt. Welgelukzalig is de mensch, wiens sterkte in U is, in wiens hart de gebaande wegen zijn. Lezer, weet gij wat aanbidding is? Hebt gij langs den weg van de tollenaarsbede met een vuistslag op uw borst vol zelfveroordeeling op Hem mogen zien, die den tollenaar deed afgaan naar zijn huis gerechtvaardigd? Zóó alleen leeren wij aanbidden, kennen wij het buigen en bukken, het erkennen van dit Koningskind, dat Hij Zaligmaker, onze Verlosser is. En door Hem hebben wij alleen toegang tot den Vader om Hem met den Heiligen Geest te prijzen.
De vereering met geschenken.
En hunne schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken, goud, wierook en mirre.
De Wijzen openen nu hunne schathouders en brengen Jezus, den geboren Koning der Joden, geschenken. Wij hebben er al op gewezen, dat ten onrechte uit dit drietal geschenken de conclusie is getrokken, dat er ook drie Wijzen zijn geweest.
Wij willen nu eerst enkele opmerkingen maken over de geschenken: goud, wierook en mirre. Deze gaven passen bij een Koning. De wierook is de welriekende hars van een in Indië en Arabië groeiende struik. Zij werd gebruikt tot particuliere doeleinden en vooral ook in den eeredienst. Mirre is het sap uit de bast van een andere struik en werd gebruikt om wijn te kruiden en om te balsemen.
Jozef en Maria kunnen er straks gebruik van maken om de reis en hun verblijf in Egypte te bekostigen. Zoo was ook daarin Gods wijze en wondere voorzienigheid.
De kerkvader Iraeneus zeide: goud voor Jezus als Koning; wierook voor God; mirre met het oog op Zijne begrafenis. Doch indien men aan deze gaven een geestelijke beduidenis wil toekennen, zou het toch beter zijn het goud in verband te brengen met het koninklijke ambt, de wierook met zijn voorbidding — dus het priesterlijk ambt — en de mirre met zijn priesteroffer of bitter lijden. De Schrift zelf leert ons niet. dat deze gaven bepaald die toepassing moeten hebben. De mirre met het profetische ambt in verband te brengen, heeft voor zoover wij kunnen nagaan, geen grond in de Schrift, ook al doet men het vaak. Wij zullen dan ook een anderen weg moeten inslaan ter toepassing en bedenken, dat wij in dien vorm den Heere Christus geen geschenken brengen bij onze aanbidding. Iets anders moet onze aandacht hebben. Dan gaan wij den veiligen weg op.
Wordt Hij dan bij de aanbidding niet vereerd als Profeet, Priester en Koning? Zeer zeker, maar evengoed als God en mensch, in zijne naturen dus. Niet minder in zijne staten van vernedering en verhooging, als God geopenbaard in het vleesch. ,,De eigenlijke dienst, dien Hij van de Zijnen vraagt is deze, dat wij eerst onszelven en vervolgens al het onze Hem toewijzen", merkt Calvijn terecht op. Of, om het te zeggen met de woorden van Paulus: wiens ik ben en dien ik dien.
De Heere zeide tot Zijn oude bondsvolk: Men zal voor mijn aangezicht niet ledig verschijnen. Op de hooge feesten in Israël bracht men de gaven der dankbaarheid tot den Heere, om hetgeen men van Hem ontving, Hem weer toe te eigenen en den Bondsgod te erkennen als de Gever van alle goede gave. Bij de aanbidding is eerste vereischte, dat wij met Simeon het Kindeke Jezus dragen in de armen des geloofs om Hem den Heere voor te stellen en te belijden: Gode zij dank voor Zijne onuitsprekelijke gave. Wie den Zoon niet eere, eert ook den Vader niet. Dit is de wil des Vaders, dat gij gelooven zoudt in Hem, dien Hij gezonden heeft. Lezer, stondt gij zoo ooit voor den Heere, om Hem te aanbidden in de gave Zijns Zoons? In Hem alleen kan ware dankbaarheid den Heere toekomen. Hij is niet alleen de schulduitdelgende en gerechtigheid-aanbrengende Borg, maar ook de biddende en dankende Hoogepriester. Hoe weinigen dragen Hem als een bundeltje mirre tusschen hunne borsten en wie staat op zijn hart en arm als een zegel?
Laat dit mogen vooropstaan, altijd weer. Ge wilt misschien uw gaven en krachten den Heere wijden, uw geld en goed besteden in Zijn dienst? Maar uzelven gaaft gij niet.
De beroemde wijsgeer Socrates vierde zijn jaardag en zijn leerlingen brachten hunne geschenken, maar één was er, die bedeesd tot hem kwam en verzekerde, dat hij niets had te geven aan gaven, doch zoo sprak hij: ik geef mijzelf. Socrates achtte dit het voornaamste geschenk van dien dag. Maar wat ben ik zelf waard? Minder dan niets, maar dat is nu juist de eere van den Zaligmaker, dat Hij zondaren zalig mag maken. Het is verkwikking voor Zijn Middelaarshart, wanneer Hij den Vader zijne doorboorde handen mag toonen als een verloren, reddeloos verloren zondaar zijne hellewaardigheid belijdt voor God. Het is de vreugde van zijn teêr herdershart, als Hij het verloren schaap op Zijn schouder mag leggen. Hij draagt de lammeren in zijnen schoot en zoekt het verlorene. Neen, niet als een mensch, die groote waarde bezit, maar als een verlorene wil Hij de Zijnen ontvangen. Zij gaven zich eerst den Heere. Dan mogen wij ons wijden aan Hem met alle gaven en krachten, die de Heere ons schonk. Zeker, het is niet veel, maar, met de arme weduwe werpen wij de twee penningskens in zijne schatkist; met den Hebreeuwschen knecht leggen wij het oor aan de deurpost om aan zijn dienst en huis te worden verbonden.
Eerst leeren wij hem kennen als een, die dient. Ik ben in het midden van u als een die dient, want de Zoon des menschen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen.
Wat kunnen wij den Heere brengen? Wie zijn wij en wat hebben wij? Staat er niet geschreven: hongerigen heeft Hij met goederen vervuld, maar rijken heeft Hij ledig weggezonden.
Moeten wij dan niet tot Hem naderen om alles te ontvangen als bankroetiers, alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort? Hij onderwijst de zondaars en eet met hen. Hij rechtvaardigt goddeloozen; Hij deelt mede dengene, die niet heeft en die niet bekwaam zijn iets goeds te denken als uit zichzelven, in hen werkt Hij het willen en het werken naar Zijn welbehagen. Moeten wij dan niet arm en ledig voor Gods aangezicht verschijnen? Toch staat er geschreven: niemand uwer zal ledig voor den Heere verschijnen.
Hier is een heilgeheim, dat Hij bekend maakt aan degenen, die Hem vreezen en op zijne goedertierenheid hopen.
Ledig en toch niet ledig, arm en toch iets vertoonend, waar de Heere een welgevallen in heeft. Juist dan als Gods kind als een niet verschijnt, draagt hij vruchten des Geestes, die Gode aangenaam zijn, door Jezus Christus. Zoo baant de aanbidding, waardoor wij Hem erkennen voor hetgeen Hij is, den weg om Hem te eeren in hetgeen Hij ons gaf aan gaven in natuur en genade beide.
Alle krachten en gaven van ziel en lichaam komen Hem toe. En alles, wat de Heere geeft, is verbeurde weldaad. Door Hem zijn alle dingen geschapen, ook het fijne goud en de liefelijke wierook, benevens de geurende mirre. Om den Heere te vereeren met de inkomsten van uw goed. Heere, wij geven het II uit uwe hand. Het komt Hem toe ook als Middelaar. Goud en wierook zullen zij aanbrengen en zij zullen den overvloedigen lof des Heeren boodschappen. Hoort den dichter van Psalm 72 gewagen van de geschenken Hem gebracht in gave en gebed: En Hij zal leven en men zal Hem het goud van Scheba geven en men zal geduriglijk voor Hem bidden, den ganschen dag zal men Hem zegenen. Zalig wie Hem mag brengen de hartelijke geloofserkentenis: onze Koning is van Isrels God gegeven. Zalig Hem hulde te biên in Zijne alwaardigheid. Verkondigende vrede door Jezus Christus, die een Heere is van allen. Onttroond en ontkroond wordt gratie verleend door Hem, die van krib tot kruis zondendrager was en wetsvolbrenger.
Deze zal groot zijn! Zalig te komen en te aanbidden met Zijn eigen gaven van oprechtheid en honger naar gerechtigheid en leven en vrede en zaligheid. Heere, voor U is al mijne begeerte en mijn zuchten is voor U niet verborgen. Ik zal metde oprechten onderling, vereend in hun raad en vergadering, Hem plechtig eer bewijzen.
Alle heerschappij buiten de zijne moet hartgrondig worden verworpen en alle hope buiten Zijn zoenofferande is ijdel. De smarten dergenen, die een anderen God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden, maar ik zal hunne drankofferen van bloed niet offeren en hunne namen op mijne lippen niet nemen.
In geloof en liefde met verlangen mogen wij tot Hem naderen om Hem te erkennen in hetgeen Hij is en geeft. Zie het goud, dat gebracht werd, was niet om Hem rijk te maken, maar om Hem te eeren als de bezitter van allen rijkdom. Die levende erkenning is het goud van zijn kroon, de parel van 7'jn diadeem. Zij riepen den rijkdom van het Kindeke uit, dat was zijn goud.
De wierook is in de Schrift telkens weer beeld der gebeden, die tot den Heere opstijgen en zeker worden verhoord. Jezus is biddende en dankende Hoogepriester. Hem behoort het reukofferen, want Hij is priester op zijn troon. Hij is de groote bidder en zonder Hem is gebed noch dankzegging den Heere aangenaam.
Onder het Oude verbond was het reukofferen ten nauwste verbonden met de verzoening door bloed. Op die verzoening rustte ook het reukoffer en met kolen van het brandaltaar werd het reukwerk ontstoken op het altaar, dat stond in het heilige voor het voorhangsel, dat toegang gaf tot het binnenste heiligdom en het tegelijk afsloot. Door de kracht van de voldoening aan Gods gerechtigheid, die Hij heeft aangebracht, kan Hij voorbidder zijn. Daarom ook kan de mirre zinnebeeld zijn van de erkenning in liefde des harten, dat deze Jezus door de kracht van Zijn verzoenend lijden en sterven ons tot een voorbiddende Hoogepriester is geworden.
Zoo kunnen wij Hem niet eeren, als wij met zonde en schuld niet te doen kregen. Wie onbezorgd in zijne schulden wandelt hecht geen waarde aan het offer van Christus.
Die overtreedt het bloed des Nieuwen Testaments. U komt, dierbare Immanuël, de wierook der aanbidding toe. In uw offer brengt Gij die Gode en zoo stijgt de aanbidding uwer gunstgenooten op tot den Vader der lichten en den God aller vertroostingen. Gij zijt priester in der eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek.
Zoo vloeit genade en vrede en zaligheid af op Gods gemeente.
Maar, nu zijn ook de gebrekkige gebeden van Gods kinderen Gode aangenaam door Jezus Christus. Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing mijner handen als het avondoffer. Toch blijft de waarheid: Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en mijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Ook wordt Hij vereerd in zijn offer als priester. De Wijzen brachten hun mirre. De mirre werd gebruikt voor het reukwerk, ze was eene welriekende specerij, doch bitter van smaak. Het is daarom geen wonder, dat men voor de toepassing haar zocht te duiden op het bittere lijden van den Zaligmaker. Wij lezen in de lijdensgeschiedenis: en zij gaven Hem gemirreden wijn te drinken. En de specerijen, waarin zijn lichaam, na het verscheiden, werden gewikkeld, zijn aloë en mirre. Hoeveel bitterheid was zijn deel, Hem niet slechts aangedaan door de menschen, maar bovenal door Zijnen Vader, die Hem in den hof het bloed uitperste door hem de helsche verlatenheid Voor te stellen, terwijl de gansche hel tegen Hem losstormde. Denk ook aan het lijden, het bittere lijden en zijn bitteren dood aan het kruis. Was er ooit eene smart aan deze zijde des grafs gelijk aan Zijne smart? Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle.
Toch was de mirre een welriekende specerij. Zijn lijden en sterven was Gode aangenaam, omdat Hij den eeuwigen wil en Raad Gods volbracht tot zaligheid van degenen, die Hem van voor de grondlegging der wereld door den Vader waren gegeven. En door den welriekenden reuk van zijn zelfofferande veraangenaamt Hij allen bij den Vader èn voor zichzelven en den Heiligen Geest, die zijne verschijning hebben lief gehad en zullen liefhebben. Hij heeft de vervloeking, die op ons was, op zich geladen, opdat Hij ons met zijne zegening vervullen zoude. Onze zonden drukten Hem neer in het stof des doods. Hieruit komt op de vergeving der zonden en de gunste Gods, die beter is dan het leven. Waarin zoekt gij uw leven en uw heil? Onze zaligheid, ons waarachtig geluk, ligt alleen in Hem met liefelijke geur van hope der zaligheid ons hart doorwasemend. Hier groent en bloeit de levensboom. Kom, fladderende, vermoeide, verjaagde duive, rust een wijle in de takken van dezen levensboom en smaak zijne vrucht; verberg u onder een blad tot genezing uwer kranke benauwde ziel. Breng hem de bittere mirre uwer zieledroefheid maar en van de dooding des vleesches. Een gebroken en verslagen hart zal de Heere niet verachten; neen, nooit was het door hem verworpen, maar altoos aangenaam. Wilt ge een uitspraak der Schrift, dat Gods kinderen Gode aangenaam zijn? Hoor naar het getuigenis van den apostel Paulus: Wij zijn Gode een goeden reuk van Christus. Christus in het hart is zaligheid en zóó alleen kunnen wij Gode een goeden reuk zijn. Maar de indalende liefde van Immanuël is zijn eigen werk, dat tot den Heere opstijgt als een liefelijke geur. Kunt gjj de sprake der Bruid verstaan en hebt gij Hem zoo geftoodigd: Totdat de dag aankomt en de schaduwen vlieden, zal ik gaan tot den mirreberg en tot den wierookheuvel.
Zulk een Jezus nu betaamt ons, doch aan Hem hebben wij ook volkomen genoeg. Hij heeft ons zoo uitnemend lief gehad. U zoekt mijn hart, mijn oog blijft op U staren. Weg wereld, weg schatten, gij kunt niet bevatten hoe rijk ik in Jezus wel ben.
Wat is het leven zonder Hem, die het leven is? Enkel ellende zonder waren vrede en het einde de eeuwige dood.
Daarom zoekt den Heere, terwijl Hij te vinden is, roept Hem aan terwijl Hij nabij is, de goddelooze verlate zijnen weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekeere zich tot den Heere en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldig. Zij brachten Hem goud, wierook en mirre. Aan de deuren onzer huizen zijn allerlei edele vruchten, die heb ik voor mijnen Liefste weggelegd. Wie Hem vindt, vond het leven en trekt een welgevallen van den Heere.

Het vertrek der Wijzen.
En door goddelijke openbaring vermaand zijnde in den droom, dat zij niet zouden wederkeeren tot Herodes, vertrokken zij door eenen anderen weg weder naar hun land.
Blijkbaar hebben de Wijzen een nacht in Bethlehem doorgebracht, want zij worden in den droom vermaand. Zij ontvangen eene goddelijke openbaring. De Heere spreekt tot hen in den slaap.
Zeker, droomen is bedrog, ook al ligt er in den regel toch eene werkelijkheid achter in het zieleleven der menschen. Doe echter niet zooals die man, die een droom had gehad en den breeden en smallen weg had gezien en zich op dien smallen weg zag wandelen en dat nu hield voor zijn bekeering. Daarmee komt men voor eeuwig om. Een kind Gods kan een bijzonderen droom hebben, maar de droom maakt hem niet tot kind Gods. Ook de lieden van deze wereld kan de Heere verschrikken door bange beteekenisvolle droomen. Denk maar aan Farao en Nebukadnezar. De Heere kan ook Zijne vijanden toespreken.
Maar veler waken is al even bedriegelijk als hun slapen. Wat kan het menschenhart opgeven uit de diepten van het onderbewuste leven in den slaap! Soms gaat een kind des Heeren vreedzaam slapen en wordt verstoord, benauwd wakker. Het schijnt, dat de duivel een bom, in de hel vervaardigd, in het hart heeft laten springen. Maar het kan ook andersom zijn. De Heere geeft het zijnen beminden als in den slaap. Zij worden zingend, vol vrede wakker. Door alles heen leeren zij hun diepe afhankelijkheid van den Geest des Heeren. Geen wonder, dat zij bidden om een vreedzamen slaap onder opzicht van den Wachter Israëls, die nooit sluimert of slaapt.
Hier hebben wij te doen met een goddelijke openbaring in den droom. Eene bekendmaking van den Alwetende. Of het was als bij Jozef, de man van Maria, die door een engel des Heeren werd bezocht, die in zijn droom tot hem sprak om de boodschap des hemels over te brengen, weten wij niet. De Heere heeft meer dan één middel om de Zijnen te onderwijzen.
Hij snijdt hun den weg over Jeruzalem af. Soms doet de Heere het nog weer anders. Denk maar aan Paulus, hoe de Geest hem belette, door geen opening te geven, om het Woord in Azië te spreken en dan komt hij aan de kust en ziet dien Macedonischen man staan in een gezicht, die hem toeroept: kom tot ons over en help ons.
Gij weet, dat Herodes had gezegd: en hen naar Bethlehem zendende, zeide: Reist henen en onderzoekt naar dat kindeken en als gij het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik ook kome en datzelve aanbidde.
De Wijzen hebben blijkbaar geen gelofte afgelegd en zijn heengereisd naar Bethlehem, niet wetende wat zij van dien Herodes moesten denken.
Zij zullen door de onderwijzing des Heeren in den droom verstaan hebben, dat deze Herodes gevaarlijk was. Langs een anderen weg keeren zij terug naar hun land. Misschien liep deze andere weg naar de zuidelijkste doorwaadbare plaats van den Jordaan. Zoo verhaalt de overlevering zelfs van hun eerste nachtverblijf op dien anderen weg.1)
Maar, hoe de weg ook liep, het was de aangewezen weg des Heeren en dat is de beste, al zou het een omweg zijn.
En wat Herodes betreft, hoe zien wij weer bewaarheid, dat God de wijsheid der wijzen teniet maakt en Hij hen vangt in hunne arglistigheid.
De komst der Wijzen had bijzondere beteekenis. De geboorte van den Heere Christus is van wereldomvattende en wereldschokkende beteekenis. Lucas laat ons de door keizer Augustus bevolen beschrijving zien in dat licht en Mattheus wijst hier op het feit, dat ook in verre landen, in het Oosten, de mare van dezen Koning is doorgedrongen. De heidenen maken reeds Israël beschaamd. Dat is de profetie voor de toekomst. Israël verwerpt den Messias en wordt verworpen door den Heere.
Hoe spoedig scheen de mare van Simeon en Hanna vergeten in Jeruzalem en als, na het vertrek der Wijzen, Herodes zijn plannen van kindermoord gaat volvoeren, schijnt het wel, dat voor de massa geen verdere beteekenis is gehecht aan hetgeen voor een korten tijd de gemoederen in beroering bracht.
Ook de Wijzen uit het Oosten zijn weldra vergeten. Maar deze keerden weder naar hun land en hebben zeker getuigd van hetgeen zij gehoord en gezien hadden. Verder hooren wij niets meer van hen. De Schrift toch is er niet om onze nieuwsgierigheid te bevredigen, maar den heilsraad Gods te teekenen. In dat licht moeten wij ook de geschiedenis der Wijzen lezen en verstaan. Veel moge de eeuwigheid openbaren aan heil voor henzelven en hunne omgeving, dat in den tijd verborgen bleef
En wij besluiten met het woord van den apostel Johannes, over het vele, dat Jezus heeft gedaan en gesproken, maar wat niet staat beschreven: En daar zijn nog vele andere dingen, die Jezus gedaan heeft, welke, zoo zij elk bijzonder geschreven werden, ik acht ook, dat de wereld zelve de geschreven boeken niet zoude bevatten.
En dat andere woord: maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, en opdat gij geloovende het leven hebt in zijnen naam.
Dit schenke de Heere aan velen om Zijns Naams wille. Amen.


1) Gustaf Dalman. Orte und Wege Jesu, S. 18.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 februari 1938

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

De Wijzen uit het Oosten IV (slot).

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 februari 1938

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken