Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de laatste dingen. 1e serie. V.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de laatste dingen. 1e serie. V.

Van de voleinding in het algemeen.

12 minuten leestijd

Deuteronomium 32 : 22. Want een vuur is aangestoken in mijnen toorn en zal bernen tot in de onderste hel en zal het land met zijne inkomst verteren en de gronden der bergen in vlam zetten. Psalm 18:8. Toen daverde en beefde de aarde en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.

De gansche schepping is het schouwtooneel der openbarende daden Gods, want in haar voltrekt de Heere Zijne eeuwige gedachten. Daarom is zij niet een onveranderlijke afdruk, draagt zij niet het karakter van een stereotiep beeld, maar is zij een zich ontplooiende, zich ontvouwende, wordende schepping, die van oogenblik tot oogenblik voortschrijdt op den weg, waarin Gods gedachten worden verklaard. Het gansch heelal verschijnt dus in dat licht van Gods werkzaamheid als begrepen in een procesmatige ontwikkeling, als wat men gewoonlijk noemt „een kosmisch proces". De kosmos toch is de naam voor de geordende wereld, dus voor de wereld, zooals zij zich voor de menschelijke rede stelt als een organisch samenhangend geheel, waarin niet de chaos en zijne verwarring, maar de redelijke orde Gods openbaar wordt.
Zoo verschijnt dus in Gods Woord het heelal met al wat is, met hemel en aarde als eene eenheid, die gegrond is in Gods eeuwige rede-daad. In deze wereld hangt dus alles saam, daar in Gods gedachte alles saamgesnoerd werd, zoodat niets staat op zichzelf. Indien het alzoo niet ware, dan zou de willekeur heerschen en er niet meer van een kosmos, maar van een chaos gesproken moeten worden. Dan had Jesaja niet kunnen zeggen van den Heilige: „die in getal hun heir voortbrengt, die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is, er wordt er niet één gemist. Dat kan hij daarom zeggen, wijl in de schepping alles geordend is door de rede Gods.
Doch, hoe vanzelfsprekend het ons ook moge schijnen, voor ons menschelijk, eindig verstand is dit niet steeds zoo eenvoudig. Integendeel, soms schijnt hetgeen de wereld ons te aanschouwen geeft, tegen het bestaan dezer goddelijke ordening aller dingen te strijden. Wij zijn eindige menschen en hoe hoogmoedig de menschheid, met name de moderne menschheid, moge zijn op haar kennen en kunnen, hoe zij ook zichzelve als een god moge wanen en verheerlijken, inderdaad is zij toch en blijft zij een schepsel en dus aan alle schepselmatige beperktheid onderworpen. En daarom leven wij met ons verstand te midden van eene wereld van verborgenheden. Zooals de oude de Génestet, hoewel hij een modern mensch was, toch het wel gevoelde, toen hij zong: „In raadselen wandelt de mensch op aard." En die raadselen des levens zijn in den diepsten grond verborgenheden, mysteriën. Want zij blijven verborgenheden en niemand is bij machte deze waarlijk te verklaren, al hebben natuurlijk de wijsgeeren er wel naar gestreefd het verborgene op te klaren in hun licht. Wezenlijk gelukt is dat echter nooit en kan het niet gelukken, omdat het ons niet gegeven is achter de gronden van ons eigen, menschelijk bewuste, redeleven te zien. Want ook de mensch is als schepsel ingeweven, om zoo te zeggen, in het weefsel van het groot geheel der werken Gods en kan daarom nimmer verder reiken dan de grens van zijn redewezen.
Hij kan wel in eigen waan beproeven zich vleugels aan te binden, in de meening die grenzen te kunnen overschrijden door zijne verbeeldingskracht en phantasie, maar onder dat streven blijft hij dan toch slechts een phantast, al tracht hij het alles te hullen in den mantel zijner geleerdheid. Door de gaten van dien mantel schijnt toch de beperktheid van het eindig schepsel. Daarom snijdt Gods Woord dit alles af, door ons te leeren, dat wij, om die eenheid der wereld waarlijk te kunnen verstaan, nog iets anders behoeven dan alleen onze verstandelijke gaven. Hebreën 11:3 spreekt van het geloof als van een vasten grond der dingen, die men hoopt en noemt dit geloof „een bewijs der zaken, die men niet ziet". En. van dat geloof, dat niet slechts beteekent een verstandelijk voor waar houden, maar vrucht is van de levendmakende, wederbarende daad Gods in de zondaarsziel, zegt hij: „door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het Woord Gods is toebereid". De apostel bezigt daarvoor merkwaardige uitdrukkingen. Dat Woord, waardoor die toebereiding plaatsgrijpt, noemt de uitgaande daad, het uitvloeiende woord, dat uit Gods mond uitgaat. En de wereld noemt hij met een woord, dat de opeenvolging der eeuwen, dus de procesmatig zich ontvouwenden levensgang der schepping teekent. En daarvan kan alleen gekend worden door het geloof, dat de Heilige Geest werkt. Dus door dat geloof kan de mensch van die eenheid der wereld iets verstaan, ook dan, als ons verstand haar niet onderkennen kan. En dat hebben wij dus in het oog te houden, als wij de eenheid der wereld niet zien kunnen. Want wij zien haar dikwijls niet.
Ja, ook Gods heiligen in de Schrift getuigen er zelfs van, dat zij deze eenheid der wereld niet ontdekken kunnen en dan krimpt hunne ziel onder het leed ineen. Het gansche boek Job spreekt ervan, worstelt met de groote levensvraag, die er voor den eindigen mensch opkomt in zijn conflict met de wereld, omdat hij de eenheid dier wereld, die toch Gods gewrocht is, niet ontdekken kan. Zoo heeft Job het gevoeld, als hij er over klaagt, dat God zijn recht heeft weggenomen en ,,de Almachtige mijner ziele bitterheid heeft aangedaan". Stond niet ook Asaph met dezelfde verborgenheid, als hij zegt: „Ziet, deze zijn goddeloos, nochtans hebben zij rust in de wereld, zij vermenigvuldigen het vermogen". Hij kon er niets van begrijpen, totdat hij „in Gods heiligdommen inging en op hun einde merkte". Daar schouwde hij het eeuwig recht Gods, hoewel hij er met zijn verstand niets van begrijpen kon, dat het in de wereld zoo vreemd toeging, dat er van een recht Gods niets kon worden ontdekt. Het geloof in Gods gerechtigheid wordt maar al te vaak bestreden, wanneer wij in de wereldgeschiedenis in haar geheel, in onzen eigen kleinen levenskring eveneens meenen te bespeuren, dat hetgeen wij op grond van Gods Woord als recht moeten beschouwen en waaraan de Heere Zijnen zegen heeft verbonden, toch in deze samenleving van volken en menschen niet steeds zoo wordt beloond, althans schijnt te worden beloond.
Zoo wandelen wij menschen vaak in raadselen en komt de vraag van den twijfelaar bij ons op: „Hoe zou God het weten en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?" En zooals dat nu is onder de menschelijke verhoudingen, zoo is dat nu ook in het groot heelal. Gods Woord legt veelvuldig een verband tusschen de zedelijke toestanden op de aarde en hetgeen er geschiedt op het gebied der natuur. Dat wordt duidelijk uitgesproken bij de aankondiging van den zondvloed. „De Heere zag, dat de boosheid der menschen menigvuldig was op de aarde", zoo staat er geschreven om ons het diepe verderf der eerste wereld voor te stellen. Zij waren in velerlei ongerechtigheden uitgebroken, zoodat er van die menschheid niets meer te wachten was. De Heere gaf, om zoo te zeggen, de menschheid als ongeneeslijk op. En dan berouwt het den Heere, dat Hij den mensch heeft geschapen en het smart Hem aan Zijn hart. En daarom kondigt dan de Heere het oordeel aan. Op grond van wat er van die menschheid geworden was, besluit Hij nu tot de verdelging van den mensch. En daarom wordt nu niet alleen de mensch, maar ook het vee, het gedierte der aarde en het gevogelte des hemels ten doode opgeschreven. Het einde van alle vleesch was gekomen. En dan zegt de Heere, om Noach te onderwijzen in den weg des geloofs, die leidde tot den bouw der ark: „Want Ik, zie Ik breng een watervloed over de aarde om alle vleesch, waarin een geest des levens is, van onder den hemel te verderven". Daarin wordt het ons dus geopenbaard, dat er een verband is tusschen hetgeen er geschiedt in de natuur en den zedelijken toestand der menschen.
De zondvloed is ongetwijfeld een geweldig natuurverschijnsel geweest, dat een groote beteekenis heeft gehad voor de daarna volgende climatologische toestanden op de aarde. Dat blijkt vooral uit Genesis 8 : 22, waar de Schrift ons leert, dat Gods onveranderlijk bestel is: „Voortaan al de dagen der aarde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter en dag en nacht niet ophouden". Heel de toestand, waaronder de mensch uit climatologisch oogpunt op de aarde leeft van af den zondvloed tot aan het einde, al de dagen der aarde, werd ingeluid door den zondvloed. Het groote, geweldige natuurgeschieden, dat in het ontwikkelingsproces, dat de aarde tot nu toe heeft doorloopen, van zoo diepgaande beteekenis was, wordt nu in Gods Woord in direct verband gebracht met het zedelijk verderf der menschheid. Die zondvloed toch verschijnt als een tuchtroede Gods, als de voltrekking van een vonnis Gods over een schuldige menschheid.
Wij staan hierbij dus voor dit merkwaardige licht, dat Gods Woord laat opgaan over twee, voor ons menschelijk kennen wel onderscheiden gebieden, waartusschen wij geen verband kunnen zien en die de Heere ons in Zijn Woord in een innigen samenhang voorstelt. Aan de eene zijde is daar het geweldige natuurverschijnsel, dat ons als een zondvloed wordt voorgesteld, en anderzijds is daar de zedelijk verdorven toestand der menschheid. Wij moeten toch de vraag stellen: wat heeft nu dat geweldige geologische proces, dat in den zondvloed tot openbaring komt, te maken met de zondige levenswijze der menschen? Wij kunnen dat verband tusschen die twee gebieden niet zien. En wij kunnen het met ons verstand niet inzien, waarom de vulcanische omkeering van Sodom en Gomorra geschiedt, die een natuurproces is evenals de aardbevingen, die later geheele steden hebben verzwolgen door de aarde. Als de Heere ons in Zijn Woord niet geleerd had, dat deze natuurprocessen samenhangen met zedelijke toestanden op de aarde, dan zouden wij er niet aan gedacht hebben,' er die in te zoeken. Voor ons menschelijk verstand toch is er tusschen den toestand der aarde en de zedelijke gedragingen der menschen geen het minste verband te ontdekken. Doch de Heere legt dit in Zijn Woord.
Gods Heilige Geest ontdekt ons dus in de Schrift, dat er toch zulk een verband bestaat. En dat geldt nu niet alleen bij den zondvloed en bij den ondergang van Sodom en Gomorra, maar dat gaat nu de geheele Schrift zoo door. Zij laat ons zien, dat er krachtens Gods gerechtigheid toch zulk een verband bestaat, zoodat voortdurend het natuurgeschieden een moment wordt in het recht Gods, dat zich voltrekt door geheel het wereldproces heen.
Zoo staat er hier in Deuteronomium 32 : 22, als de Heere Zijn toorn over Israëls zonde openbaart, omdat het een gansch verkeerd geslacht is, kinderen, in welke geen trouw is, die Zijne grimmigheid opwekken, dat Hij een vuur heeft aangestoken in Zijnen toorn en dat „het zal bernen tot in de onderste hel", dat het land zal worden verteerd met zijne inkomst en dat het „de gronden der bergen in vlam zet". Dus daar verkondigt Hij, dat Zijne oordeelen door geweldige, diep de aarde omwoelende natuurprocessen over het volk zullen worden gebracht. En zoo wordt ook in Psalm 18 de reddende daad Gods voltrokken door geweldige natuurprocessen. Immers, David verkeert daar in groote benauwdheden. Hij klaagt over banden des doods en over den schrik der „beken Belials", over banden der hel en strikken des doods. Zijne vijanden belaagden hem en benauwden hem. De Belialsmannen. letterlijk beteekent dit „mannen van niets , maakten het hem zeer moeilijk. En in zijne benauwdheid roept hij nu tot God. „Als mij bange was", zegt hij. „riep ik den Heere aan en riep tot mijnen God . Dan hoort hem de Heere, want zijn gebed drong door voor Gods aangezicht en het kwam in Zijne ooren. En dan treedt de Heere op met Zijne reddende daden. Doch ook die reddende daden worden openbaar door het natuurgeschieden, want David zegt er van: „Toen daverde en beefde de aarde en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.''
Als wij hooren van aardbevingen, dan denken wij aan het seismologisch instituut, waarin ons de aardbewegingen worden geregistreerd met behulp van instrumenten en wij moeten dan wel vragen: wat hebben deze aardbevingen nu te maken met den zedelijken toestand der menschen? Welnu, over dien samenhang kan ons verstand ons niet inlichten, over dat verband kan geene wetenschap der seismologie ons licht doen opgaan. Maar de Heere laat het ons in Zijn Woord toch zóó zien, dat er zulk een verband is, want het Woord openbaart ons de volstrekte eenheid des heelals, zoodat er in hemel en op aarde niets op zichzelf staat. Dezelfde God, die de hemelen en de aarde schiep, draagt deze van oogenblik tot oogenblik door het Woord Zijner kracht, volbrengt daarin Zijnen eeuwigen Raad, zoodat Hij steeds bezig is te scheppen een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde. En in dat scheppingsproces is de mensch als naar Gods beeld geschapen, het centrale moment, dat in die eindontwikkeling de eindbestemming aller dingen zal verwerkelijken. En daarom staat het natuurlijke niet los naast het menschelijk geestelijk en zedelijk leven.
„Ziet", zegt hij, „Ik heb den smid geschapen, die de kolen in het vuur opblaast en die het instrument voortbrengt tot zijn werk, ook heb Ik den verderver geschapen om te vernielen' . Maar zoo geldt ook van Hem: Als Hij spreekt, zoo doet Hij een stormwind opgaan, die hare golven omhoog verheft. Gelijk Hij ook den storm doet stilstaan, zoodat hunne golven stilzwijgen. En dus leert ons het geloof verstaan de eenheid der wereld, die in alle hare ontwikkelingsstadiën afhangt van dien éénen God, die alle dingen werkt naar den Raad Zijns wils, maar daarom ook tot Gods kinderen zeggen kan: „Wij waren in het vuur en in het water gekomen, maar Gij hebt ons uitgevoerd in eene overvloeiende verversching ".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 februari 1938

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Van de laatste dingen. 1e serie. V.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 februari 1938

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken