Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De lijdende Borg

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De lijdende Borg

(Zesde Kruiswoord.) II (slot).

14 minuten leestijd

Johannes 19 vers 30a. Toen Jezus dan den edik genomen had, zeide Hij: Het is volbracht.

Jezus aan het kruis, aan het vloekhout! Hier behaalt Hij overwinningen. Nooit kon een veldheer onder de kinderen der menschen zich beroemen op zulk een triumph. Hij streed, zooals nooit iemand streed. Hij deed de poorten der hel niet slechts schudden, maar verwon haar, zoodat de sleutels aan Zijn gordel worden gehecht. Vader, zoo mocht Hij in zijn gebed reeds profetisch belijden: Ik heb voleindigd het werk, dat Gij mij te doen hebt gegeven. Zijn werk is volkomen. Zijn arbeid is af. Zullen onze werken vol worden gevonden voor God, dan is ons noodig in het werk van den Borg te schuilen, met zijn gerechtigheid te worden bekleed. Hoewel ik nooit kan zeggen: mijn werk is af, mag ik toch gerust gaan slapen, omdat zijn werk af is en het mijne met al het gebrek er aan verbonden, volkomen bedekt. En het is dan of ik al zijn werk heb gedaan.
Ja waarlijk, ik mag in vrede gaan slapen. Hij doet mij zeker wonen. Geen rustbed zoo zacht als het volbrachte werk van Christus. Al kan Gods pelgrim dan al niet slapen, zoo mag hij toch geestelijk rusten; rusten van alle eigen werk en zich verlustigen in het werk van Jezus. Het is volbracht. Dit woord is de triumpkreet over de voleinding van het gansche verzoeningswerk. Het losgeld is betaald, de misdaad vergeven door verzoening met het bloed, het offer is gebracht ter plaatse waar de vloek zelfs in den vorm, waarin het vonnis des doods werd voltrokken, luide sprak. De dood des kruises.
De strijd is volstreden, het leed doorleden, schuld, vloek en dood zijn weggenomen. Satan is onttroond, Gods toorn gestild, de hitte van zijn gramschap gebluscht, zijne deugden Verheerlijkt, de zaligheid verzekerd.
Ja, de put des afgronds is gesloten, de gerechtigheid gevonden, de hemel geopend, de strik is gebroken, de gevangenen bevrijd, de vijanden gebonden. Geen woord is den Vader aangenamer, den engelen zoeter, den zondaren zaliger en den duivel schrikkelijker, den Zoon meer vereerend. Het is volbracht, ja, het is volbracht. Het is volbracht, volbracht voor eeuwig; alles volbracht. Mijne verdienste is de barmhartigheid des Heeren, zoo luidde de gulden spreuk van Bernhardus. Want wij belijden met Job, dat in ons geen gerechtigheid is: Waarlijk, ik weet, dat het zoo is, want hoe zoude de mensch rechtvaardig zijn bij God, zoo Hij lust heeft om met Hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem antwoorden." Alleen deze voldoening kan den Heere bevredigen. Dit schijnt ook de Roomsche keizer Maximiliaan de tweede te hebben verstaan. Toen hij op zijn sterfbed lag, beval hij zijn biechtvader Gruterus, dat hij hem niet een eenig woord spreken zou van zijn eigen verdiensten, noch van die der heiligen, noch van pijen en kappen der monniken, maar alleen van Christus Jezus, en van zijne gerechtigheid en genoegdoening. Hij zou alle vreemde bijvoegsels laten varen, omdat hij zeker wist, dat in Christus Jezus alleen onze gansche zaligheid en alle schatten des eeuwigen levens begrepen zijn. Hij wilde dan ook, wat men ook mocht zeggen, in het geloof op dezen Jezus van hier scheiden.
Maar laten wij nog van een andere zijde dit kruiswoord benaderen en erin beluisteren, hoe Jezus het genadeverbond bekrachtigt. Dat verbond was vast en zeker, in alles wel verordineerd. Nu verzegelt Hij het met zijn dierbaar bloed. Het wordt bekrachtigd met zijn kruisdood. De eisch des verbonds voor Hem als Middelaar was, dat Hij moest worden geslagen, verbrijzeld, verwond, gedood. Welnu, Hij heeft dat alles geleden en zoo zijn deel in de eischen des verbonds vervuld. Daarmede wordt het verbond bekrachtigd. Hier zijn nu Gods onwrikbare vastigheden. Aldus opende de Zoon den weg voor den Vader en den Heiligen Geest om hun deel in het verbond te vervullen. Zoo gaat het ook in de toepassing, waar we straks nog bijzondere aandacht aan willen besteden. De Vader kan zijn „fiat" niet geven, als de Zoon niet is geopenbaard en de Geest kan niet verzegelen als de Zoon niet is geschonken. Ook die huishouding des verbonds is ons zeer dierbaar geworden.
Nu kan de Vader als een rechtvaardig God verloren zondaren zalig maken en bij Hem doen wonen tot in eeuwigheid, hen bekleedende met de heerlijkheid Zijns Zoons. De weg naar het Vaderhart is geopend voor Christus en de zijnen, want de Middelaar is nooit alleen. Christus wordt nu tevens geëerd gelijk de Vader. Hij had de heerlijkheid bij den Vader eer de wereld was, als de Zoon, doch thans verwerft Hij de heerlijkheid als Middelaar, om eeuwig met den Vader te zitten in diens troon. En allen, die overwinnen door het bloed des Lams, zullen met Hem zitten in zijnen troon, gelijk Hij heeft overwonnen en is gezeten met den Vader in zijnen troon. Ja, die overwint zal alles beërven.
Deze overwinningskreet aan het kruis spreekt ons ook van den Trooster, die komen zal. Hij zal dien van den Vader bidden op grond van zijn volbrachte werk. Zoo is er dan geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn. Zalig, wanneer deze Borg ons deel werd; geschonken als gave des Vaders. De apostel schreef aan de gemeenten: Maar gij zijt afgewasschen, maar gij zijt geheiligd, gij zijt gerechtvaardigd door den naam des Heeren Jezus. In den lijdenspsalm 22 wordt met blijden jubel verkondigd de vrucht van het lijden van den Messias: Zij zullen aankomen en zijne gerechtigheid verkondigen aan het volk, dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft. Een schare, die niemand tellen kan, wordt vergaderd van alle einden der aarde en zij zullen nederknielen en aanbidden.
Dit kruiswoord bepaalt ook den inhoud van het Evangelie, dat overal moet worden verkondigd. Het Evangelie van vrije genade, dat alle werk des menschen als ter zaligheid ontoereikend noch medehelpend ter zijde stelt. Noch armoede, noch lijden, noch goede werken kunnen ons een ingang schenken in het Koninkrijk der hemelen. De verlossing is alleen door vrije genade in Jezus' bloed. Het dorsten naar gemeenschap met God kan alleen door hem worden gestild. Tot den schuldigen, boetvaardigen zondaar komt de boodschap: al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen worden als witte wol.
Alleen in dit volbrachte werk is de rust des geloofs; dan mag ons hart verblijd zijn en onze tong vroolijk roemen: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, die rechtvaardig maakt, wie is het die verdoemt, Christus is het, die gestorven is, ja, wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter rechterhand Gods zit, die ook voor ons bidt. Wie zal ons scheiden van de liefde Gods, die daar is in Christus Jezus? Luister:
Het is volbracht! En al mijn zonden
Verdoemen thans mijn hart niet meer.
Ik hoor uit 's hemels troon verkonden:
Uw Borg en Redder is de Heer'.
Ik zie op het Lam, dat is geslacht
En leef door 't woord: het is volbracht.
Er is zeker oorzaak om bij dit kruiswoord nadruk te leggen op de vele dwalingen en stil te staan bij den tegenzin onzer natuur om door vrije genade zalig te worden.
De Joden lasteren ook heden nog, dat onze Heiland een opgehangene is geweest en zij verwerpen hem met de grootste stelligheid. Dit Evangelie is nog den Jood een ergernis. Er ligt tot op den huidigen dag een deksel op hun hart bij het lezen van Mozes en de profeten. Toch wordt van tijd tot tijd ook uit het Jodendom deze en gene toegebracht, omdat de Heere ook onder dit volk nog een overblijfsel naar de verkiezing der genade heeft, dat wordt geroepen tot het geloof in den Messias.
Het is volbracht. Dan treedt ons de Roomsche kerk tegen met al hare dwalingen en wezenlijke verwerping van het eenige offer van Christus aan het kruis geschied. Wel maken de Roomschen veel ophef van het kruis en het kruisteeken, maar den gekruiste doen zij groote oneer aan door hun misoffer, de onbloedige herhaling van het kruisoffer, dat voor de zaligheid onmisbaar heet. Daarom vervloekt Rome de Reformatie ook hierin, dat zij de algenoegzaamheid van dit borgwerk op den voorgrond stelt en alle toevoeging eene beleediging rekent voor Christus en zijnen Vader.
De verdiensten der heiligen moeten bij Rome het werk van Christus aanvullen en het verzonnen vagevuur zou de zielen der afgestorvenen louteren. Zoo wordt het offer van Christus gekleineerd en zijn uitroep: Het is volbracht, tot een leugen gemaakt.
De groote Roomsche kampioen Bellarminus, een reus onder deze Filistijnen in het hoonen van de slagorden des levenden Gods, moest toch belijden, dat de goede werken een onzekeren grondslag vormen om ter zaligheid op te rusten. Zoo schreef hij in zijn verhandeling van: „de rechtvaardigmaking des zondaars'' ook dit: „Wegens de onzekerheid van onze eigene gerechtigheid, en om het gevaar van een ijdelen roem, zoo is de zekerste weg. dat men zijn gansche vertrouwen stelle op de enkele barmhartigheid en goedertierenheid Gods."
Maar genoeg over degenen, die buiten ons zijn. Keeren wij ons tot de velen, die onder ons worden gevonden en die door woord en daad loochenen de waarheid van het kruiswoord: het is volbracht. De zuurdeesem van het pausdom is niet uitgebannen. Wij dragen feitelijk allen een paap in ons hart van nature. Doch nu is er groot verschil of wij in belijdenis dezen paap erkennen dan wel hem rechtzinnig verklaren en verdedigen ook in de leer. Alles wat remonstrant is, al keert men zich uitwendig tegen Rome, doet dit in wezen. Hoe onwetend is men van de verdoemelijkheid van den zondaar en menigeen leeft voort op zijn werken met een helpenden Jezus, van wien men luide zingt, maar dien men helaas niet kent. Van hun verdoemelijkheid, ellendigheid en verlorenheid willen zij feitelijk niet weten. Zij leven eerbaar, geven ieder het zijne, lezen, bidden, gaan ten Avondmaal, wat valt er op hen te zeggen? Dit! Zij hebben wel een gedaante der godzaligheid, maar hebben de kracht verloochend. Van geestelijk waken en bidden, kermen en zuchten, jubelen en danken weten zij niet af. Vooral twee groepen van menschen kunnen zij niet verdragen. Menschen, die in de zonde hebben geleefd en tot God zijn bekeerd. Neen, dat is toch eigenlijk ongehoord, dat zulke lieden zouden zalig worden en met hen in den hemel komen. Doch niet minder haten zij, ja, nog meer, degenen, die het leven der vrije genade belijden, ook al waren zij eertijds burgerlijk brave menschen. Neen, dat leven van vrije genade begeeren velen ook onder ons niet. De haat hiertegen openbaart zich steeds meer, zelfs onder het mom der rechtzinnigheid. Deze burger-christenen haten harte-christenen.
Doch nog een andere groep menschen stelt zich evenzeer in vijandschap tegen den uitroep aan het kruis: het is volbracht.
Neen, zeggen zij: niet verdienen, maar gelooven. Het is volbracht. Wij moeten vertrouwen, dat Jezus dit ook voor ons heeft gedaan en dat mogen en moeten wij gelooven. Wij zijn bovendien kinderen des verbonds. Zoo zullen wij zalig worden. Al die bevinding is dwaasheid.
Bekeering, dat is goed voor grove zondaars. Zóó stellen zich heele scharen van menschen tevreden met hun geloof. Ja, als het gaat op een sterven, zeggen zij: Mijn zonden zijn verzoend door Jezus. Hij heeft ook voor mij geroepen: het is volbracht.
Maar, zoo vraagt gij: zouden ze dan zoo maar liegen zelfs bij het naderen van den dood? Ja zeker, of meent gij, dat het niet waar is, wat Jezus zei: Velen zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen? Hij zal zeggen: Ik heb u nooit gekend. Onkunde meent evengoed zalig te zullen worden als Christen, die femelaar en zwartkijker. Soms scheurt God het geweten open, zoodat zij ontsteld moeten bekennen zich te hebben bedrogen. Maar de Heere laat velen van deze blinde menschen in hun bedrog heengaan om verschrikt te ontwaken in de eeuwigheid. En hun vrienden, die er op dezelfde wijze meenen te zullen komen, troosten zich, dat de weg, dien zij bewandelen, toch wel veilig is en prijzen hun vriend zalig. Zoo wordt dat sterven zelfs tot een oordeel der verblinding, opdat zij niet zouden ontwaken uit den strik des duivels. Stoute en zorgelooze zondaars zonder hartveranderende genade stellen zich gerust in hun vleeschelijk verstand met hun vertrouwen, dat zij zelf hebben gekweekt. Jezus is gestorven niet slechts om de zonde te verzoenen en recht ten eeuwigen leven te verwerven, maar Hij heeft ook den reinigmakenden Geest verworven om de weldaden des verbonds toe te passen. Het is een wanbegrip van het geloof te meenen, dat het bestaat in een louter vertrouwen, dat Christus ook voor mij heeft voldaan. Wanneer er geen levende kennis der ellende is, smartelijk gevoel, dat wij tegen God hebben gezondigd, honger en dorst naar de gerechtigheid, liefde in het hart tot den Christus, die geopenbaard wordt door den Heiligen Geest aan het hart, is alle dusgenaamde vertrouwen ijdel. Alles is slechts inbeelding en bedrog van het verdwaasde hart en verdorven verstand. Menigeen is dien Athener gelijk, die in zijn waan zeide, dat alle schepen, die de haven binnenvoeren, zijn eigendom waren en hij bezat nog geen uitgeholde boomstam om in te varen.
Hoe anders is het bij den heilbekommerden zondaar, die worstelt om genade en leert verstaan, dat buiten |ezus geen zaligheid is en hij met niets anders dan met zijne gerechtigheid voor God kan bestaan.
Het is volbracht. Zeker, maar nu behoeft hij de toepassing: voor u. Want wat leert de overtuigde zondaar? Hij leert, dat het rechtvaardig zou zijn, indien hij een Ezau of Ismaël werd bevonden. Met andere woorden, ook de waarheid der eeuwige verkiezing leert hij als werkelijkheid kennen. Neen. hij zegt niet: als ik verkoren ben, dan word ik zalig en anders niet. Ach neen, daarmee kan hij zich niet helpen. Op geheel andere wijze krijgt hij met deze waarheid te doen. Vanuit de werkelijkheid zelf moet hij leeren geen recht ten leven te hebben, rechtvaardig verworpen te kunnen worden en tegelijk snijdt de gedachte door zijn ziel: o God, eeuwig, maar toch rechtvaardig zal ik U moeten missen. Moet hij eenerzijds God vrij laten in zijn recht, tegelijk kan hij den Heere niet vrij laten in de betrekking zijner ziel. Beide werkt de Heilige Geest. In sommige kringen werkt men al te verstandelijk met de leer der verkiezing. Dat is niet zonder gevaar om de klem op het geweten te verliezen en de menschen al te gemakkelijk naar het verderf te laten gaan. Zoo doet de Schrift allerminst en deden ook onze vaderen niet in hunne prediking. Alle deelen der waarheid moeten tot hun recht komen, wanneer wij met den zondaar onderhandelen voor het aangezicht Gods in de bediening en in gesprek.
Neen, de ontdekte zondaar moet op geheel andere wijze met de waarheid Gods kennis maken. Hij wordt onderwezen door den Heiligen Geest, dat hij buiten Christus' verdiensten niet voor God kan bestaan, maar diezelfde Geest wekt de begeerte in zijne ziel naar verzoening, naar bevrediging met God. Die Geest leert hem echter ook beamen, dat het een daad van vrij ontfermen zou zijn, wanneer de Heere zich zijner ontfermde. Hij kan zich nu niet behelpen met de redeneering, zooals velen dat o zoo gemakkelijk kunnen: het is zoo n vrij werk en inmiddels gaarne buiten God en Christus blijven. Dat is de rechtzinnige onrechtzinnigheid en vijandschap tegen God.
Deze lieden zijn niet minder ontstoken tegen de genade dan de werkheiligen, al is het op andere wijze, Zij zijn evenmin der rechtvaardigheid Gods onderworpen.
Ons hart beeft, wanneer wij dit alles opmerken in onze dagen als geijkte vroomheid en niet als verwerpelijke afkeerigheid des harten van God en zijnen Gezalfde.
Ach, leerden zij geweld doen op het Koninkrijk Gods.
Wat is het dan toch met den waren heilbegeerigen zondaar gansch anders gesteld. Zij hebben geen rust voor ook aan hun ziel is toegepast:
Het is volbracht. Weergalooze liefde Gods, dat Hij zelf voor zijn eere heeft gezorgd en zoo voor de zaligheid der zijnen.
Dit offer is volkomen. Te rusten in dit offer schenkt vrede en voert ons tot den vrede Gods, die alle verstand te boven gaat.
Dit: het is volbracht, zal eenmaal leiden tot het andere: het is geschied, en dan is het eeuwigheid geworden om God groot te maken in lichaam en ziel en de kroon te werpen aan de voeten van het Lam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 maart 1938

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

De lijdende Borg

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 maart 1938

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken