Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Erfvloek I.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Erfvloek I.

7 minuten leestijd

De vraag kwam in om opheldering — door persoonlijke ervaringen gedrongen — over den samenhang tusschen Exodus 20 vers 5 en Ezechiël 18 vers 20. Hieronder volgen de texten.

Exodus 20:5. Gij zult u voor die niet buigen noch hen dienen, want Ik, de Heere uw God, ben een ijverig God, die de misdaden der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde lid dergenen die mij haten.
Ezechiël 18; 20. De ziel, die zondigt die zal sterven: de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid des zoons: de gerechtigheid des rechtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid des goddeloozen zal op hem zijn.

In het kort willen we de vraag beantwoorden. De lezer begrijpt, dat voor den vrager de moeilijkheid hierin zat, hoe het nu samenstemt, dat in het tweede gebod gesproken wordt van een erfvloek, doch dat Ezechiël 18 iets anders schijnt te bedoelen en alleen van persoonlijke zonde spreekt.
De vrager gaat natuurlijk uit van de eenheid der Schrift, zoodat het van te voren vaststaat, dat er van wezenlijke tegenstrijdigheid geen sprake kan zijn.
Op Schriftcritisch standpunt oordeelt men daarover anders. Zoo promoveerde Dr. J. H. Gunning J.Hz. in 1881 tot doctor in de Theologie met een dissertatie: De goddelijke vergelding, hoofdzakelijk volgens Ex. 20 : 5, 6 en Ezechiël 18 : 20. Hij bedoelde aan te toonen, dat deze plaatsen niet schijnbaar, maar werkelijk met elkaar in strijd waren.
De lezer bemerkt, dat deze kwestie dus niet voor 't eerst nu aan de orde komt. In het kort willen wij de richting aanwijzen, waarin de oplossing moet worden gezocht, zonder in uitvoerige bijzonderheden te treden bij deze vraag. Dan moeten anderen te lang op antwoord wachten.
Ik begin met Ezechiël 18. In Jeremia 31 : 28 en Ezechiël 18 : 12 lezen wij, dat er in Israël een spreekwoord was: de vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn stomp geworden.
De rechtvaardigheid Gods werd betwist. In dit spreekwoord werd met cynischen hoon God beleedigd. Dit geschied-, de zoowel in Juda, waar Jeremia profeteerde als in Babel, waar reeds een deel van het volk van Juda verkeerde en waarheen de profeet Ezechiël was meegevoerd. Het spreekwoord is op zichzelf een dwaasheid. Het eten van onrijpe, zure druiven, dat nog heden ten dage in Syrië zoo gaarne geschiedt, heeft tot onmiddellijk gevolg het stroef worden der tanden. In de dagelijksche ervaring is het een dwaasheid te zeggen, dat men door het eten van onrijpe vijgen een ander stroeve tanden kan doen krijgen. Doch daar is het de Judeërs nu juist om te doen; om God bespottelijk te maken in zijn werk. Zij hadden om het onrechtvaardige doen des Heeren —- gruwel der gruwelen — te brandmerken, er een spreekwoord op gemaakt.
Dit spreekwoord bestond zoowel in Judea zelf als onder de reeds weggevoerde ballingen naar Babel. Zoowel Jeremia als Ezechiël toornen tegen deze goddeloosheid.
Welke schuld heeft het huidig levende geslacht aan het oordeel, dat over land en volk komt? Met allerlei ellende hebben zij te worstelen, de ondergang van stad en tempel wordt gedreigd als onafwendbaar. Zij zijn er niet aansprakelijk voor, zoo verbeelden zij zich. De rampen van heden zijn het noodzakelijk gevolg van de daden der voorgeslachten, zoo zeggen zij. Dat is ongerijmd, vinden zij. Zoo achten de tijdgenooten van Jeremia en Ezechiël zich onschuldige slachtoffers van het schuldig bedrijf der vaderen. Daarom zij weten zich vrijwel onschuldig en durven dus zeggen: Des Heeren weg is niet recht (vs. 25).
De juistheid nu van dit goddelooze spreekwoord wordt door Jeremia en Ezechiël betwist. Ieder zal om zijne ongerechtigheid sterven; wie de onrijpe druiven eet, dien zullen zelf de tanden stroef worden.
Wanneer Israël door Gods oordeelen wordt getroffen, is het niet alléén om de zonden der vaderen, maar om hunne eigene zonden. God is niet onrechtvaardig, als Hij de zonden der vaderen bezoekt aan de kinderen. Het zijn zondige kinderen, aan wie de zonden der vaderen worden bezocht, die leven in de zonden der vaderen, de maat der vaderen vol maken.
Wanneer hun goddelooze gedachten niet worden verbroken en uitgebannen, zal geen bekeering, maar voortgaande verharding worden gezien. De profeet ontvouwt nu de vraag hoe de samenhang der geslachten en de persoonlijke verantwoordelijkheid beide gehandhaafd moeten worden. Op de laatste moet hij hier bijzonderen nadruk leggen. Het is toch dwaasheid te meenen als zouden deze profeten gaan breken met de oude collectieve vergeldingsleer en een meer individualistische theorie zich ging baan breken. Neen, aan hetgeen het tweede gebod leert, raken de Godsmannen niet. Jeremia verkondigt, dat de Heere niet alléén met het levende geslacht, maar ook nog met hunne kindskinderen twisten zal ( 2 : 9 ) .
De Judeërs leggen allen nadruk op den samenhang met het voorgeslacht, dat in de wet hun werd gepredikt, maar allerminst doen zij dat in de vreeze Gods. Zij ontkennen hun eigen verantwoordelijkheid. Verre echter is God van onrecht. De goddelooze zoon kan niet worden behouden door de gerechtigheid van den vader en de godvreezende zoon komt niet om door de zonde van den vader. Maar dan is niet meer de wet, doch de genade aan het woord. De profeet ontkent dus niet den samenhang der geslachten, noch hetgeen in het tweede gebod wordt geleerd, doch stelt den mensch persoonlijk verantwoordelijk voor zijne zonde. Zij vergeten ook met opzet, dat in het tweede gebod is toegevoegd: dergenen die mij haten.
De ziel die zondigt, die zal sterven. Wel deelt dus de zoon in de gevolgen van de zonde der vaderen, maar zelf zondaar zijnde, kan hij zich niet beklagen. Hij heeft den dood verdiend.
Laten we echter nog een schrede verder gaan en Calvijn het woord geven op deze Schriftuurplaats: ,,Men houde den val in Adam in het oog. Als wij niet verstaan, dat in Adam gansch het menschelijke geslacht zichzelven heeft verdorven, begrijpen wij deze dingen nooit. Wat dit laatste betreft kan zeker gezegd, dat eens anders schuld onze ondergang is, en toch moet tegelijk gehandhaafd worden, dat ieder alléén door zijn eigen schuld het verderf beërft. Adam viel. Dat geschiedde buiten ons en was oorzaak van onze vervloeking. Maar daardoor werden wij allen verdorven; ons verderf en onze vervloeking huisvesten dus in onszelf. Van de geboorte af zijn de kinderen verdorven. Dat zien wij niet, maar God, die scherper ziet, wel. De erfzonde, die aankleeft, is dus voldoende om het kleine kind verdoemelijk te stellen. Bij het opgroeien vermeerdert die door de dadelijke zonden. Zoo zijn wij allen kinderen des toorns.
Zoo zegt David in Psalm 51, dat hij in zonde is ontvangen en geboren. Dat verzwaart zijn zonde, dat hij van zijn geboorte af een zondaar was. En waar wij nu allen verdorven en vervloekt zijn, zijn wij in onszelven den dood waardig. En zoo sterft de zoon niet om de ongerechtigheid zijns vaders, maar om zijne eigene."
Dus, krachtens den samenhang met Adam zijn wij allen kinderen des toorns en deelen wij in de gevolgen van den val. die onze val is in Adam en die in ons persoonlijk aanwezig is. De gevallen zondaar kan zich niet meer beroepen op Adams zonde, omdat hij zich zelf zondaar bevindt. Bij het tweede gebod zullen wij nog op eene andere zijde der waarheid wijzen.
Als de zoon met den vader omkomt, ontvangt hij niets anders dan wat hij óók zelf heeft verdiend. De zoon. het volgend geslacht, sterft dus niet om een bepaalde zonde van de vaderen, ook al kan hij in de gevolgen dier zonde moeten deelen, zooals de ervaring leert en de Schrift ons onderwijst.
Wat Jeremia en Ezechiël, of liever de Heilige Geest, ons dus leert is dit: Om eigen zonde sterft de mensch, gaat ten onder in den eeuwigen dood.
Wanneer hij dan nog bovendien de zonden der vaderen navolgt en zich nog zwaarder schuldig maakt, heeft hij den dood dubbel verdiend. Ieder zal zijn eigen pak dragen.
Doch nu komt de roepstem tot bekeering en spreekt de Heere van genade tot den boetvaardigen zondaar. De ziel, die zich bekeert, zal leven. Toch kan het dan zijn, dat hij nog deelt in de tijdelijke straffen, die om der vaderen wil komen over de kinderen.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 25 juni 1938

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Erfvloek I.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 25 juni 1938

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken