Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Van Mij vervreemd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Van Mij vervreemd"

11 minuten leestijd

Het is een merkwaardig verschijnsel, dat de gescheiden kerkformaties, die in den loop der jaren de Hervormde Kerk hebben verlaten, als zij eenigen tijd op eigen beenen hebben gestaan, weldra blijken leerstellig van den goeden weg af te dolen. De Scheiding van 1834 heeft een groot aantal en daaronder inderdaad Godvreezende menschen uit de Hervormde Kerk meegevoerd. Aanvankelijk hielden zij zich in hun afgescheidenheid tamelijk rein van leer en leven, al was hun afscheiding op zichzelve niet geheel in overeenstemming met de Belijdenis, die immers duidelijk leert, evenals onze beste Godgeleerden, een man als Wilhelmus a Brakel en anderen, dat de zonden en de gebreken, waaronder de Kerk kan lijden, soms geheel overdekt kan worden, dat zij nauwelijks meer te onderkennen valt, het toch aan niemand veroorloven zich af te scheiden. Want dat kan nimmer geschieden zonder een scheur te trekken in het lichaam Christi. En de gevolgen van het afscheidingsbeginsel, de ervaring leert het, zijn dan ook voor geheel de positie der Kerk in Nederland in één woord vreeselijk gebleken. Het scheidingsproces bleek een altijd voortwoekerende splijtzwam, gelijk die ook de gescheidenen zeiven altijd opnieuw doet scheiden en alzoo het kerkelijk leven geheel verkruimelt.
Nu werd onlangs het feit der Ledeboeriaansche beweging herdacht. En wij hebben de verslagen gelezen, die de bladen brachten over die herdenkingspredicaties. Het viel ons daarbij op, dat er zoo groote nadruk op gelegd werd, dat Ledeboer niet gescheiden, maar uitgeworpen is. Als ik het goed begrepen heb, dan vonden sommigen daarin eene zekere verontschuldiging voor hunne afscheiding. Ds. Ledeboer is uitgebannen. Maar als ik Ledeboer goed begrijp, dan volgde daaruit volstrekt niet, dat het zijne begeerte was een afgescheiden kerkje te stichten. Hij was tot het ambt geroepen van Gods gemeente en mitsdien van God zeiven. Hij had zijn ambt niet van zichzelven, ook niet van de synodale organisatie. Deze kon hem dus het ambt ook niet afnemen. Eenmaal was hij wettig geroepen en wettig geroepen bleef Ledeboer dienaar des Woords. Ook toen hij uitgeworpen was, bleef hij dat. En het gevolg kon alleen zijn, dat hij eenvoudig voortging met den arbeid, waartoe God hem geroepen had. Maar daaruit behoefde geen nieuwe kerkformatie te volgen. Ledeboer kon ook blijven arbeiden, welk gevolg er uit mocht komen. Dat kon hoogstens zijn eene echte doleerende Kerk.
Maar wat nu van Ledeboer geldt, is dat nu ook van toepassing op alle andere hedendaagsche leeraren b.v. der Gereformeerde gemeenten? Die zijn toch niet allen uitgeworpen, maar op welken grond dan ook, uitgegaan door een vrijwillige daad. Ik kan niet inzien, dat dit geen afscheiden zou zijn. Ik weet natuurlijk wel, dat de Geref. gemeenten geestelijk meer verwant zich gevoelen aan de Hervormde Gereformeerden dan aan de neo-Calvinisten dezes tijds. Maar het feit. dat deze Gereformeerde gemeenten aan scheiding haar ontstaan danken, verandert daardoor niet. De Heeren zijn niet uitgebannen, maar uitgegaan. Ik heb zelfs wel eens gehoord, dat wanneer iemand zich aandient om tot de predikantsopleiding der Gereformeerde gemeenten te worden toegelaten, de candidaat zeer nauwekurig aan den tand gevoeld wordt, of hij wel voor goed met de Hervormde Kerk heeft gebroken. Zoo is het mij eens meegedeeld als ondervinding van een afgewezen liefhebber. Het behoeft dus niet betwijfeld te worden, of de Geref. gemeenten zijn ook afgescheiden en staan anders dan Ledeboer.
De scheidingsbaccil nu werkt steeds door. Ik zou niet durven zeggen, dat dit strekt tot heil van het Nederlandsche Zion. Zelfs kan volstrekt niet gezegd worden, dat de scheiding ook maar de geringste waarborg geeft tegen afdwaling. Integendeel, de ervaring leert het tegendeel. De scheiding van 1834 levert er het bewijs van en die van 1886 nog veel meer na de vereeniging van 1892.
Wie de afgescheiden kerk, zooals deze zich sinds 1834 ontwikkeld had, goed aanzag, moest wel begrijpen, dat de uitwendige opgang, want die heeft de afgescheiden Kerk ongetwijfeld gemaakt, gelijken tred hield met de innerlijke verwording. In 1892 was de afgescheiden Kerk geestelijk bij lange na niet meer, zooals de Vaderen der scheiding haar hadden gekend. Dat beteekent niet, dat er geen Godvreezende menschen meer in waren. Die waren er zeker in. Ik heb er in mijne jeugd gekend, ik heb er hooren spreken, zooals ik het destijds nog niet begrijpen kon. Er waren zeker Godvreezende, lieve kinderen Gods ook destijds nog in grooten getale in de Kerk der scheiding. Maar hoe waar dit ook moge zijn, het deed niet af aan het feit, dat de algemeene gang der geestelijke leiding reeds gewijzigd was in 1886. Er waren reeds toen symptomen, die heenwezen naar een verwording in ethische richting. Er waren trouwens toen reeds onder de afgescheidenen drijvers voor gezangen. En ook de preeken begonnen reeds een veel minder geprononceerd gereformeerd karakter te dragen.
Nu behoeft dit niet te verwonderen, want ten slotte leven ook de afgescheiden menschen midden in de wereld en het zou een wonder zijn, als de geest der wereld de deur der afgescheiden kerkjes voorbijging. Dat doet hij trouwens ook niet. Als hij de deur uitgewezen wordt, komt hij door de ramen en als de ramen gesloten worden, door de kieren, want ook de afgescheiden menschen, zij mogen zich zooveel trachten te isoleeren als zij willen, verkeeren met hun gezin in de wereld. De Godvreezende ouders kunnen hunne kinderen toch niet veranderen en tot God bekeeren, want genade is geen erfgoed. Maar hunne kinderen behooren toch tot het afgescheiden kerkje. En het ligt dus voor de hand, dat krachtens den natuurlijken loop der dingen ook de afgescheidenheid den tijdgeest niet buiten de Kerk houden kan. Zelfs is een afgescheiden kerkformatie daarvoor nog minder geschikt dan de in de Hervormde Kerk met haar leervrijheid worstelende Gereformeerden. Dezen toch worden alleen door den geestelijken band der gemeenschappelijke nooden bij elkaar gehouden. En zij lijden onder den druk, waaraan de gescheidenen zijn ontkomen. Van de scheiding geldt, dat zij na het huis van den boozen geest te hebben gereinigd, door andere geesten worden bezocht. En dan blijkt het, dat ook op de scheiding toegepast kan worden het woord: „Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, boozer dan hij zelf en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar. En het laatste van denzelven mensch wordt erger dan het eerste. Alzoo zal het ook met dit boos geslacht zijn."
Reeds voor de vereeniging van 1892 waren er in de afgescheiden kerkformatie symptomen van verval. Als ik daarop wijs, dan mag dat niet als een verwijt worden beschouwd, want het is en moet zijn het natuurlijk beloop der dingen. Het kon, zooals ik reeds opmerkte, niet anders worden verwacht. De menschen, alle menschen, ook alle afgescheidenen, leven in deze wereld en ondergaan er den invloed van. En dat verwordingsproces deed zich nog veel sterker gevoelen na 1892. De doleantie was uit een wortel van veel minder geestelijk gehalte geboren, was in den grond der zaak een politiek gewrocht. Ik wil daarmede niet zeggen, dat allen die er mede uittogen, dat beseft hebben. Er waren er natuurlijk bij, die in volle geestelijke overtuiging optrokken. Er zijn er nog, die graag spreken van de Reformatie. Maar wezenlijk had het er niets van, was de opzet politiek. De ervaring heeft het trouwens geleerd, hoe heel deze kerkformatie in den letterlijken zin verpolitiekt is, zoodat deze gescheiden kerk van 1892 een politiek machtsmiddel geworden is. Het gevolg daarvan was, dat deze „gereformeerde Kerken" nog veel meer open lagen voor den geest dezer eeuw. De socialistische mentaliteit speelde er zelfs zulk een grooten rol in, dat niet slechts de kerkelijke gewoonten er door beïnvloed werden, maar de prediking niet minder. Al wat aan rang en stand in de maatschappij herinnerde, was contrabande. Zelfs de eenheid des gezins werd er aan opgeofferd. Er zijn voorbeelden van, dat ouders, die prijs er op stelden in de kerk hunne kinderen bij zich te houden, geen bank konden krijgen voor hun gezin. Een kerkganger was een kerkganger en dus geen onderscheid!
En wat nu van zelf ook sprak, het geheele kerkelijke apparaat werd door den invloed van den tijdgeest aangetast. En zoo zagen wij in den loop des tijds, hoe met name de predikanten dezer „gereformeerde kerk" zich steeds meer in ethische kringen indrongen en omgekeerd door de ethischen werden aangetrokken. Er zijn dan ook allerlei vereenigingen met een algemeen Christelijken inslag, waarin wel „gereformeerde Heeren worden uitgenoodigd, maar die voor Hervormde Gereformeerden geene plaats blijken te hebben. Een vriend van het Geref. Weekblad zond mij nevengaand stukje, waarin Dr. Kaajan zijn hart lucht over vragen, die tot hem gekomen zijn, waaruit blijken kan, dat niet vandaag of gister het euvel zich doet gelden en ook, dat ik er voor jaren reeds op gewezen heb.

Een broeder uit Hoogeveen, een getrouw lezer van mijn Kroniek, die (zooals hij schrijft) doorgaans haar met volle instemming leest, is het met mij niet eens wat betreft mijn opmerkingen aangaande de beide Vrouwen-bonden, die ik even ter sprake bracht. Hij kreeg den indruk, ook al zei ik het niet met ronde woorden, dat ik de verwarring op dit terrein aan Dr. Colijn toeschreef. Laat ik hem terstond gerust stellen. De verwarring was er reeds. Wel heb ik geschreven, dat het schemerde. In elk geval schemert het mij. Ik ga nu met vacantie en hoop na de vacantie op deze materie terug te komen. Ik vind de zaak niet zoo eenvoudig als ze sommigen schijnt. Dat wij allen één moeten zijn, die in Christus gelooven, is zeer juist. Maar we moeten dan ook hetzelfde gevoelen, zooals de Apostel zegt. Kuyper heeft eens geschreven: „Tusschen de Ethischen en ons ligt de Schrift." 't Is zoo eigenaardig, dat wij juist met de Ethischen saamwerking kunnen krijgen, maar schier niet met de broeders en de zusters van den Gereformeerden Bond in de Herv. Kerk en niet met die van de Christelijke Gereformeerde Kerk. Hoe komt dat zoo?
Prof. Hugo Visscher zei eens tegen me: „Jullie Gereformeerden, gaat bij voorkeur met de Ethischen mee." Daar schuilt veel waars in. En daardoor verwateren velen. Men krijgt Gereformeerden, die onze Kerk te bekrompen vinden, onze leer te scherp-belijnd, onze Zondagsviering klein-geestig, die 's avonds al minder naar de Kerk gaan (één keer is voldoende), enz. Op die manier verslappen wij. De pit en het merg gaan er bij ons uit. Is het dan wonder, dat wij op het punt van ons Gereformeerd-zijn steeds minder vertrouwd worden? Maar ik zal er voorloopig niet meer van zeggen.
Kroniek Utr. Kerkbode.

Tot zoover Dr. Kaajan. Er blijkt uit dit schrijven, dat het proces al jaren geleden werd opgemerkt en dat ik er ook tegen gewaarschuwd heb. De groote fout echter van Dr. Kaajan en van de heele cohors der „gereformeerde kerken" is alleen, dat zij verzuimen naar de oorzaken te vragen. De Heeren praten er eens over en gaan achteloos voort. De oorzaak van deze neiging tot ethischen en omgekeerd van de ethischen tot deze „gereformeerden", is de instinctmatig gevoelde verwantschap. De wijze, waarop ethischen en neo- Calvinisten het godsdienstig leven aanvoelen, heeft uit den aard der zaak overeenkomst. Er is eene verwantschap min of meer bewust. Beiden leven in den diepsten grond los van de Schrift. Zij hebben wel, evenals de Barthianen, den mond vol over het Woord, maar het leven uit dat Woord is zoek. De ethischen leven uit gevoelens, de Barthianen uit zekere dialectiek, de „gereformeerden" uit hun verbondsleer. En bij deze schijnbare verschillen is er eenheid in den achtergrond, die niet schriftuurlijk bepaald is. Deze Heeren vinden dus elkander.
Het gevolg echter is, dat het Christenvolk geen aaneengesloten macht kan vormen. De Hervormde Gereformeerden, die nog leven uit de oude beginselen der Confessie, die gevoed worden door mannen als Comrie en a Brakel en in het algemeen door goede oude Schrijvers, voelen niet de minste verwantschap met het neo-Calvinisme. En dit gevoel is niet ongegrond, is een beginselverschil. En dat verschil zal hoe langer hoe meer doorwerken op elk gebied, naar mate het verwordingsproces der scheiding in al hare vormen doorwerkt. Het eindigt ten slotte, naar het woord des apostels, dat zij terugkeeren als „de hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel". Zij hebben de Hervormde Kerk verlaten, omdat zij zoovele zonden heeft tot onherkenbaar wordens toe. Zij konden het met hun geweten niet meer overeenbrengen onder de goddelooze besturen te blijven bij het Gereformeerde volk, dus zij braken, stichtten een eigen kerk. Aanvankelijk was het alles mooi, doch zij behoeven geen 350 jaren te bestaan om te weten, dat het nieuwe er gauw af is. En als het er af is, dan blijkt, dat zij na een paar generaties nog verder weg zijn dan de achtergeblevenen. Zij ontvloden Babel en dachten weder in Kanaan te komen, doch het was slechts een droom. Wat zou het schoon zijn, als wij eens hoorden naar Ezechiël 14:5 en 6, als zij hoorden: Opdat Ik het huis Israëls in hun hart grijpe, dewijl zij allen door hunne drekgoden van Mij vervreemd zijn. Daarom zeg tot het huis Israëls: Alzoo zegt de Heere, Heere: Bekeert u en keert u af van uwe drekgoden en keert uwe aangezichten af van al uwe gruwelen. Als wij zoo onzen tijd en ons leed zagen, dan zou er eenheid geboren worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 september 1938

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

„Van Mij vervreemd

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 september 1938

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken