Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de laatste dingen (2e serie.) VIII.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de laatste dingen (2e serie.) VIII.

Van de voleinding in het algemeen.

15 minuten leestijd

Mattheus 6 : 10a. Uw Koninkrijk kome.

Het Godsrijk, dat Jezus predikt, is dus van andere orde dan de heerlijkheid van een aardsch politiek koninkrijk, dat de aardsche glorie van Israël, zooals dit in den bloeitijd onder David en Salomo bestaan heeft, aan de wereld moest vertolken. Het Koninkrijk der hemelen, welks nabijheid Jezus aankondigde, is van een rein religieus karakter, kan niet als eene politieke heerschappij worden beschouwd. Het Koninkrijk Gods, waarvan Jezus spreekt, is het Rijk, waarin God heerschappij voert. En dat uit den aard der zaak niet in dien zin, alsof er ergens in hemel en op aarde iets zou kunnen zijn, dat aan Gods regiment is onttrokken. Zonder Zijnen wil kan zich geen schepsel roeren, noch bewegen, daar Hij alle dingen draagt door het Woord Zijner kracht. De machten der duisternis, de dwazen zonder de menschen, mogen zich inbeelden, dat zij met Gods gezag en macht niet van doen hebben, mogen Hem loochenen in hunne zelfmisleiding, toch is en blijft desondanks de Heere God, die Zijne eere aan geen ander geven zal. ,,Die in den hemel woont, zal lachen, de Heere zal hen bespotten", zegt de Psalmist.
Neen, of de mensch Hem verwerpt en weigert Zijne majesteit en macht te erkennen, toch blijft de waarheid van Jesaja's woord: ,,Heft uwe oogen op omhoog en ziet, die deze dingen geschapen heeft, die in getal hun heir voortbrengt, die ze allen bij name roept, van wege de grootheid Zijner krachten en omdat Hij sterk van vermogen is, er wordt er niet één gemist." Geen creatuur is bij machte Hem te onttronen, al kan de diep gevallen zondaar zeggen: „Laat ons hunne banden verscheuren en hunne touwen van ons werpen." Ten laatste zal het blijken, dat de Heere God is en niemand meer.
Op dat over alle creatuur gaande Rijk Gods doelt de Heere Jezus niet, als Hij spreekt van het Koninkrijk Gods of het Koninkrijk der hemelen, al ligt het voor de hand, dat dit algemeene over alle creatuur zich uitstrekkende Godsrijk de voorwaarde is voor dit Koninkrijk der hemelen. Onder deze laatste uitdrukking wordt eigenlijk de hemelsche macht genoemd, wordt God de Heere genoemd als die in den hemel woont en Zich daar als Heere en heerschappij-voerende, als de almachtige Gebieder Zich daar, in onderscheiding van hetgeen op deze aarde aanschouwd wordt, openbaart. Daar in den hemel geschiedt Zijn wil in volle krachtsontplooiing, die door geen hemelling kan of wil worden weerstaan. „Looft den Heere", zong de Psalmist, „Zijne engelen! gij krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem Zijns woords. Looft den Heere, al Zijne heirscharen! gij Zijne dienaars, die Zijn welbehagen doet!" Ja, in den hemel van Gods heerlijkheid heerscht dat Koninkrijk, waaronder alle hemellingen bewust en willens zich buigen onder het goddelijk gezag van Hem, Dien zij als den eeuwigen Schepper van de einden der aarde verheerlijken. In dien tempel des hemels „zegt Hem een iegelijk eere".
En nu is dit het wezenlijke in het Godsrijk, dat Jezus verkondigt, welks nabijheid Hij uitroept, dat Hij zich er van bewust is van Godswege geroepen te zijn om datzelfde Godsrijk in deze gevallen menschheid weder op te richten, zóó dat er niet slechts eene Godsregeering is, want die houdt niet op en kan niet eindigen door alle machten der duisternis, naar eene Godsregeering, die wordt erkend, aanvaard, gehoorzaamd en verheerlijkt op deze aarde. Dit Godsrijk richt Christus op, wordt in Hem tot openbaring gebracht. Met dat doel is Hij verschenen. En zoo zegt de Heere Jezus van Zijne verschijning: Nu is het oordeel dezer wereld, nu zal de overste dezer wereld buitengeworpen worden. En daarmede is het wezen van Zijn Koninkrijk gegeven. Het wereldoordeel wordt in Christus beslecht.
Zoo is dus Jezus er zich van bewust, dat in Hem en met Hem het Koninkrijk Gods is nabijgekomen, gekomen, komen zal. De anti-goddelijke macht, die de wereld beheerscht, wordt door Hem verbroken. Daarom is Hij ingegaan in onze menschelijke natuur, is Hij vleesch en bloed deelachtig geworden, „opdat Hij door den dood te niet zou doen dcngene, die het geweld des doods had, dat is den duivel." Die macht werpt Hij neder om aan den Heere onzen God de alleenheerschappij te bereiden op deze aarde. Daarom zong reeds de gemeente des Ouden Verbonds in hare gebeden: „Gord Uw zwaard aan de heup, o Held! uwe majesteit en uwe heerlijkheid. En rijd voorspoediglijk in uwe heerlijkheid op het woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid. Voor die heerschappij Gods moet de weg geopend zijn en hij zal geopend worden in een volk, dat geleerd heeft Hem in Zijne Koninklijke majesteit te aanbidden en te verheerlijken door gehoorzaamheid.
Dat spreekt de Heere Jezus nu uit, legt Hij zelve als een gebed op de lippen Zijner discipelen in het allervolmaaktste gebed. Nadat Hij het hart Zijner discipelen heeft afgeleid van de aarde, heeft opgevoerd ten hemel, opdat wij van onzen Vader, die in de hemelen is, niet aardsch zullen denken, hun heeft leeren begeeren eene rechte kennis Gods, komt de bede om de komst van zijn Koninkrijk, waarin alle onderdanen zonder eenig tegenspreken zoo gehoorzaam zijn, dat de gewilligheid der engelen in den hemel ook de hunne wezen zal. Uw wil geschiede gelijk in den hemel alzoo ook op de aarde.
Het Godsrijk komt dus naarmate de wil Gods, dien de engelen in den hemel absoluut gehoorzaam zijn, ook op de aarde volbracht wordt. En dat volbrengen nu niet alleen in een wetmatig natuurlijken zin te verstaan, zooals de natuur wetmatig gehoorzaamt aan hare wetten, maar wetmatig in een zedelijken zin, als door den mensch vrijwillig aanvaarde levenswet, die hem doet zeggen: „U kiest mijn hart eeuwig tot zijn Koning." Daarmede treedt dus Christus' verschijning in diametrale tegenstelling met alle anti-goddelijke machten der duisternis. In die antithese is het werelddrama in zijne ontroerende worsteling gegeven. De overwinnaar daarin is de Christus Gods en Zijne overwinning voltrekt zich in de crisis der wereld, waarin en waardoor Zijn Koninkrijk komt. En bij die worsteling, waarbij dus het regiment Gods de inzet is, zijn dan ook alle hemelsche machten betrokken.
Vandaar dat de Schrift bij alle beslissende momenten in Jezus' borgtochtelijk werk ons laat zien, dat de hemelen zich openen om .van de betrokkenheid der hemelsche heirscharen bij Jezus' werk ons kondschap te geven. In den Kerstnacht is er de menigte des hemelschen heirlegers, die het Engelenlied laat weerklinken over Bethlehem's duistere velden en vandaar het laat ruischen door alle komende eeuwen heen. Als Jezus verzocht wordt in de woestijn en de duivel afgewezen is, dan volgt er: „en ziet, de engelen zijn toegekomen en dienden Hem." En als er bij den ingang van Zijn lijdensweg een discipel het zwaard trekt, dan zegt Jezus: „Keer uw zwaard in zijne plaats, want: Of meent gij, dat ik mijn Vader nu niet kan bidden en Hij zal mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten?" En zoo zien wij de engelen bij Zijne opstanding en Zijn hemelvaart. En dat is daarom zóó, omdat bij Zijn verlossingswerk de hemelsche heerlijkheid, de majesteit van het goddelijk Wezen zelf betrokken is. Het gaat in dien arbeid om God zeiven, om de eere van Zijn goddelijk Wezen, om de handhaving Zijner Souvereiniteit over alle creatuur.
En zooals dit nu is bij de totstandkoming van dat Middelaarswerk, zoo is dit nu ook bij de komst en bij den voortgang van dat Koninkrijk het geval. Wat hier met dat Koninkrijk op de aarde geschiedt, dat heeft tot in de kleinste bijzonderheden om zoo te zeggen de belangstelling van al wat in den hemel woont en daar wonende, van de openbaring Zijner hemelsche heerlijkheid geniet. Zoo zegt Hij in de gelijkenis van het verloren schaap, dat er alzoo „blijdschap zal zijn in den hemel over éénen zondaar, die zich bekeert".
Er is dus tusschen hemel en aarde eene levensbetrekking, die in het werk der zaligheid openbaar wordt, want daarbij gaat het om het goddelijk Wezen zelf. welks heerschappij hemel en aarde omvat. Zooals Zijne scheppende daad hemel en aarde in het aanzijn riep. zoo doelt Zijne herscheppende daad op dat Koninkrijk, dat hemel en aarde omvatten zal en in die herschepping de harmonie zal herstellen, die eenmaal scheppingsdoel was. Dat doel der schepping is de openbaring van de volle heerlijkheid van het goddelijk Wezen. De schepping in haar geheel moest beeld van God zijn. Daarom wordt de mensch, die haar hoofd is, dan ook naar den beelde Gods geschapen en ook tevens in dat beeld geschapen. In en met dat beeld Gods zal in het creatuur Gods heerlijkheid in hoogste creatuurlijke volkomenheid openbaar worden. Het zal als nu nog de hemelen, Gods eere vertellen.
En dat geschiedt nu ook door de herscheppende daad, want daarin blinkt Gods liefdewezen in de wederbaring van Zijne Kerk, zooals datzelfde liefdewezen ook schittert in de glansen van het recht, dat verterend is als het vuur. Het gaat in die herschepping dus om de eere en de heerlijkheid van het goddelijke Wezen, waarin Gods volk met zijn gansche leven opgaat, zooals, wat tot de macht der duisternis behoort, er met zijn gansche wezen in ondergaat. Zijn Koninkrijk gaat in de hel ook door, al zal daar weening zijn en knersing der tanden, al zal de vloek daar eeuwig opgaan, zooals eeuwig in de schuimende baren het geweld der wateren zich breekt op de steenrotsen, waartegen het machteloos blijkt. Doch het is ook in den hemel, maar daar in den jubelzang van het vrijgekochte volk, want de schare in den hemel zingt het „Halleluja! de zaligheid en de heerlijkheid en de eer en de kracht zij den Heere onzen God!" Zij weet, dat op Zijn kleed en op Zijne dije deze naam geschreven staat: „Koning der koningen en Heere der Heeren." En dat volk „dankt U, Heere God Almachtig, dat Gij Uwe groote kracht hebt aangenomen en als Koning hebt geheerscht."
Zoo is het dus duidelijk, dat dit Koninkrijk Gods, dat met Jezus komt, hemel en aarde in zich sluit. Zonder dat kan het niet komen, kan niet de hemelsche orde in de gevallen wereld weder opkomen, want het heeft de strekking de harmonieuse eenheid in de schepping Gods openbaar te doen worden. De volheid dier openbaarwording is er in het einde en nu is zij komende, wordende. Zooals eenmaal onder het Oude Verbond de verschijning van den Messias komende was en werd voltrokken in de volheid des tijds, zoo is nu andermaal het Koninkrijk Gods komende, openbaar wordend, totdat andermaal de volheid des tijds er zijn zal met Jezus' wederkomst.
Daarbij moet echter in het oog worden gevat, dat welke beteekenis het Koninkrijk Gods ook voor het aardsche leven moge hebben, daarmede toch niet bedoeld wordt een aardsch rijk. Daarop mag vooral in onzen tijd nadruk worden gelegd, nu onder den druk van een valsch idealisme er over dat Koninkrijk Gods soms wordt gesproken, als ware dit in onze aardsche verhoudingen zonder meer over te brengen. Het eeuwige licht, dat over dit aardsche leven opgaat en het menschelijk leven in hooger zedelijk licht laat verschijnen, zoodat er van eene goddelijke levensroeping en van zedelijke verantwoordelijkheid sprake komt, mag en kan niet zoo begrepen, alsof dit nu in deze aardsche verhoudingen werkelijkheid wordend, het Koninkrijk der hemelen omzet in een koninkrijk op deze aarde. Dit is eene voorstelling, zooals deze door de wederdoopers van voorheen en door allerlei pacifistische sekten in onzen tijd wordt voorgesteld, die geheel in strijd is met Jezus' bedoeling. Daarom is Hij er op uit in ons eene andere waardeering van het wereldleven te wekken dan wij krachtens onzen val van nature koesteren.
Dank zij den val doofde het licht der kennis Gods in de zondaarsziel, zoodat hij nu de aardsche dingen buiten het licht van God ziet, kent en waardeert, daarin opgaat en deze dus geheel overschat. Daarom spreekt Jezus van den dwaas, die grootere schuren bouwt, die zich een aangenaam en rustig leven voorstelt en niet kan verstaan, dat hedennacht zijne ziel zal worden afgeëischt. En tegenover die geheel verkeerde waardeering van het aardsche, die den gevallen zondaar van nature eigen is, zegt Jezus nu: „Vergadert u geen schatten op de aarde, maar vergadert u schatten in den hemel." En zoo spreekt ook de apostel van een hemelsch burgerschap van andere orde dan het aardsche, worden de geloovigen voorgesteld als door het geloof inwonend in de stad, die fundamenten heeft. Daarin verkeeren zij door het geloof, hoewel zij op deze aarde leven in de aardsche verhoudingen. En zoo zegt Jezus ook tot de kleine kudde, aan wie het Koninkrijk te beurt zal vallen krachtens des Vaders welbehagen, dat zij moeten verkoopen wat zij hebben en aalmoezen geven en daarom zichzelven buidels moeten maken, die niet verouden, een schat, die niet afneemt in de hemelen, die door dief noch mot wordt bereikt. Daar is het duidelijk, dat de Heere Jezus de nietigheid van het aardsche stelt tegen de onvergankelijke waarde van de eeuwige dingen Gods. Maar Hij denkt er niet aan ons daarmede te leeren, dat aardsche schatten in den hemel of de hemelsche schatten in de aardsche overgaan. Het aardsche leven is van andere orde dan het hemelsche en het komt er op aan door het geloof de hemelsche deelachtig te zijn en de aardsche als niet bezittende uit Gods hand ontvangen te hebben, zoodat zij onder dat hoogere licht van God blijven en wij Hem dus daarvoor verantwoordelijkheid schuldig blijven, omdat het eigenlijk het Zijne is.
Zoo wordt er ook gesproken van een loon niet op de aarde, maar in den hemel in verband met wat de trouw van Gods kinderen hier op aarde ontmoet. Zoo spreekt de Heere Jezus zalig hen, die door de menschen worden gesmaad, vervolgd en tegen wie liegende allerlei kwaad wordt gesproken om Zijnentwil. De waarheid wordt in deze wereld niet in dank aangenomen; wie haar spreken moet, ondervindt het. Dat is zoo de orde dezer wereld. Indien Gods kinderen alleenlijk in dit leven op Christus waren hopende, zij waren de ellendigsten van alle menschen. Daarom zegt de Heere Jezus geheel in strijd met wat wij zouden verwachten: „Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen", en wijst dan tot staving daarvan op de vervolging der profeten, die voor u geweest zijn (Matth. 5: 12). Daar wordt Gods volk heen-gewezen naar de hoogere orde, die boven deze wereldorde uitgaat. In deze orde der wereld schijnt de haat tegen Gods waarheid te triumpheeren. Zelfs is dat vaak zoo onder hen, die zich met de waarheid tooien. Maar de Heere Jezus ontsluit voor Zijn lijdende kinderen de hemelsche orde.
En zoo is het dus duidelijk, dat er van een opgaan van het Godsrijk in het rijk der wereld geen sprake is. Van eene dooreenmenging, waarbij de hemel op aarde zou nederdalen, zooals dit werd en wordt geleerd door de Dooperschen van ouds en de Doopersche elementen van thans, is er geene sprake, want de Schrift kent niet een Godsrijk, dat met het aardsche rijk vereenzelvigd wordt. Het hemelsche is de voleinding van hetgeen op deze aarde in en met den Heere Jezus Christus aanvangt en door den Heiligen Geest, die het uit het Zijne neemt, wordt gewekt en gewerkt.
Geheel in overeenstemming daarmede heeft dan ook Jezus voor Pilatus uiteengezet, dat Zijn Koninkrijk niet is van deze wereld. Hij erkent daar het bestaan der aardsche orde als eene gegevenheid, waarin de macht der zonde zich doet gelden, waarin de worsteling en strijd doorgaat en te midden waarvan Hij zelve is verschenen en zeggen kan: „Maar nu is mijn Koninkrijk niet van hier."
Daaruit is het nu wel duidelijk, dat er in Jezus' eigen prediking geene sprake is van een aardsch Godsrijk, van een Koninkrijk, dat niet een Koninkrijk der hemelen, maar der aarde zou worden. Het hemelsche Koninkrijk blijft van hoogere orde en wordt op deze aarde door Gods Kerk alleen gekend door het geloof, terwijl door het licht van het hemelsche de dingen van het aardsche leven verschijnen in den glans van het eeuwige. Door het geloof verwachtte Abraham de stad, die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is. Die stad verwachtte hij, naar haar zag hij uit door den kijker des geloofs.
Zoo leert ook Jezus Gods Kerk door het geloof uitzien naar het Koninkrijk Gods, dat komende is en dat in en met den Heere Jezus in Gods uitverkoren Kerk op de aarde reeds is. Met Hem is het gekomen, in en door Hem alleen wordt het voleindigd. Daarom waarschuwt Jezus, als Hem gevraagd werd: wanneer het Koninkrijk Gods komen zal, dat het niet komt met uiterlijk gelaat. Daarmede komen de dingen dezer wereld. De wereld leeft uit een „uiterlijk gelaat", ziet aan wat voor oogen is. Heel anders bestaat Gods Koninkrijk, want daarvan zal men niet zeggen: „Ziet hier of ziet daar!" En waarom zal men dat niet zeggen? „Want ziet, het Koninkrijk Gods is binnen ulieden." Het leeft in de harten van Gods ware kinderen, die door het geloof immers zijn in het land der belofte als in een vreemd land. Zij hebben een onbeweeglijk Koninkrijk ontvangen. En daarom moeten zij te midden van een wereld, die in het booze ligt, de genade vasthouden, door dewelke zij welbehagelijk Gode mogen dienen met eerbied en godvruchtigheid. En daarbij zinkt alle haat der wereldsche goddeloozen en vromen in het niet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 22 October 1938

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Van de laatste dingen (2e serie.) VIII.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 22 October 1938

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken