Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De overgave des rijks (Slot).

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De overgave des rijks (Slot).

12 minuten leestijd

1 Corinthen 15 vss. 24—28. Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal teniet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht. Want Hij moet als Koning heerschen, totdat Hij al de vijanden onder Zijne voeten zal gelegd hebben. De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood. Want Hij heeft alle dingen Zijnen voeten onderworpen; doch wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zoo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, die Hem alle dingen onderworpen heeft. En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon zelf onderworpen worden Dien, die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.

Een tweetal vragen zouden wij nog nader behandelen en het slot van vers 28: opdat God zij alles in allen.
Welke beteekenis heeft de overgave des Rijks? en wat wil het zeggen, dat de Zoon ook zelf aan den Vader onderworpen zal worden?
De lezer zal wel begrijpen, dat over deze vragen in den loop der eeuwen is nagedacht in verband met het Koningschap van Christus en de goddelijke drieëenheid. Over den aard van deze overgave was reeds vroeg verschil van opvatting. Zeker, de Zoon levert Zijn volbrachte werk op aan den Vader naar den eisch des verbonds. Daarover loopt het verschil eigenlijk niet. Maar wat beteekent dat nu eigenlijk, welke gevolgen heeft dit alles voor het Koningschap van Christus. Blijft Hij dan geen Koning over Sion, is de Zoon dan de mindere des Vaders? Dat zijn de kernpunten dier beide vragen, die werden gesteld. Het antwoord werd in groote lijnen reeds gegeven. We willen trachten nog nader in de kwestie in te dringen.
De Schrift leert ons toch, dat Hij een eeuwig Koning zal zijn en zegt Petrus niet: Want alzoo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk onzes Heeren en Zaligmakers Jezus Christus (2 Petr. 1 : 11). Geen wonder, dat iemand als Windisch (S. 85) hier tegenspraak ziet met 1 Cor. 15:24. En niet alleen hij. Immers Hij geeft het Koninkrijk over aan den Vader. Hoe kan Hij dan toch een eeuwig Rijk bezitten? Nu staat het voor ons a priori vast, dat zulk een tegenspraak niet aanwezig kan zijn, omdat wij belijden de eenheid der Schrift. Het eeuwige van het Koninkrijk drukt het onvergankelijke, het heerlijke des Rijks uit en geeft geen beslissing over den aard van het koningschap van Jezus in die heerlijkheid. Wel is echter waar, dat van geen eeuwig Koninkrijk onzes Heeren Jezus Christus sprake kan zijn zonder dat Jezus Koning blijft. Onze text spreekt wel van verandering in de wijze der regeering of heerschappijoefening van den Heere Christus, die na den jongsten dag intreedt, maar niet bedoeld kan zijn een volkomen abdiceeren van Christus als Koning. Zullen toch de geloovigen als koningen heerschen door Hem (Rom. 5:17) hoe zou Hij zelf dan niet Koning zijn? Maar, de bepaalde heerschappij, zooals zij in deze eeuw wordt geoefend neemt een einde. De vijanden zijn verdelgd, van bewaring en bescherming is geen sprake meer, van voltooiing der zaligheid evenmin. Dat moet toch zijn gevolgen hebben.
Zooveel staat dus wel vast, dat Christus Zijn koningschap niet aflegt met de overgave des Rijks, maar eene andere orde intreedt, waarvan wij de werkingswijze niet nader kunnen bepalen. God zelf is dan Koning eeuwig en altoos. God driëenig. De volheid der zaligheid gaat in. Het Koningschap en het Rijk dragen een bepaald karakter in deze bedeeling. In de toekomende eeuw, in de orde der heerlijkheid, is het voorloopige ten einde.
Wat nu verder de beteekenis der onderwerping van den Zoon aan den Vader in dit verband beduidt willen wij nader onderzoeken. Aanstonds moet weer vaststaan, dat hier geen conflict kan zijn met hetgeen wij in het leerstuk der drieeenheid belijden, dat de Zoon eenswezens is met den Vader en niet ondergeschikt, een God van lagere orde of van den tweeden rang. Maar wat is de beteekenis dan wel? Reeds vroeg bleek verschil te bestaan in de opvattingen hierover. Marcellus van Ancyra schreef een verhandeling over de onderwerping van den Heere Christus en werd beschuldigd van de leer, dat het rijk van Christus en ook de vereeniging der menschelijke natuur met het Woord (de tweede Persoon) een einde zou nemen. Die gedachte is echter ten eenenmale verwerpelijk. Marcellus werd dan ook door Eusebius en later door Basilius bestreden. En de Kerk voegde daarom aan de belijdenis toe, achter de woorden, dat Christus zal wederkomen om te oordeelen de levenden en de dooden: wiens Koningschap geen einde zal zijn. (In het Nicaeno-Constantinopolitanum). De twee naturen worden nooit gescheiden; de Zoon blijft eeuwig het vleeschgeworden Woord.
Wij kunnen wel vermoeden welk gebruik in den tijd der reformatie de Socinianen van dit vers hebben gemaakt. Zij leerden, dat Christus, dien de Vader tijdelijk tot Stadhouder aangesteld had, eenmaal aftreden zou, evenals een veldheer, na de overwinning behaald te hebben, zijne macht en heerschappij aan zijn vorst terug geeft. Zij leidden daaruit af, dat de Zoon Gods, wijl Hij eenmaal zou onderworpen worden aan den Vader, niet de hoogste Gods was. Geheel ten onrechte natuurlijk. Gelijk Hij de eeuwige Zoon was, blijft Hij dat tot in eeuwigheid. Maar na Bethlehem blijft Hij eeuwig onze natuur dragen. Wat de uitdrukking ook moge beteekenen, dat de Zoon zich onderwerpt aan den Vader, twee dingen beteekent het zeker niet. Het wil niet zeggen, dat de Zoon terugkeert tot een afhankelijkheid, ondergeschiktheid aan den Vader, evenmin dat Hij Zijn menschelijke natuur zou afleggen. Hierover bestaat onder de rechtzinnige Schriftverklaarders geen verschil.
Wel echter was er onder de Gereformeerde theologen geen volkomen eenstemmigheid over de beteekenis van de verzen 24 en 28. Eerst willen we het gevoelen van Luther en Melanchton meedeelen.
Luther schrijft aldus: Nu regeert Christus door het Woord, niet in zichtbare gestalte; gelijk men de zon ziet door eene wolk. Dan ziet men wel het licht, maar niet de zon zelf; wanneer echter de wolken weg zijn dan ziet men beide licht en zon.
Melanchton, de boezemvriend van Luther schrijft: Hij zal het Koninkrijk den Vader overgeven, dat is: Hij zal deze handelingen van Zijne Middelaarsbediening als voltooid aanbieden en vervolgens zal Hij regeeren als God, Zijne godheid onmiddellijk toonend.
Het is duidelijk, dat deze theologen een en ander betrekken op de openbaring van het Rijk der heerlijkheid. Calvijn zegt er meer van in zijn verklaring van 1 Cor. 15 en zijn Institutie.
Na erop gewezen te hebben, dat het aan den persoon des Middelaars was gegeven om de zonden te vergeven, op te wekken wien Hij wil, rechtvaardigheid, heiligheid en zaligheid te geven; gesteld te zijn tot een rechter over levenden en dooden, gaat hij aldus voort: Want, met zoodanige voorrechten is de Zoon Gods toen Hij in het vleesch geopenbaard is, begiftigd geweest; en schoon Hij dezelve met den Vader vóór de grondlegging der wereld bezat, zoo bezat Hij ze nochtans niet op dezelfde wijze of in hetzelfde opzicht. En zij waren zóó, dat zij eenen mensch die niets meer was dan mensch niet konden gegeven worden. In denzelfden zin moet ook genomen worden hetgeen wij vinden bij Paulus ( 1 Cor. 15:24), dat Christus na het voleinden van het oordeel het Koninkrijk Gode en den Vader zal overgeven. Inderdaad, het Rijk des Zoons van God, dat geen begin heeft gehad zal ook geen einde hebben. Maar, gelijk Hij onder de nederigheid des vleesches verborgen was en zichzelven heeft vernietigd (Fil. 2 : 7 ) de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen hebbende en de heerlijkheid Zijner majesteit hebbende afgelegd, aan Zijnen Vader zich gehoorzaam heeft betoond, en na het volbrengen van eene zoodanige onderworpenheid eindelijk met eere gekroond is, (Hebr. 2 : 7 ) en tot de opperste heerschappij verheven, opdat alle knie voor hem gebogen worde, alzoo zal Hij dan én den naam zelf én de kroon der heerlijkheid en wat Hij van den Vader ontvangen heeft, den Vader wederom onderwerpen, opdat God zij alles in allen. 1 Cor. 15 : 28. Want waartoe anders is Hem de macht en de heerschappij gegeven dan opdat de Vader ons door Zijne hand regeere? In welken zin ook van Hem wordt gezegd, dat Hij aan des Vaders rechterhand zit. Dit echter is tijdelijk, totdat wij de onmiddellijke aanschouwing van Gods aangezicht genieten...
Zoo zal dan Christus heerschappij voeren totdat Hij als rechter der wereld verschijnen zal, voor zoover als Hij naar de maat onzer zwakheid ons met den Vader vereenigt. Maar wanneer wij, als deelgenooten aan de hemelsche heerlijkheid God zullen zien gelijk Hij is, dan zal Hij het ambt van Middelaar voleindigd hebbende, ophouden de Gezondene des Vaders te zijn en zal vergenoegd zijn met de heerlijkheid die Hij genoot vóór de grondlegging der wereld... De heerlijkheid nu van Christus (dat blijft Hij dus eeuwig), zal door deze overgave des Rijks niet verminderen maar veel heerlijker geopenbaard worden. Want alsdan zal ook God ophouden het Hoofd van Christus te zijn dewijl, de Godheid van Christus zelf uit zichzelven met haren glans doorbreken zal, daar zij tot nu toe als met zeker voorhangsel bedekt is. (Inst. II 14, 3).
En elders schrijft hij in denzelfden geest: Overigens doet aan deze eeuwigheid, waarvan wij gesproken hebben, niets tekort de spreuk van Paulus (1 Cor. 15:24 en 28): Dan zal Hij het Koninkrijk Gode en den Vader overgeven. Als ook: Dan zal ook de Zoon zelf onderworpen worden, opdat God zij alles in allen. Hij wil toch niets anders zeggen, dan dat in die volmaakte heerlijkheid de bediening des Koninkrijks niet zoodanig zijn zal als ze nu is. Want de Vader heeft alle macht aan den Zoon gegeven (als Middelaar) opdat Hij door Zijne hand ons regeere, sterke, ondersteune, onder Zijne bescherming beschutte en te hulp kome. Alzoo treedt Christus, zoolang wij van God uitwonen, voor ons tusschen beiden om ons van lieverlede tot de volkomene gemeenschap met God te brengen. (Inst. II 15, 5).
We zouden hier nog aan toe kunnen voegen hetgeen Calvijn schrijft ter toelichting op onzen text in zijn commentaar. Maar dan zou de lezer wellicht in de war kunnen raken over de bedoeling van Calvijn en daarom bepalen wij ons tot de Instutie. De redeneering van Calvijn komt dus hierop neer, dat de huidige bediening van den Middelaar een einde neemt en Hij dichter tot God getrokken wordt en dan eigen goddelijke heerlijkheid uitstraalt. Het zich onderwerpen is dus geen onderschikking van den Zoon aan den Vader maar juist door de onderwerping met Zijn Rijk aan den Vader komt Hij tot de eeuwigheidsglorie.
In denzelfden geest als Calvijn schrijft Pareus: Hij houdt niet op Koning en Bruidegom te zijn, maar in Zijn vergaderen, rechtvaardigen enz. zal Hij niet voortwerken. Aldus derhalve wordt ook Hij den Vader onderworpen, niet door aflegging der natuur of van Zijn goddelijke macht, maar door aflegging van het ambt van Middelaar en Zijn opgedragen taak. (Pareus in zijn Com.t.p.)
Anderen zochten de oplossing dezer vragen niet in het afleggen van Zijn Middelaarschap maar legden meer nadruk op het verschil in wijze van regeeren. Dit is ook voorzichtiger uitgedrukt.
Van Mastricht zegt, dat Hij in de orde der heerlijkheid onmiddellijk regeert over de triumpheerende Kerk, terwijl de Zijnen met Hem regeeren (Luc. 1 : 32; Op. 22 : 5). Zoo zal het zijn na onderwerping van alle Zijne vijanden, wanneer Hij het Koninkrijk aan den Vader overgeeft, niet echter wat het eigenlijke wezen van dit Rijk aangaat, aagezien dit eeuwig wordt genoemd, maar wat aangaat de organische wijze der regeering, door dienaren, het Woord, sacramenten, tucht enz. (v. Mastricht L. V. 9). In denzelfden geest schrijft de Moor (III 1128-1134). Hij wijst er o.a. op dat overgeven niet altijd is afstaan, zoodat men het zelf kwijt is. Tegenstellingen in hetgeen onze ouden leeren behoeven hier niet te worden gezocht. We zouden het zóó samenvattend kunnen zeggen, dat het Middelaarschap der verzoening een einde neemt maar dat het Middelaarschap der vereeniging blijft. Christus is en blijft het Hoofd der gemeente uit wien alle leven en zaligheid eeuwiglijk haar toevloeit.
Het overgeven van het Rijk en het zich zelf den Vader onderwerpen als Middelaar hangen dus ten nauwste samen. Gelijk nu de verhouding van den Middelaar als God en mensch in eenigheid des persoons in deze bedeeling ten opzichte van den Vader eene verborgenheid is zal dit zeker óók gelden van den Zoon, die toch eeuwig onze natuur blijft behouden, in de eeuwige heerlijkheid. Maar het resultaat van dit overdragen van het Rijk is, dat God zal zijn alles in allen. We mogen het wellicht aldus zeggen: het Rijk der heerlijkheid bestaat niet meer met Christus tenopzichte van den Vader maar in de nauwste verbinding met den Vader terwijl Christus meer aan de zijde Gods verschijnt dan in deze bedeeling.
Zooveel is toch wel duidelijk in deze geheimnisvolle woorden, dat aan de eene zijde de heerlijkheid der nieuwe orde uitblinkt maar aan den anderen kant nadruk valt op de eenheid van God drieëenig. God zal zijn alles in allen.
We kunnen deze uitspraak stellen naast Coll. 3:11: maar Christus is alles en in allen. Dat is het hoogste nog niet. Zóó is het in deze bedeeling. Eenmaal zal het zijn: God alles in allen. Dan wordt God op het hoogst verheerlijkt. Dit einde toont de absoluutheid Gods. Ook in het verderf der duivelen en goddeloozen zal Gods absoluut gezag uitblinken en in hun verderf de heerlijkheid Gods gezien worden. Dan zal God (zoo merkt Calvijn op) door zichzelven zonder middel den hemel en de aarde regeerende ook in alle creaturen alles zijn. Want in het lied der zaligen zal toch ook niet ontbreken de lof Gods toegebracht voor hetgeen in den bodemloozen put is en geschiedt.
Opdat God zij alles in allen: de eeuwigheid der heerlijkheid zal overigens ten volle en tot in eeuwigheid openbaren den diepen zin dezer woorden. Zalig wie door genade deze toekomst verwachten mag.
De overgang tot die orde zal dus bestaan in het overgeven des Rijks door den Zoon aan den Vader en het zich stellen met dat Rijk onder den Vader: opdat God, Vader, Zoon — blijvende het Woord dat vleesch werd — en Heilige Geest ontvange de lof, de eer en de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 november 1938

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

De overgave des rijks (Slot).

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 november 1938

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken