Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het einde en zijne voorteekenen (3e serie) VII

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het einde en zijne voorteekenen (3e serie) VII

13 minuten leestijd

Mattheus 24 : 3 en 4. En als Hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot Hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn? en welk zal het teeken zijn van uwe toekomst en van de voleinding der wereld? En Jezus antwoordende, zeide tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide.

Het is dus eene verkeerde voorstelling, die men nog al eens in commentaren aantreft, als hadden de apostelen gedwaald in de meening, dat de wederkomst des Heeren weldra, binnen korten tijd, zou plaats vinden. Deze uitlegging, die aan de voorstelling van de ,,parousie" onrecht doet, berust op de verkeerde meening, dat deze wederkomst door hen in chronologischen zin, dus in den vorm des tijds, gedacht werd op dezelfde wijze, als wij eene gebeurtenis geschiedkundig in de orde van den tijd ons voorstellen. Deze beschouwing, als ware het geloof der discipelen niet door de historische feiten bevestigd of, als ware er van eene vergissing sprake, berust op eene miskenning van de werking van het religieus bewustzijn, dat in eeuwigheidslicht, ook wat wij het tijdelijke noemen, bepaalt en dat verward wordt met onze gewone tijd-maat, zooals deze in ons dagelijksche leven wordt toegepast. Men moet hierbij dus wel onderscheiden tusschen wat in het wondere leven des geloofs gegrond is en wat voortvloeit uit het natuurlijke, in ons bewustzijn gegeven tijdsbesef, dat ons dwingt de gebeurtenissen te zien als elkander opvolgend.
W i e in dat onderscheid een inzicht heeft, voor dien worden ook de schijnbaar met elkander strijdende voorstellingen van den apostel Paulus duidelijk. Hij legt in 1 Thessal. 1 : 10 er nadruk op, dat Gods kinderen moeten leven in de verwachting van Jezus' wederkomst. W i e tot God bekeerd is van de afgoden om den levenden en waarachtigen God te dienen, die zal ook ,,zijnen Zoon uit de hemelen verwachten". En dan teekent de apostel die wederkomst als aanstaande. 1 Thessal. 4. Wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren zullen niet voorkomen degenen, die ontslapen zijn. De Heere zelf zal met geroep, met de stem des archangels en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel. En dan zal de opstanding intreden dergenen, die in Christus Jezus gestorven zijn. En als dit geschied is, dan zullen „wij, die levend overgebleven zijn, tezamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet in de lucht en alzoo zullen wij altijd met den Heere wezen." Daar is dus sprake van eene zeer nabij zijnde wederkomst des Heeren, die de apostel en de gemeente van Thessalonica nog zullen zien geschieden. Maar hoe nabij ook, merkwaardig is, dat deze voorstelling als eene vertroosting bedoeld is. W i j moeten het dus zoo verstaan, dat deze „parousie" voor het geloof niet onmiddellijk, maar dan toch zoo nabij is, dat de levende gemeente van Thessalonica met den apostel Paulus zeiven deze wederkomst in hun levenstijd nabij stellen. En merk nu op, hoe diezelfde apostel Paulus aan diezelfde Thessalonicensen schrijft in den tweeden zendbrief 2 : 2, „dat zij niet haastiglijk bewogen moeten worden van verstand, of verschrikt, noch door den geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande ware." Het onderscheid is duidelijk. In het eerste geval spreekt hij tot vertroosting der gemeente Gods, dringt hij bij haar aan op een teeder geestelijk leven, en zij zoo nabij den Heere leven zal, dat Hij in zijne „parousie" weldra tot zijne gemeente komt. Daar spreekt de apostel uit een klaar ontwaakt geloofsbewustzijn, waarin voor geen afstand ruimte van beteekenis overblijft. Daar is dus de Heere komende en reeds nabij.
Maar in 2 Thess. 2 staat het geheel anders, waarschuwt hij de gemeente tegen menschen, die de wederkomst van Christus behandelen als een gewone historische gebeurtenis, die op een chronologische lijn wordt vastgelegd, die dus naar door dwaalleeraars naar eene wereldsche, natuurlijke orde wordt afgemeten. Deze menschen hebben met die wederkomst blijkbaar verwarrend gewerkt in de gemeente. Zulke dwalingen komen nog voor. W i j lezen nog van secten, die de wederkomst van Christus op een tijdstip vastleggen, dat ook nabij is en daarbij geloof vinden, zoodat de verdwaasde volgelingen tot waanzinnige daden vervallen. Zij verlaten soms alles, gaan naar buiten en wachten op Jezus' wederkomst op de aangegeven dagbepaling en betoonen zich alzoo ongeschikt voor het gewone leven. Dat is het gevolg van een natuurlijk geloof in de „parousie", dat met het ware zaligmakende geloof, waarvan de apostel tot vertroosting der gemeente eerst sprak, niets gemeen heeft. Zoo ergens, dan blijkt bij een stof als de ,,parousie" is, dat juist lezen en verstaan eisch is.
De verheerlijkte Christus is opgenomen in den hemel, in eene eeuwige orde, die buiten onze tijdmaat ligt. En zoo zien wij dan ook, dat tegenover de dwaalleer, die zijne wederkomst als gewoon historisch bepaald feit voorstelt, de Schrift zich steeds afwijzend stelt door ons voor te houden, dat deze „parousie'" niet tot deze orde behoort en dus ook niet mag gemeten worden met onze tijdmaat. Daarom zegt 2 Petrus 3 : 8: „Doch deze eene zaak zij u niet onbekend, geliefden! dat één dag bij den Heere is als duizend jaren en duizend jaren als één dag."
Nochtans vertraagt de Heere de belofte niet. Daar wordt het dus duidelijk, dat de Schrift de wederkomst des Heeren uitheft boven den tijd uit, zoodat zij het karakter van een waar geloofsobject verkrijgt, dat slechts in het licht des Heiligen Geestes kan worden gekend, waardoor het in eeuwig licht verschijnt met gansch het historisch leven, dat naar die voleinding voortschrijdt.
Dat er dus eene diep gevoelde behoefte leeft aan Jezus' wederkomst, is op zichzelf een levensteeken, doch zoodra die wederkomst in een raam van de orde dezes tijds wordt geplaatst, werkt er een geest der dwaling in. Het diep gevoel van Christus' toekomst, het besef Zijner nabijheid, dat gepaard gaat met een inzicht in de groote en aangrijpende verschijnselen, die als de voorwaarden er voor, daaraan voorafgaan, is een waar geestelijk levensverschijnsel, dat de diep gewortelde liefde tot en het heimwee naar Christus openbaart. Doch daarbij wordt dan die toekomst des Heeren, hoe nabij ook, toch altijd in een boven de tijdsorde uitgaande belichting geschouwd. Hetgeen het Chiliasme in den loop der eeuwen kenmerkte als dwaling, dat is niet de smachting naar Jezus' toekomst, maar de vertroebeling daarvan door Jezus' wederkomst in de aardsche verhoudingen te laten opgaan. Dat Chiliasme werkt met den tijd en brengt die „parousie" buiten het eeuwigheidslicht. Daarom onderscheiden zich dergelijke bewegingen door zedelijke gevolgen, die openbaar worden in aardsche idealen, die voorgespiegeld worden door geesten uit de diepte, die zich eerst aandienden in de gestalten van engelen des lichts. En omdat het alles in het kader van het tijdelijke verschijnt, treedt er dikwijls een ongeduld in, dat de wederkomst des Heeren niet kan afwachten van den Heere zeiven. En dan komt het oogenblik, waarop zij eigenmachtig de wederkomst willen verwerkelijken.
De Heere komt! Dat beteekent, dat de geschiedenis in hare ontwikkeling niet stil staat, dat het Koninkrijk des lichts, zoowel als het rijk der duisternis, in het historisch proces op de eindontwikkeling zich richten met hunne werkingen en strevingen.
Doch met des Heeren toekomst, die als zoodanig onbepaald is voor ons, die in tijdsvorm denken, gaan verschijnselen gepaard, die hare zekere werking openbaren en dus evenzoovele teekenen zijn om Gods Kerk te onderwijzen aangaande de diepe geestelijke tegenstellingen, die van de moederbelofte in het paradijs aan in de geschiedenis der menschheid werken als gistende, geestelijke krachten. Zoo zijn er in den loop der eeuwen de teekenen van eene zich volledig ontvouwende antichristelijke macht, maar daar tegenover niet minder wondere verschijnselen, die getuigen van het naar zijne volkomenheid voortschrijdende werk van Christus. Er zijn geweldige openbaringen van de macht der duisternis, doch uit de bron van het diepe geestelijke leven, dat uit de werking des Heiligen Geestes opkomt, worden ook verschijnselen geboren, die wijzen op de eind-ontplooiing der in het Evangelie geopenbaarde, geestelijke perspectieven.
Zoo worden wij er toe geleid de geweldige evoluties, die de geschiedenis in den loop der eeuwen, ook die van onzen eigenen tijd, bewegen, te waardeeren in het licht van den vollen Raad Gods, waarin de volle heerlijkheid van Christus' werk besloten ligt. Inderdaad openbaren zich in de geschiedenis antithetisch tegenover elkander zich verhoudende geestelijke krachten, die eenerzijds uitgaan van Christus, die den Satan als een bliksem uit den hemel vallen zag. Die val is in Gods Raad gegrond en wordt verwerkelijkt door de in Christus' leven der heerlijkheid bereide werking des Heiligen Geestes Gods. Want Christus is de onverzoenlijke tegenstander van den vorst der duisternis, die in het lichaam der gevallen menschheid zijn verwoestingswerk voortzetten wil. Daarom is deze dramatische worsteling de eeuwen door zich voltrekkend. Zij heeft nimmer een einde, zoolang niet het einde daar is. Zij is altijd werkzaam, overal optredend, want steeds staan God en satan tegenover elkander in elk menschenhart en menschenleven, in het leven der volkeren, der gansche menschheid, die als door eene schroef van lijden wordt bereid voor de laatste toekomst, die met Jezus' „parousie" tot het laatste tijdelijke heden worden zal, dat het eeuwig heden voor Gods Kerk inluidt.
Zoo gaat dus het eeuwige als de absoluut zich doorzettende drijfkracht door al het creatuurlijke-tijdelijke om dit tot zijne eindbestemming en volkomenheid te brengen. En het centrale in dat alomvattend kosmisch proces is Gods uitverkoren Kerk, waarin ten laatste de oneindige heerlijkheid van Gods deugdenbeeld in wondervolle majesteit zal blinken, opdat bij monde dier zaliggemaakte, in Christus verheerlijkte Kerk eeuwiglijk de lof des heiligen Drievuldigen Gods zal worden uitgeroepen in haar Hem alleen verheerlijkend levenslied.
En als wij nu wederkeeren tot Jezus en zijne discipelen, die Hem ondervragen bij een blik op de schoonheid en den rijkdom des tempels, welks volkomen ondergang Hij heeft geprofeteerd, dan kunnen wij begrijpen, waarom de discipelen, die als menschen geneigd zijn in tijdsvorm ook deze profetie te willen uitleggen, aan Jezus de vraag stellen: „Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn?" en „welk zal het teeken zijn uwer toekomst en van de voleinding der wereld?" Inderdaad, dat is alles volkomen menschelijk. Meer dan eenmaal hebben zij diezelfde vragen gedaan en eeuw na eeuw zijn zij dikwijls herhaald.
Wij menschen leven bij uren en dagen, maanden en jaren. En als wij dus voor de ondoorzichtige toekomst geplaatst worden, dan brengen wij ook die toekomst onder het schema van den tijd. Dat doen wij en moeten wij doen, omdat wij als menschen, naar den beelde Gods geschapen, niet anders dan in onze eindige denkvormen denken kunnen. Maar bij den Eeuwige, den Oneindige, is er van geen creatuurlijken denkvorm sprake. Zoo zweert dan ook de engel (Openb. 10 : 6), dat er geen tijd meer zijn zal, want de tijd behoort tot ons menschelijk, aardsch, eindig scheppingsbeeld. En als het einde aller dingen dus daar is, zal ook de voor het eeuwig leven bereide mensch niet meer in deze, met zijn leven in de wereld samenhangende, denkvormen denken. Hij zal Gods aangezicht zien. kennen gelijk hij gekend werd en alzoo het eeuwig heden van Gods heerlijkheid smaken, waarin geen dagen en nachten en dus ook geen tijd meer voor hem zijn zal. Opgenomen in de hoogere orde Gods, blijft hem alleen het kennen der aanschouwing, waarvan Jezus gezegd heeft: „Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen, waarachtigen God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt."
De discipelen vragen dus als wij vaak: Wanneer zullen deze dingen zijn? En merk nu op Jezus' antwoord. Hij zegt niet: Na zoovele jaren, na zoovele eeuwen. Hij treedt niet in hunne tijdelijke voorstellingsvormen. Integendeel. Hij trekt hen daarvan met zijn antwoord af: „En Jezus antwoordende, zeide tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide." In stede van een antwoord te geven op de Hem gestelde vragen, dringt de Heere Jezus hen terug uit hunne tijdelijke voor stellingen en uit de wereld van het dagelijksche naar de diepe grondvragen, die met Zijne wederkomst samenhangen. Hij is ook bij de beantwoording zijner discipelen hier de goede Herder, de ware Leermeester der zielen. Afgezien van de vraag, of Hij er op antwoorden wilde of op antwoorden mocht, weet Hij, dat deze beantwoording voor de zijnen zonder waarde zou zijn niet alleen, maar ook geen zegen.
Het is Gods lankmoedigheid en wijsheid, dus een daad van liefdevolle ontferming, dat er niet alleen geopenbaarde, maar ook verborgen dingen zijn. Hoe heerlijk, dat wij het uur van ons sterven niet kennen en de dag onzes doods ons verborgen blijft. Het is eene wijsheid van Salomo, dat wij niet weten wat de dag zal baren. En zooals het eene donkere schaduw zou wezen, als wij dagen en uren moesten aftellen van wat ons aan levenstijd toegemeten was, zoo zou het ook eene vreeselijke wereld zijn, nog vreeselijker dan zij reeds is, wanneer wij moesten zien, hoe zij met hare goddeloosheid op een bepaald oogenblik in Gods handen vallen zou. De goddeloozen zouden er nog goddeloozer door worden dan zij reeds zijn. Wij zouden dan als wereldhouding zien hetgeen na-oorloogsche jaren in steden als Berlijn en Weenen te aanschouwen gaven, toen alles verbrast werd en duizenden zich in een roes voorbereidden op een toekomst van ondergang.
Daarom gaat de Heere Jezus op de vraag der discipelen niet in, maar hij dringt hen door zijn antwoord terug in hun innerlijk leven, opdat zij zullen vragen naar hun leven te midden der wereld. Hij wijst hen op den tijd, waarin zij leven, op de verschijnselen van den dag, waardoor zij omringd zijn. De Heere Jezus doet geheel anders dan de menschen van nature doen, vooral in dezen tijd. De hedendaagsche menschheid is er op aangelegd steeds maar naar buiten uit te gaan om het in de wereld te zoeken. Zij behoeven verstrooiing en tijdverdrijf, moeten opgaan in het leven om zich, zooals men het zegt, uit te leven. Zelfs de kerkediensten worden er op ingericht, want het streven dezes tijds is deze te maken tot vertooningen, waarbij ceremoniën en plechtigheden de menschen bezig houden, zoodat zij niet meer zullen inkeeren in zichzelven om zich als voor Gods aangezicht te onderzoeken en te verootmoedigen.
Doch de Heere Jezus deed geheel anders. Hij zegt tot zijne discipelen: „Ziet toe, dat u niemand verleide." Daarmede wijst Hij hen naar hun eigen innerlijk bestaan, dringt Hij hen naar een overwegen van de toestanden, waarin zij te midden van hun volk verkeerden en daarin lag tevens de waarschuwing voor de groote gevaren te midden waarvan zij leefden. En Hij legde hun daarmede de ontroerende verantwoordelijkheid voor, die op hen rustte, om te midden van die wereld als een licht te zijn op den kandelaar en zichzelven onstraffelijk te bewaren en hunne zielen uit te dragen als een buit. Zij zullen moeten toezien. Daarin ligt de vermaning tot voorzichtigheid, tot een wandel in het licht van Gods Woord om alzoo den dag Zijner toekomst tegemoet te gaan in het geloof, dat de Heere waarlijk komen zal. Zoo Hij vertoefde, zij zouden Hem verbeiden en met Gods Kerk zouden zij alzoo een wakend en een biddend leven leiden, dat in een „Amen, Ja kom, Heere Jezus!" zijn schoone openbaring vinden zou.
En dus, de Heere Jezus noemt hun geen dag, geen jaar, maar wijst hen naar de verborgenheid van hun innerlijk leven om onder de belichting van Zijnen Heiligen Geest de wereld huns tijds te zien als in opgang naar die toekomst, waarin de Heere Jezus Christus de levenden en de dooden zal oordeelen in Zijne verschijning en in Zijn Koninkrijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 8 July 1939

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Het einde en zijne voorteekenen (3e serie) VII

Bekijk de hele uitgave van Saturday 8 July 1939

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken